Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9345

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2003
Datum publicatie
02-06-2003
Zaaknummer
C0100642-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AW

rolnr. C0100642/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 17 maart 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante bij exploot van dagvaarding van

5 juli 2001,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

de naamloze vennootschap LEVOB SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Leusden,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht gewezen vonnis van 10 mei 2001 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - Levob - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 51975/1999)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante], onder overlegging van producties, een grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van geïntimeerde tot voldoening van schadebedragen (fl. 30.000 met de wettelijke rente vanaf 4 december 1994 aan smartengeld en fl. 94.319,94 met de wettelijke rente vanaf

15 september 1999) met veroordeling van Levob in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Levob de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarop hun zaak doen bepleiten; pleitnotities van hun raadslieden zijn daarbij overgelegd.

2.4. Vervolgens hebben zij de stukken overgelegd en uit-spraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grief wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2. [appellante] is geboren op [geboorte datum].

[appellante] is in 1990 als inzittende van een auto aangereden en heeft nadien pijnklachten in nek, schouder, arm, rug en been ondervonden (hierna ook: het ongeval van 1990).

Op 4 december 1994 was [appellante] inzittende van een stilstaande auto met aanhanger die van achteren werd aangereden door een auto, bestuurd door een verzekerde van Levob (welk voorval hierna wordt aangeduid als "het ongeval" of "het ongeval van 1994").

4.3. Levob heeft aansprakelijkheid erkend van haar verzekerde voor het ongeval. Zij heeft de schade aan de auto (fl. 1.600,00 incl. BTW) betaald. Levob heeft ook erkend dat zij aansprakelijk is voor uit dat ongeval voor [appellante] voortvloeiende schade en heeft [appellante], onder voorbehoud van alle rechten, een voorschot uitgekeerd van fl. 2.300,00.

Het geschil tussen partijen betreft, kort gezegd, de aard en omvang van die schade.

4.4. [appellante] stelt, kort gezegd, dat zij ten gevolge van het ongeval onder meer hoofdpijn, pijn in nek, schouder, rechterbeen en rug heeft en vordert schadevergoeding, in hoofdzaak bestaande uit smartengeld en een vergoeding voor huishoudelijke hulp en honden trimmen.

Levob ontkent het bestaan van reële klachten en, zo er klachten zijn, van enig causaal verband met het ongeval.

4.5. Vóór deze procedure zijn rapporten uitgebracht door de neuroloog [deskundige 1] (rapporten d.d. 23 juli 1996, gevolgd door een brief d.d. 7 oktober 1997 gericht aan de adviseur van [appellante] naar aanleiding van haar nadere vragen) en de orthopaed [deskundige 2], (d.d. 16 juni 1999, naar aanleiding van vragen van de raadsman van [appellante], waarover tevoren enig contact had plaatsgevonden met Levob).

In het dossier bevinden zich voorts notities van [appellantes] huisarts [huisarts] die hierna, voor zover relevant aan de orde komen.

4.6.1. [deskundige 1] rapporteert naar aanleiding van vragen door beide partijen in zijn geneeskundig rapport d.d. 23 juli 1996 bij de anamnese zakelijk weergegeven onder meer

-dat eerder, na een ongeval in 1990, klachten bestonden van de nek, schouder, en rechter arm, die nooit geheel herstelden,

-dat deze klachten na het ongeval van 4 december 1994 verergerd zijn.

4.6.2. Voorts wordt in dat rapport aangegeven dat [deskundige 1] separaat informatie zal vragen bij de huisarts [huisarts] inzake het ongeval van 1990, waaruit het hof afleidt dat die informatie niet bij het rapport betrokken is.

4.6.3. De conclusie van [deskundige 1] houdt onder meer in:

A. Ongevalsgevolg dd 04-12-1994. Een Acceleratietrauma in een auto, 2 klappen kort na elkaar.

1. Nek-rechter schouder en -bovenarmklacht, myogeen bepaald. Een stijf gevoel. De nek is normaal te bewegen. De klachten zijn hetzelfde als na een ongeval in 1990, doch iets meer uitgesproken.

2. Rug- en rechter beenklacht. Een stijf gevoel met incidenteel krampen. Aanvankelijk 1 jaar meer uitgesproken en nu weer als na het ongeval in 1990 met af en toe een tin-telend gevoel in de voet, zonder neurologische afwijkingen.

3. Occipitaal en frontaal gelokaliseerde hoofdpijn, als een band. Aanvankelijk erger en frequenter dan na het ongeval in 1990. De intensiteit en frequentie is nu weer als tevoren, ongeveer eenmaal per maand.

De conclusie behelst voorts een opgave van gevolgen van genoemd ongeval in 1990 en niet ongevalsgevolg.

4.6.4. Het zakelijk rapport van 23 juli 1996 herhaalt het-geen hierboven onder A is weergegeven en houdt voorts onder meer in:

Zoals uit de anamnese duidelijk blijkt bestonden voor het ongeval van 04-12-1994 dezelfde klachten als na een ongeval in 1990. Aanvankelijk waren de klachten meer uitgesproken en zijn verbeterd. Het ongeval van 04-12-1994 heeft dus een graduele verandering gegeven, maar geen principiële verandering. Of dit ook spontaan zou kunnen optreden kan men zich afvragen, bijvoorbeeld door grotere belasting. De restklachten die thans aanwezig zijn, zijn als na het ongeval in 1990. Na aanvankelijke toename op 04-12-1994 zijn ze ongeveer weer op het oorspronkelijke niveau teruggekeerd, behoudens dat de nek-, rechter schouder- en rechter armklacht iets meer zijn uitgesproken.

[deskundige 1] refereert vervolgens aan richtlijnen, geformuleerd door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, en concludeert: Al met al voldoet onderzochte niet aan de criteria. Het gradueel verschil tussen de huidige pijnklachten en die van destijds zijn niet groot en onderzochte voldoet niet aan punt 5 (inhoudende dat de pijnklachten aanleiding hebben gegeven tot het zoeken van medische hulp over een periode van minstens 1 jaar in aansluiting op het trauma, medisch gedocumenteerd; opm. Hof). Het totale percentage functionele invaliditeit bedraagt 0.

Onderzochte stelt beperkingen te ondervinden bij...

Er zijn geen andere beperkingen als ongevalsgevolg van

04-12-1994.

Onderzochte ondervindt beperkingen bij de belasting van de nek- en schouderstreek rechts en bovenarm, in iets meerdere mate dan na het ongeval van 1990. Voor het overige zijn de klachten als die na het ongeval van 1990 en een deel niet door het ongeval bepaald.

4.6.5. De rechtsbijstandverzekeraar van [appellante] heeft [deskundige 1] bij brief van 26 augustus 1997 medegedeeld dat de klachten van [appellante] na het ongeval van 1990 ten tijde van het ongeval van 1994 al geruime tijd volledig verdwenen waren en voegt in dat verband een brief van de huisarts bij. Voorts verzoekt zij [deskundige 1] zijn visie op dit punt te heroverwegen.

4.6.6. [deskundige 1] antwoordt daarop bij brief van 7 oktober 1997 onder meer dat het op grond van van betrokkene verkregen gegevens "leek ... dat de gevolgen van het ongeval in 1990 door het ongeval van 04-12-1994 verergerd waren." En voorts -zakelijk weergegeven - dat berichten van de huisarts inhouden "Er werd niet meer geklaagd over rug- en vingerklachten na 07-08-1990" en "Ze pakte haar normale werkzaamheden op". En "Uit de gegevens blijkt niet dat ze voor het ongeval in 1994 nog klachten had."

En voorts:

De Nederlandse Vereniging voor Neurologie formuleerde richtlijnen voor de bepaling van invaliditeit bij neurologische aandoeningen en stelde deze op 13-04-1995 vast. Bij het bestaan van pijnklachten, zonder objectieve afwijkingen, bij een weke delen letsel van de nek kan een percentage functieverlies worden aangenomen van de gehele mens, mits voldaan is aan een aantal voorwaarden. Als men over punt 5 heenstapt: De klachten hebben geen aanleiding gegeven tot het zoeken van medische hulp over een periode van minstens 1 jaar in aansluiting aan het trauma, medisch gedocumenteerd, geheel of grotendeels onafgebroken aanwezig zijn geweest, zou ze in aanmerking komen voor een percentage invaliditeit, uitgaande van het feit dat ze geheel klachtenvrij zou zijn geweest voor het ongeval van 04-12-1994. Vergelijkenderwijs binnen een groep met een dergelijk trauma zou een percentage van 3 % moeten worden voorgesteld. Een verdiscontering van eventueel eerder toegekende invaliditeit zal dan wel moeten plaatsvinden. Ik stel voor haar het voordeel van de twijfel te geven en haar dus op grond van het laatste te beoordelen.

4.7.1. [deskundige 2] is niet op gezamenlijk initiatief van partijen, maar door [appellantes] raadsman benaderd. Deze heeft weliswaar tevoren vragen aan Levob voorgelegd en daarop een vraagstelling van Levob ontvangen, maar deze laatste wordt door [deskundige 2], hoewel de vragen hem toegezonden lijken te zijn, niet afzonderlijk beantwoord.

4.7.2. De conclusie van het rapport van [deskundige 2] d.d. 16 juni 1999 houdt onder meer in:

Volgens informatie uit de behandelend sector en uit de eerdere expertise zijn de klachten na het ongeval (van

04-12-1994, hof) hevig geweest, vervolgens afgezakt maar nooit verdwenen.

Daarnaast is er discrepantie tussen de informatie van patiënte dat zij de volgende dag de huisarts heeft bezocht en de informatie van de huisarts die aangeeft dat zij

16 dagen na het ongeval hem voor het eerst bezocht. Ook blijkt uit deze informatie en uit de informatie van patiënte dat nooit verdere behandeling heeft plaatsgevonden en dat ook nader onderzoek of specialistische verwijzing door haar werd afgewezen omdat zij de honden niet zolang alleen zou kunnen laten. Toch geeft zij aan door het ongeval heel veel beperkingen te hebben opgelopen terwijl anderzijds geen poging is gedaan om door behandeling enige verbetering te verkrijgen. Ik kan dit ondanks uitgebreid navragen bij patiënte niet goed verklaren. Bij het onderzoek wordt een duidelijke vermindering van de beweeglijkheid van zowel de rug als de nek gevonden, waarbij de presentatie toch wat theatraal is.

Beantwoording van de vraagstelling:

A. Als gevolg van het haar overkomen ongeval d.d.

04-12-1994 heeft patiënte klachten gekregen van hoofdpijn en nekpijn trekkend in de rechter schouder. (...)

Het klachtenbeeld is niet typisch voor restklachten na een acceleratie/deceleratieletsel van de cervicale wervelkolom..."

B.(...) Bij deze behandeling dient dan ook aandacht te worden besteed aan de psychische component van het gehele klachtenbeeld omdat er toch sprake lijkt te zijn van een fixatie aan het ongevalsgebeuren, hetgeen een negatieve invloed heeft op de lichamelijke componenten. Zoals ik in de anamnese heb aangegeven zijn er noch uit de anamnestische gegevens van patiënte noch uit de informatie van de behandelend sector redenen om aan te nemen dat patiënte vóór het ongeval op 04-12-1994 nog restklachten had van eerdere ongevallen.

Ook is het niet waarschijnlijk dat de klachten die zij nu heeft als gevolg van een natuurlijk proces op dezelfde wijze zouden zijn opgetreden, zodat het ongeval wel als oorzakelijk moment kan worden beschouwd.

C.(...) voor het functiegedeelte van de cervicale wervelkolom... Dit betekent dat maximaal 5 % als ongevalsgevolg kan worden gezien... Voor de functies van de lumbale wervelkolom voor de flexie 5%, extensie 3 %.

D. Uitgaande van de huidige situatie zijn de beperkingen die patiënte ondervindt gelegen in activiteiten met de armen,(...) bukken... lang staan en zitten(...).

Op grond van mijn onderzoeksresultaten en de verkregen informatie uit de anamnese en behandelend sector is het wel aannemelijk dat deze klachten ongevalsgevolg zijn van het ongeval op 04-12-1994. Ik heb wel aangegeven dat de wijze van presentatie en de forse verwerkingsproblematiek een negatieve invloed hebben op het hele beeld, waardoor met name functiemetingen minder betrouwbaar zijn uit te voeren.

4.7.3. Naar aanleiding van een brief van [appellantes] raadsman preciseert [deskundige 2] nog: "De getallen die genoemd zijn komen inderdaad uit op een totaal verlies van 13 % van de totale mens, zoals op het onderzoeksmoment bepaald."

4.8. Ter comparitie in eerste aanleg d.d. 24 januari 2000 zijn partijen het eens geworden over de deskundigen die een door de rechtbank noodzakelijk geacht onderzoek door deskundigen zouden kunnen verrichten.

Daarop zijn rapporten uitgebracht door de orthopaedisch chirurg [deskundige 3], (rapport d.d. 20 juli 2000);

de klinisch neuropsycholoog [deskundige 4] (rapport d.d. 26 oktober 2000) en wederom door [deskundige 1] (rapport 30 november 2000).

4.9.1. In hoofdzaak weergegeven houdt het rapport van [deskundige 3] het volgende in onder "Samenvatting":

" Ook in 1990 is er een ongeval geweest, waarbij betrok-kene diverse klachten heeft gehad die zij ook na het ongeval van 1994 heeft overgehouden, doch de klachten uit 1990 waren alle volledig over, en deze zaak was volledig afgehandeld ten tijde van het ongeval van 1994.

Bij het lichamelijk onderzoek valt het op dat er aan de cervicale wervelkolom vrijwel geen actieve bewegingsrange mogelijk is, terwijl er tijdens de anamnese en het aan- en uitkleden een spontane ruime bewegingsrange is, die belangrijk groter is dan die ten tijde van het actieve en passieve bewegingsrange-onderzoek. Ditzelfde geldt voor de lage rug. Bij het onderzoek van de cervicale wervelkolom, trapeziusregiones, rechterarm, onderarm, pols en hand, rechter gehele been en voet wordt er geen objectiveerbare afwijking vastgesteld. Er is sprake van een biomechanisch normale tractus locomotorius.

Röntgenologisch ... Er zijn geen posttraumatische afwijkingen. Normale thoracale en normale lumbale wervelkolom, er zijn ook hier geen posttraumatische afwijkingen zichtbaar.

Onder "Overweging" houdt het rapport in:

De anamnese wijst voor geen van de genoemde onderdelen van de tractus locomotorius waarover betrokkene klaagt in de richting van een herkenbare afwijking. Bij het lichamelijk onderzoek en het röntgenonderzoek kan er in het geheel geen afwijking worden vastgesteld, die zou kunnen worden geduid als een ongevalsgevolg. Dit betekent dus dat er voor de aard en de ernst van de klachten van betrokkene geen verklaring wordt gevonden bij anamnese, lichamelijk onderzoek en röntgenonderzoek.

Beantwoording van uw vragen:

Diagnose: bij afwezigheid van objectiveerbare afwijkingen kan geen diagnose als ongevalsgevolg worden gesteld.

(...) Bij afwezigheid van posttraumatische afwijkingen kan niet worden gesteld dat er verschijnselen zijn die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd.

Restklachten:

Bij afwezigheid van objectiveerbare afwijkingen als ongevalsgevolg van 4 december 1994 kan ik de klachten van betrokkene niet verklaren."

4.9.2. Met betrekking tot de bevindingen van de orthopeed [deskundige 2] schrijft [deskundige 3] het volgende:

"Ik meen dat collega [deskundige 2] geen objectiveerbare afwijking heeft vastgesteld bij zijn lichamelijk onderzoek en röntgenonderzoek, als ongevalsgevolg. De enige onderzoeksbevinding is hetgeen in de samenvatting op pagina 8 bovenaan wordt geschreven: "Bij het onderzoek wordt een duidelijke vermindering van de beweeglijkheid van zowel de rug als de nek gevonden, waarbij de presentatie toch wat theatraal is". Er is dus geen reproduceerbare beperking van de bewegingsrange gevonden, hetgeen een van de belangrijkste bezwaren is tegen het toepassen van het bewegingsrangemodel, het model dat door collega [deskundige 2] wordt gehanteerd...

Het officiële standpunt van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging... is dat wij ons niet laten leiden als orthopaeden door speculaties, doch uitsluitend door objectiveer-bare afwijkingen.

Als collega [deskundige 2] spreekt over klachten die vooral van myogene aard zijn is hij aan het speculeren als hij geen objectiveerbare afwijking vaststelt.

Collega [deskundige 2] beschrijft bij het onderzoek van de wervelkolom dat de musculatuur over de gehele wervelkolom hypertoon is en pijnlijk. Hypertonie is een subjectieve waarneming en de mededeling dat de musculatuur pijnlijk is is eveneens subjectief. Ikzelf heb in de setting van de onderzoekkamer van vandaag vastgesteld dat er sprake is van een normale tonus van de musculatuur. De pijnaangifte was sterk wisselend van intensiteit, bij herhaalde testen, niet reproduceerbaar.

Ook collega [deskundige 2] stelt dat er geen "specifiek provocerende momenten zijn bij de bewegingstesten". De pijnaangifte bij de schoudertesten wordt door collega [deskundige 2] als volgt aangegeven: "zonder specificiteit en niet bij isometrisch aanspannen." Ook daarbij wordt er dus, zoals overal elders bij het lichamelijk onderzoek, geen reproduceerbare pijnaangifte vastgesteld.

4.9.3. [deskundige 3] acht voorts beantwoording van vragen naar inschatting van de functionele invaliditeit en naar beperkingen bij afwezigheid van objectiveerbare afwijkingen niet relevant.

4.10.1. [deskundige 4] schrijft: Op mijn vakgebied zijn geen stoornissen aantoonbaar ten aanzien van aandacht, concentratie, geheugen, taalgebruik, schoolse vaardigheden en visuoperceptie en -constructie. Uit persoonlijkheidsonderzoek en anamnese komt wel naar voren dat betrokkene angst-klachten in het verkeer ervaart....

-Uitgaande van de richtlijnen van de NVN m.b.t. de beschrijving van het postwhiplash syndroom en meer specifiek ten aanzien van naast de pijnklachten voorkomende psychische stoornissen wordt geconstateerd dat er op mijn vakgebied geen sprake is van objectiveerbare cognitieve stoornissen. Wel is er sprake van verwerkings- en acceptatieproblemen. Het is zeer wel mogelijk dat deze mede van invloed zijn bij het bestendigen van het pijnsyndroom.

4.11. [deskundige 1] rapporteert op 30 november 2000:

Overweging:

De anamnese, onderzoek en verkregen informatie geven geen aanknopingspunt voor een lijden van het centrale zenuwstelsel, cervicale wortels, plexus of perifere zenuwen, behoudens dat mogelijk voorbijgaand een carpaal tunnel syndroom klacht is geweest beiderzijds. Deze zijn echter verdwenen. Bij het neurologisch onderzoek werden geen afwijkingen vastgesteld. De mobiliteit van de halswervelkolom is normaal. De wervelkolomfoto's tonen geen traumatische afwijkingen, elders vastgesteld. (de klachten van de nek, schouder zijn myogeen bepaald). Er bestaat sedert 1980 een spierspanninghoofdpijn, wisselend bestaan nu nog hoofdpijnen 1 maal per week met een zwaar gevoel. Deze kunnen niet als rechtstreeks en uitsluitend ongevalsgevolg worden gezien.

Na het ongeval van 03-06-1990 ontstond een rug- en rechterbeenklacht die toenam na het ongeval van

04-12-1994. Er zou een klapvoet zijn gedurende 1 maand cq pijn in het scheenbeen. Het geuite klachtenpatroon van het been is weinig typisch. Neurologisch konden geen afwijkingen worden vastgesteld,... De klacht van het been ontstond niet binnen 24 uur na het ongeval. Eerst ontstond na

2 dagen rugklachten en daarna de rechter beenklacht. Een klacht die tevoren in 1990 ook bestond.

Beantwoording vraagstelling:

Als diagnose werd gesteld:

B. Ongevalsgevolg dd. 04-12-1994, een aanrijding van achteren,

stilstaand:

1. Nekklacht

2. Rechter schouderklacht

3. Armklacht

4. Hoofdpijn

5. Rugpijn

6. Beenklacht rechts zonder neurologische afwijkingen.

C. Niet ongevalsgevolg dd. 03-06-1990 en 04-12-1994:

(...)

7. Acceptatie- en verwerkingsproblematiek van het haar overkomene, mede bepaald door de houding van degene die haar aanreed.

2. Er worden klachten geuit van nek, rechter schouder, arm, hoofdpijn, rugpijn en beenklacht. Er konden geen neurologische afwijkingen worden vastgesteld. De bewegingsmogelijkheden van nek en rug zijn niet afwijkend. Er konden geen afwijkingen aan het been worden vastgesteld. Subjectief is de nek musculatuur wat gevoelig. Duidelijke objectieve afwijkingen ontbreken.

3. Op grond van mijn eerste onderzoek in 1996 bleken de klachten van een eerder doorgemaakt ongeval in 1990 niet geheel verdwenen... het zou dus best kunnen zijn dat een verergering van de aanwezige klachten zou kunnen ontstaan als het ongeval van 04-12-1994 niet had plaatsgevonden.

Ik kan de mening van orthopedisch chirurg [deskundige 2] niet delen ten aanzien van rug- en beenklacht,. Ze waren voor het ongeval van 04-12-1994 ook reeds aanwezig. (...)

4. Evenals in mijn rapportage vind 1996 vind ik geen beperking in de mogelijkheden van het bewegen van de nek zoals uit observatie en verzoek tot bewegen plaats vond. De best uitgevoerde beweging geldt, zodat er een onbeperkte bewegingsmogelijkheid is. (...)

5. Bij de bepaling van de functiestoornis is impairment worden de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie gevolgd met daarbij gevoegde toelichting in december 1999 van deze vereniging. Bij het bestaan van pijnklachten zonder objectieve afwijkingen kan bij het weke delen letsel van de nek een percentage blijvend functieverlies van de gehele mens worden aangenomen mits voldaan is aan voorwaarden . (...)

1. Het trauma staat vast, een aanrijding van achteren.

2. Het ongeval heeft aanleiding gegeven tot een mechanisch te begrijpen geweldsinwerking op de halswervelkolom.

3. De pijnklachten zijn gelokaliseerd in de nek en trekken door naar de rechter schouder en bovenarm.

4. De pijnklachten zijn op dezelfde dag van het ongeval ontstaan. In principe dezelfde klachten als bestonden voor het ongeval na een ongeval in 1990, echter meer uitgesproken.

5. De pijnklachten hebben geen aanleiding gegeven tot het zoeken van medische hulp over een periode van minstens 1 jaar na aansluiting op het trauma, medisch gedocumen-teerd.

6. Het zwaardere huishoudelijke werk wordt na het ongeval van 1994 niet gedaan. Het is minder duidelijk hoe dit was na het eerste ongeval. Het honden trimmen gaat min-der goed. Bij het opzetten van de marktkraam van de dochter, die een zelfstandig ondernemer is, lukt minder goed. De gebruikelijke activiteiten van het dagelijks leven, maatschappelijk verkeer en recreatie zijn verder niet beperkt.

7. Al met al voldoet onderzochte niet aan de geformuleerde criteria van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. In een toelichting van de Nederlandse Vereniging op het postwhiplash syndroom wordt nogmaals gewezen op de noodzaak dat aan alle 6 criteria moet worden voldaan alvorens een functieverlies van de gehele mens kan worden aangenomen.

Het functieverlies van de gehele mens (impairment) be

draagt 0%.

4.12. Nadat beide partijen hebben geconcludeerd na deskundigenbericht heeft de rechtbank [appellante]'s vordering afgewezen op de grond dat de door [appellante] gestelde gevolgen van het ongeval niet zijn komen vast te staan nu de deskundigen [deskundige 3] en [deskundige 1] concluderen - voor hun vakgebied - dat [appellante] geen lichamelijke gevolgen heeft ondervonden van het ongeval terwijl [deskundige 4] concludeert dat op haar terrein geen stoornissen aantoonbaar zijn.

4.13. Het hof begrijpt de ene grief van [appellante] aldus dat zij daarmee dit oordeel van de rechtbank en haar vordering in volle omvang aan 's-hofs oordeel wil onderwerpen.

4.14. Het hof oordeelt als volgt.

Het enige rapport dat uitgaat van restklachten van het ongeval van 1990 ten tijde van het ongeval van 1994 is het rapport d.d. 23 juli 1996 van [deskundige 1]. [deskundige 1] baseert zich daarbij uitsluitend op de anamnese, dus op de door [appellante] zelf verstrekte gegevens.

De informatie van de huisarts, waarnaar [deskundige 1] verwijst in zijn onder 4.6.6 aangehaalde brief, duidt erop dat [appellante] ten tijde van het ongeval van 4 december 1994 geen restklachten meer had van het ongeval van 1990 die van betekenis zijn voor de beslissing in deze zaak en [appellante] heeft in deze procedure steeds ontkend dat er zodanige restklachten waren.

Het hof gaat er gelet op de onbetwiste inhoud van deze gegevens van de huisarts, mede gelet op hetgeen in diverse rapporten is opgenomen over de wijze van presenteren door [appellante], vooralsnog van uit dat er ten tijde van het ongeval van 1994 geen relevante restklachten van het eerdere ongeval meer waren.

4.15. De deskundige [deskundige 4] concludeert, kort gezegd, dat er op haar vakgebied geen stoornissen, in het bijzonder geen cognitieve stoornissen zijn als gevolg van het ongeval van 1994, maar vraagt aandacht voor de verwerkingsproblematiek.

De deskundige [deskundige 3] stelt vast dat er geen objectiveerbare afwijkingen (hetgeen lijkt te moeten worden begrepen als: medisch aantoonbare, fysieke afwijkingen) zijn, maar tevens dat door hem als subjectief geduide pijnklachten niet objectiveerbaar zijn, want niet reproduceerbaar.

De deskundige [deskundige 1] acht blijkens zijn rapport wel klachten aanwezig, maar ziet deze, tenminste deels, als restklachten van 1990 en beantwoordt de vraag naar functiestoornis in zijn rapport van 30 november 2000 enigszins anders dan in zijn brief van 7 oktober 1997 echter overeenstemmend met de beantwoording van 23 juli 1996.

De beantwoording is (overeenkomstig de vraagstelling door de rechtbank) gerelateerd aan de richtlijnen van de Neder-landse Vereniging voor Neurologen voor vaststelling van weke delen letsel.

De deskundige [deskundige 2], wiens rapport, naar [appellante] terecht onderstreept, niet reeds zonder belang is op de enkele grond dat deze deskundige door [appellante] alléén is aangezocht, signaleert klachten die een functieverlies van in totaal 13 % opleveren als gevolg van het ongeval van 1994 maar geeft aan dat dit beeld negatief beïnvloed is door de wijze van presentatie en de verwerkingsproblematiek.

4.16. Mede gelet op hetgeen het hof onder 4.14 heeft over-wogen acht het hof op grond van de thans overgelegde rap-porten, in het bijzonder de rapportages van [deskundige 1], aannemelijk dat [appellante] na het ongeluk van 1994 tenminste enige reële klachten heeft of heeft gehad, die, hoewel aan te merken als subjectief, objectief konden worden vastgesteld.

Het hof is vooralsnog van oordeel dat aannemelijk is dat deze klachten, gelet op het voorkomen daarvan kort na het ongeval van 1994 en het feit dat een aanrijding als deze geëigend is om dergelijke klachten te laten ontstaan, zijn ontstaan als gevolg van het ongeval.

Gelet op dit feitelijk vermoeden kan hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over de toepassing en reikwijdte van de "omkeringsregel" buiten beschouwing blijven.

4.17. Het hof is echter van oordeel dat op grond van de thans voorliggende deskundigenrapporten niet kan worden vastgesteld welke omvang de louter door het ongeval ver-oorzaakte beperkingen hebben. Dit kan thans niet zonder meer uit de deskundigenrapporten worden afgeleid enerzijds omdat daartussen zekere tegenstrijdigheden bestaan (brief na eerste rapport [deskundige 1] tegenover diens eerdere en latere rapport; rapporten [deskundige 2] en [deskundige 1] tegenover rapport [deskundige 3]) anderzijds omdat [deskundige 1] wel klachten signaleert, maar deze niet relateert aan het ongeval van 1994, en tenslotte omdat de in die rapporten gesignaleerde "theatrale presentatie" en "verwerkingsproblematiek" het zicht benemen op de omvang van de schade waarvoor Levob aansprakelijk is. Zeker voor zover daarbij krenking door de houding van de verzekerde van Levob die haar aanreed een rol speelt (vgl. [deskundige 1], rapport d.d. 30 november 2000 p. 5) geldt, dat invloed daarvan geen rol speelt bij eventuele aanspraken op Levob.

In verband met die problematiek en presentatie overweegt het hof nog dat, hoewel een kop-staart botsing in het al-gemeen geëigend lijkt te zijn om klachten zoals [appellante] stelt te ondervinden te veroorzaken, Levob terecht stelt dat de uitgekeerde materiële schade duidt op een geringe acceleratie/deceleratie en dat [appellante] zich weliswaar langdurig onder behandeling van haar huisarts heeft gesteld, maar heeft afgezien van het zoeken van specialistische hulp of fysiotherapie.

Anderzijds overweegt het hof nog dat weliswaar de richt-lijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie van belang zijn, maar dat de vraag niet zozeer is of aan die richtlijnen voldaan is, maar of [appellante] objectiveerbare klachten heeft, waarbij genoemde richtlijnen slechts een methodiek voor objectivering bieden.

Het hof acht wat betreft de omvang van de klachten her-nieuwd deskundigenonderzoek noodzakelijk, bij voorkeur door nadere vraagstelling aan de reeds eerder benoemde deskundige [deskundige 1], mogelijk ook door vraagstelling aan een deskundige die zich kan uitspreken over oorzaak, aard en gevolgen van de gesignaleerde verwerkingsproblematiek en wijze van presentatie. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten teneinde par-tijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) alsmede over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Ter bevordering van een efficiënte gang van zaken op deze comparitie worden partijen uitgenodigd uiterlijk één week voor de comparitie haar schriftelijk voorstel over de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vra-gen aan de hierna te noemen raadsheer-commissaris en de wederpartij te doen toekomen.

4.18.De comparitie zal tevens dienen om te onderzoeken of partijen geheel of ten dele tot een minnelijke regeling kunnen komen, aangezien deze zaak zich daar, gelet op de onder 4.17 aangegeven nuanceringen, gelet op de tot op heden met deze procedure gemoeide tijd en kosten en gelet op de kosten van hernieuwd deskundigenonderzoek, naar

's-hofs oordeel bij uitstek voor leent.

4.19. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen zullen verschijnen voor mr. Grapper-haus als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 4.17 en 4.18 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 april 2003 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun raadslieden op dinsdagen en donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzit-ting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, Grapperhaus en Marres en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 maart 2003.