Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AH8876

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
00/02910
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of er bij de verkrijging van de onroerende zaak door belanghebbende sprake was van vier gerechtigden dan wel twee gerechtigden als bedoeld in artikel 15-1-g WBR.

De Inspecteur is van mening dat er vier gerechtigden zijn geweest, namelijk belanghebbende en zijn echtgenote en de broer van belanghebbende en zijn echtgenote. Belanghebbende stelt dat er slechts twee gerechtigden zijn geweest, te weten belanghebbende en zijn broer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21614
FutD 2003-0988 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/02910

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van (destijds) het Hoofd van de eenheid registratie en successie te Y van de rijksbelastingdienst op het bezwaarschrift tegen het bedrag dat aan Overdrachtsbelasting op aangifte is voldaan.

DE MONDELINGE BEHANDELING

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 april 2003 te 's-Hertogenbosch.

Daar is toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 29 april 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

DE BESLISSING:

Het Hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak, gelast teruggave van de op aangifte voldane overdrachtsbelasting ten bedrage van ƒ 8.400,=, gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 60,= (€ 27,22), veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644,=, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

DE GRONDEN:

1. Bij akte van verdeling en levering van april 2000 heeft belanghebbende, sedert juli 1995 gehuwd met mevrouw A B, het onverdeelde aandeel dat de broer van belanghebbende, de heer C, sedert juli 1995 gehuwd met mevrouw D B, had in het woonhuis met berging, carport, erf, tuin en ondergrond, gelegen aan de E 75 te Z (hierna: de onroerende zaak) verkregen.

2. Belanghebbende en zijn echtgenote, alsmede zijn hiervoor genoemde broer en zijn echtgenote waren, vóór de onder 1 bedoelde verkrijging, deelgenoot in de onroerende zaak. Beide echtparen waren hierin voor de helft gerechtigd.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende (en zijn echtgenote) en zijn broer (en zijn echtgenote) hebben samengewoond in de zin van artikel 15, lid 1, sub g, van de Wet op de Belastingen van Rechtsverkeer (hierna: 15-1-g WBR). Het Hof volgt partijen hierin, omdat een en ander niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

4. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of er bij de verkrijging van de onroerende zaak door belanghebbende sprake was van vier gerechtigden dan wel twee gerechtigden als bedoeld in artikel 15-1-g WBR.

De Inspecteur is van mening dat er vier gerechtigden zijn geweest, namelijk belanghebbende en zijn echtgenote en de broer van belanghebbende en zijn echtgenote. Belanghebbende stelt dat er slechts twee gerechtigden zijn geweest, te weten belanghebbende en zijn broer.

5. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat alleen hijzelf en zijn broer gerechtigden waren in de onroerende zaak. Hij stelde dat noch hij zelf noch zijn broer in gemeenschap van goederen zijn gehuwd omdat, anders dan in Nederland, het wettelijk systeem in Turkije daartoe niet leidt. De Inspecteur heeft dit weersproken bij gebrek aan wetenschap maar tevens aangegeven een nader onderzoek niet nodig te achten. Het Hof acht, mede omdat Nederland, met enkele andere landen zoals Portugal en Brazilië, met zijn wettelijke gemeenschap van goederen een uitzondering vormt, deze stelling van belanghebbende aannemelijk en gaat er, nu het tegendeel bovendien onvoldoende is gebleken, van uit dat deze voor juist moet worden gehouden.

6. Het vorenstaande betekent dat er slechts twee gerechtigden zijn geweest in de onroerende zaak, te weten belanghebbende en zijn broer. Nu tussen partijen niet meer in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van artikel 15-1-g WBR is voldaan, dient geconcludeerd te worden dat deze van toepassing is. Er dient te worden beslist zoals hiervoor is vermeld.

PROCESKOSTEN

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is in totaal € 644,=.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, op 29 april 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen

verzonden op: 13 mei 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 43,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak ook een griffierecht van € 174,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het door de belanghebbende ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het door deze voor het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.