Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9629

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2003
Datum publicatie
05-06-2003
Zaaknummer
00/01614
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01614

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (nummer 00/01614), twaalfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te (thans) Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbenden is met betrekking tot het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 58.276,--. Belanghebbende heeft tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 58.026,--.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De ambtenaar heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 23 januari 2003. Ter zitting is de ambtenaar verschenen. Belanghebbende is met telefonisch bericht daaromtrent niet verschenen.

1.4. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen twaalf weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende was in 1998 als belastingambtenaar in dienstbetrekking werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

In het kader van technische bijstandsverlening aan de Nederlandse Antillen en Aruba werd hij door zijn werkgever uitgezonden naar Curaçao voor de periode van 1 september 1998 tot 1 september 2001.

Per 23 augustus 2001 werd het adres van belanghebbende Astraat 1 te Y.

2.2. Gedurende de periode van uitzending werd belanghebbende bezoldigd door het Ministerie van Financiën. In verband met zijn verhuizing naar Curaçao genoot belanghebbende in 1998 van zijn werkgever een belastingvrije verhuiskostenvergoeding van fl. 11.879,83.

2.3. Na de overtocht in 1998 naar Curaçao was aldaar voor belanghebbende en zijn gezin niet aanstonds een woning beschikbaar. Gedurende de periode van 25 augustus 1998 tot 1 oktober 1998 waren zij aangewezen op een hotelkamer. Voormelde belastingvrije verhuiskostenvergoeding zag onder meer op de kosten van een (tijdelijke) hotelkamer.

2.4. Van de kosten van de hotelkamer werd een gedeelte apart door belanghebbendes werkgever belastingvrij vergoed. Voor belanghebbendes rekening bleef een gedeelte van (omgerekend) fl. 1.567,50.

2.5. Belanghebbendes echtgenote heeft in 1998 kosten gemaakt van een reis naar Nederland in verband met de geboorte van een kleinkind. Die kosten, kosten van een vliegticket, bedroegen fl. 1.299,79.

2.6. De in 2.4 en 2.5 vermelde bedragen ad fl. 1.567,50 respectievelijk fl. 1.299,79 heeft belanghebbende in zijn aangifte als beroepskosten in aanmerking genomen. Bij de aanslagregeling heeft de ambtenaar (onder meer) die bedragen geheel gecorrigeerd. Bij de bestreden uitspraak is hij daarop niet teruggekomen.

2.7. In een brief d.d. 14 augustus 1998 van de ambtenaar aan de heer A, een naar de Curaçao uitgezonden defensieambtenaar, is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

"Verblijfkosten hotel

Ten aanzien van de verblijfkosten in een hotel is er voor Defensie personeel volgens uw schrijven van 11 augustus een eigen bijdrage van 13%. Daarom tel ik bij fl. 423,72.".

De beslissing in die brief resulteerde erin dat van de ter zake opgevoerde post een gedeelte ad fl. 391,98 apart als beroepskosten in aftrek werd toegelaten. Als niet-aftrekbare eigen bijdrage hanteerde de ambtenaar op basis van de brief van 11 augustus 1998 van de heer A een percentage van 13 van de kosten van logies (exclusief de kosten van maaltijden). In verband met kosten van logies was in de aangifte van de heer A in totaal (fl. 391,98 + fl. 423,72 =) fl. 815,70 in aanmerking genomen.

2.8. De ambtenaar heeft voor het jaar 1998 ten aanzien van de heer B, een collega van belanghebbende, kosten voor het reizen tussen Curaçao en Nederland, in verband met de geboorte van een kleinkind, als beroepskosten in aftrek toegelaten op grond van een vergelijking met militair personeel in het "Verplaatsingskostenbesluit militairen". Artikel 22, lid 1, van dat verplaatsingskostenbesluit luidt als volgt.

"De militair die met zijn gezinsleden is verhuisd naar een buiten Europa gelegen land met toekenning van een tegemoetkoming in de verhuiskosten heeft - indien de duur van de plaatsing is gesteld voor een periode langer dan vier jaren - eenmaal per periode van twee jaren voor zichzelf en voor de eveneens in het land van plaatsing gevestigde gezinsleden aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van het reizen tussen de woning in het buitenland en een plaats naar keuze in Nederland.".

De ambtenaar verleende bedoelde aftrek nadat hem bij navraag bij het Ministerie van Defensie was gebleken dat het Ministerie zich bij evenaangehaalde regeling coulant opstelt. In dat kader heeft de ambtenaar in zijn vertoogschrift opgemerkt

- dat de coulante opstelling betrekking heeft op het moment wanneer de reis wordt gemaakt en op de uitzendingsduur

- dat, indien een militair voor 4 jaar is uitgezonden (eventueel na verlenging), dan recht bestaat op een retourticket eens per twee jaar

- dat het het Ministerie niet uitmaakt of er in het tweede en vierde jaar of in het derde en vierde jaar van uitzending gereisd wordt doch

- dat wel dient vast te staan dat de uitzendingsduur minimaal vier jaar bedraagt, dit terwijl ingevolge de letterlijke tekst van vorenaangehaald artikel 22, lid 1, slechts recht op een vergoeding bestaat indien de plaatsingsduur langer (cursivering Hof) dan vier jaar is.

De ambtenaar nam bij het verlenen van de aftrek aan de heer B mede in aanmerking dat de heer B op 15 september 1996 naar Curaçao was uitgezonden, dat in 1998 naar Nederland werd gereisd en dat ten tijde van de aanslagregeling inkomstenbelasting 1998 (januari 2002) duidelijk was dat de heer B, mede met inachtneming van verlengingen van de plaatsingsduur, voor vier jaar was uitgezonden.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of belanghebbende, uitsluitend op grond van het gelijkheidsbeginsel, recht heeft op een aftrek als beroepskosten van voormelde gecorrigeerde bedragen van fl. 1.567,50 (hotelkamer) en fl. 1.299,79 (kosten vliegticket). Belanghebbende beantwoordt die vraag geheel bevestigend. De ambtenaar beantwoordt die vraag geheel ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn geen andere argumenten aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 58.026,-- - fl. 1.567,50 - fl. 1.299,79 =) fl. 55.158,--. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de betreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat belanghebbende, buiten de toepassing van het gelijkheidsbeginsel, geen recht heeft op een aftrek van de in geschil zijnde bedragen als beroepskosten. Het Hof volgt dat standpunt van partijen. Niet gebleken is dat partijen zijn uitgegaan van een juridisch onjuist uitgangspunt.

4.2. In zijn arrest van 16 juli 1993 (nr. 28 867), ondermeer gepubliceerd in BNB 1993/299*, heeft de Hoge Raad, in het geval van een technische bijstandsverlener als belanghebbende die boven zijn (onbelaste) vergoeding tot een bedrag van fl. 20.896,-- aan niet tot de aftrekbare kosten behorende uitgaven had gedaan als waarvoor aan zogenoemd Kabna-personeel en defensiepersoneel toegekende (onbelaste) vergoedingen waren bedoeld, geoordeeld dat die uitgaven op grond van het gelijkheidsbeginsel voor aftrek in aanmerking komen.

4.3. Met betrekking tot de in geding zijnde aftrek van fl. 1.567,50 (hotelkamer) heeft belanghebbende zich beroepen op het in 2.7 omschreven geval van de heer A.

4.4. De ambtenaar heeft daartegen aangevoerd dat, toen later bleek dat de bij de Ministeries van Defensie en Financiën bestaande regelingen op het gebied van de eigen bijdrage voor de kosten van logies (exclusief kosten van maaltijden) identiek waren (de eigen bijdrage bedroeg 25% van de logieskosten, van een eigen bijdrage van 13% bij het Ministerie van Defensie was geen sprake) bij de heer A uitsluitend om doelmatigheidsredenen niet is nagevorderd. Tevens heeft de ambtenaar aangevoerd "dat bij tientallen andere vergelijkbare ambtenaren de aftrek in het geheel niet werd toegestaan" en dat van een meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen waarin ten onrechte wel een aftrek werd verleend, geen sprake is. Het Hof heeft geen reden aan de juistheid van een en ander, zoals door de ambtenaar gesteld, te twijfelen. Het beroep van belanghebbende op het geval van de heer A baat belanghebbende derhalve niet. Van schending van het gelijkheidsbeginsel door de ambtenaar, door de eigen bijdrage geheel niet in aftrek toe te staan, is geen sprake.

4.5. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat "de eigen bijdrage 'huurwoning' 12% van het bruto inkomen bedraagt", dat dat "in mijn geval 703,00" is, dat "ik in mijn schrijven aan de Inspecteur van 21 september 1999 heb voorgesteld het bedrag van 1.567,50 gezien de eigen bijdrage evenredig aan te passen" en dat "een en ander zou inhouden dat (1.567,50 - 703,00) 864,50 geaccepteerd zou worden".

4.6. Daarmee heeft belanghebbende, naar het Hof begrijpt, bedoeld te stellen dat, indien hij direct bij aankomst op Curaçao een woning had kunnen huren, (ook) voor de periode van 25 augustus 1998 tot 1 oktober 1998 slechts een eigen bijdrage huurwoning van 12% van het bruto-inkomen van toepassing zou zijn geweest. Belanghebbende stelt voor de periode van 25 augustus tot 1 oktober die eigen bijdrage op fl. 703,--. Het verblijf in een huurwoning is evenwel niet vergelijkbaar met het verblijf in een hotel. Van schending van het gelijkheidsbeginsel, door de in geding zijnde fl. 1.567,50 ook gedeeltelijk niet in aftrek toe te laten, kan dan ook geen sprake zijn.

Voor zover belanghebbende beoogd heeft zulks te stellen, merkt het Hof op dat het in 4.5 aangehaalde voorstel van belanghebbende, dat door de ambtenaar niet is aanvaard, ook overigens geen steun vindt in het recht.

4.7. Met betrekking tot de in geding zijnde aftrek van fl. 1.299,79 (kosten vliegticket) heeft belanghebbende zich beroepen op het in 2.8 omschreven geval van de heer B.

4.8. De ambtenaar heeft daartegen aangevoerd dat belanghebbende voor de periode van 1 september 1998 tot 1 september 2001 is uitgezonden naar Curaçao, dat het daarbij om minder dan vier jaar gaat, dat de heer B, mede met inachtneming van de verlengingen van de plaatsingsduur, voor vier jaar was uitgezonden en dat om die reden het geval van belanghebbende niet vergelijkbaar is met het geval van de heer B. Het Hof volgt dat standpunt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel door de amtenaar, door de kosten van het vliegticket geheel niet in aftrek toe te staan, is reeds om deze reden geen sprake.

4.9. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 3 april 2003 door T. Blokland, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing op die datum in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier, in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 3 april 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.