Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9633

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
05-06-2003
Zaaknummer
99/30260
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30260

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking, gedagtekend 19 februari 1999, nummer 1 (hierna: de beschikking), is het voor het jaar 1997 vastgestelde (negatieve) inkomen van belanghebbende ad ƒ 9.276,- verrekend met het voor het jaar 1994 vastgestelde (positieve) inkomen ad ƒ 46.442,-. De beschikking is, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van ƒ 60,- (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 27 november 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende, zijn echtgenote mevrouw A (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) en zijn zoon, de heer B (hierna te noemen: de zoon) oefenen sinds 1 januari 1996 in maatschapsverband een vleeskuikensbedrijf uit. Tot voornoemde datum dreef belanghebbende de onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbende heeft bij de inbreng van de onderneming in de maatschap de economische eigendom van de bedrijfsgebouwen en grond aan de Aweg 1 te Y ingebracht onder voorbehoud van de stille reserves.

2.2. De zoon wilde in de Verenigde Staten een onderneming opstarten. Zijn ouders wensten hem door middel van een lening financieel te ondersteunen.

2.3. In maart 1997 heeft de C Bank N.V. te Q (hierna: de bank) een krediet van ƒ 900.000,- verstrekt. Als zekerheid diende onder meer de onroerende zaken aan de Aweg 1 te Y. In de kredietovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

" Ondergetekenden:

1. De heer X, wonende te Y,

Mevrouw A, wonende te Y,

De heer B, wonende te Y,

Leden van de Maatschap X, gevestigd te Y

hierna (zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk) te noemen, "Kredietnemer"

2. C Bank N.V., gevestigd te Q, hierna te noemen "C",

zijn overeengekomen als volgt:

De Kredietnemer krijgt op basis van de aan C

verstrekte informatie een faciliteit ter beschikking tegen de

in deze overeenkomst met bijbehorende bijlage vermelde

condities. De faciliteit dient ter financiering van de

bedrijfsuitoefening van de Kredietnemer.

(...) "

2.4. Belanghebbende heeft, ervan uitgaande dat hij (met zijn echtgenote) de lening bij de bank is aangegaan, het bedrag ad ƒ 900.000,- tot zijn privévermogen gerekend en dit bedrag vervolgens in 1997 doorgeleend aan de zoon ten behoeve van de door de zoon op te starten onderneming in de Verenigde Staten.

2.5. Per 31 december 1997 bedroeg de schuld aan de bank ƒ 900.000,-. Aan rente betreffende de lening van de bank is ƒ 23.147,- betaald.

2.6. In 2000 is de lening aan de bank afgelost uit middelen vrijgekomen uit verkoop van privé-vermogen van belanghebbende.

2.7. Belanghebbende heeft over het jaar 1997 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 12.443,- negatief, waarbij hij een bedrag van ƒ 23.147,- aan rente betreffende de schuld aan de bank in aftrek heeft gebracht. Aan overige rente is ƒ 20,- in aftrek gebracht.

2.8. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling slechts ƒ 20.000,- van het opgevoerde bedrag ad ƒ 23.167,- als aftrek geaccepteerd met als overweging dat sprake is van consumptieve rente. Met dagtekening 2 oktober 1998 is een aanslag van nihil vastgesteld waarbij het belastbaar inkomen is vastgesteld op ƒ 9.276,- negatief.

2.9. Bij de beschikking is het negatieve belastbaar inkomen van 1997 ad ƒ 9.276,- verrekend met het positieve belastbaar inkomen van 1994. Na verrekening bedroeg het belastbaar inkomen over 1994 ƒ 37.166,-.

2.10. Na tegen de beschikking gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur deze bij uitspraak gehandhaafd. Volgens de Inspecteur is dan wel geen sprake van consumptieve rente, zoals belanghebbende in zijn bezwaarschrift stelde, maar is de lening bij de bank door de ouders én de zoon aangegaan en dient bij ieder van hen voor slechts 1/3e deel rente-aftrek plaats te vinden. Omdat belanghebbende het hoogste persoonlijke inkomen heeft is het gedeelte van zijn echtgenote bij hem aftrekbaar. Doordat 2/3e gedeelte van de betaalde rente lager is dan het reeds in aftrek toegestane bedrag van ƒ 20.000,- is het belastbaar inkomen over 1997, aldus de Inspecteur, eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

* Is de rente op de lening aan de bank volledig aftrekbaar op het belastbaar inkomen over 1997 van belanghebbende?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende 2/3e gedeelte van de rente in aftrek kan brengen op zijn belastbaar inkomen over 1997.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de in 1997 betaalde rente op de schuld aan de bank op een bedrag van ƒ 23.147,- is te stellen.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van bronrente, welke derhalve niet in aftrek is beperkt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De ouders hebben de lening bij de bank afgesloten. De bank eiste ook zekerheid op ondernemingsvermogen van de maatschap. De zoon heeft derhalve alleen getekend voor de aansprakelijkheid, in zijn hoedanigheid van maat in de maatschap. De ouders en de zoon zijn weliswaar alledrie aansprakelijk voor de lening, maar dat wil niet zeggen dat zij alledrie de lening hebben afgesloten.

De ouders willen de zoon ten opzichte van zijn zus niet bevoordelen. De zoon zal derhalve de lening aan de ouders en de daarop verschuldigde rente te zijner tijd ook daadwerkelijk moeten voldoen. Over de hoofdsom van de schuld is de zoon jaarlijks een enkelvoudige rente verschuldigd.

De Inspecteur

De lening is aangegaan door de maatschap. De ouders en de zoon zijn hoofdelijk aansprakelijk. Ieder heeft een aandeel van 1/3e deel in de schuld en ieder mag 1/3e gedeelte van de rente in aftrek brengen. Als de ouders meer betalen dan hun aandeel dan hebben zij voor dat meerdere een verhaalsrecht op de zoon. Dat meerdere drukt derhalve niet op hen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1994 tot een belastbaar inkomen van ƒ 33.999,-, door middel van verliesverrekening zoals door hem voorgestaan. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De ouders kunnen de betaalde rente op grond van artikel 35 juncto artikel 38 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in aftrek brengen indien en voorzover zij uit eigen hoofde geroepen zijn tot deze betaling en de kosten op hen drukken.

4.2. In de kredietovereenkomst worden als kredietnemer aangeduid de ouders en de zoon en de leden van de maatschap, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk. Tevens is vermeld dat de lening wordt verstrekt ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de kredietnemer. Hiermee kan geen andere bedrijfsuitoefening worden bedoeld dan die van de maatschap.

De ouders en de zoon zijn, naar door belanghebbende niet wordt betwist, hoofdelijk aansprakelijk. Gelet hierop, alsmede gelet op de kredietovereenkomst, is het Hof van oordeel dat de lening en de daaruit voortvloeiende verplichtingen de ouders en de zoon ieder onverdeeld voor 1/3e gedeelte aangaan.

4.3. Hetgeen de ouders méér aan rente hebben betaald dan hun aandeel in de lening kan niet tot de aftrekbare kosten van artikel 35, eerste lid van de Wet worden gerekend, omdat deze uitgaven op de zoon zullen worden verhaald. Gesteld noch gebleken is dat de ouders de zoon hebben willen bevoordelen door het door de zoon verschuldigde deel van de rente voor hun rekening te nemen. Integendeel, belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat de ouders de zoon ten opzichte van zijn zus niet willen bevoordelen. Nu 1/3e gedeelte van de aan de bank verschuldigde rente door de ouders op de zoon zal worden verhaald, is ten aanzien van belanghebbende voor dit gedeelte geen sprake van drukkende kosten, zodat slechts 2/3e gedeelte van ƒ 23.147,- oftewel ƒ 15.432,- in aftrek kan worden gebracht. Nu de Inspecteur bij de aanslagregeling over 1997 reeds ƒ 20.000,- in aftrek heeft toegestaan, is het belastbaar inkomen over 1997 eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te bepalen dat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.W.J. Huige, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 31 maart 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 31 maart 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.