Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9130

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2003
Datum publicatie
26-05-2003
Zaaknummer
C0200584-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/200
JAR 2003, 200

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0200584/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 13 mei 2003,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid XEROX MANUFACTURING (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Venray,

appellante bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2002,

verder te noemen: Xerox,

procureur: mr. P.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo, op 3 april 2002 onder zaaknummer 84202\CV EXPL 01-2360 gewezen vonnis tussen [geïntimeerde] als eiser en Xerox als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. In de memorie van grieven heeft Xerox twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] in zijn vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Hij concludeert, kort gezegd, tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bevestiging van het vonnis met veroordeling van Xerox in de kosten.

2.3. Partijen hebben arrest gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Grief 1 luidt:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter in zijn vonnis:

De kantonrechter begrijpt artikel 15 van de CAO als volgt: De termijn van 52 weken is limitatief in die zin dat gedaagde per periode van arbeidsongeschiktheid volgens de WAO slechts eenmaal gedurende 52 weken gehouden is tot aanvulling van het salaris.

en

Gelet op de ratio van laatstgenoemd artikel kan het mitsdien niet anders zijn dan dat ook de suppletieverplichtingen op grond van artikel 15 van de CAO weer herleeft.

In de visie van gedaagde zou een werknemer slechts eenmaal gedurende het hele dienstverband recht hebben op 52 weken suppletie van de WAO-uitkering. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de CAO echter niet dermate eng worden uitgelegd en is dit ook, mede in verband gezien met artikel 7:629 BW, in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Grief 2 luidt:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter in zijn vonnis van 3 april 2002 dat, gelet op de ratio van artikel 7:629 BW en de redelijkheid en billijkheid, de CAO niet dermate eng moet worden uitgelegd als door Xerox wordt voorgestaan.

4. De beoordeling

4.1. Onder het kopje "De vaststaande feiten en de stellingen van partijen" in de eerste alinea heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld die in hoger beroep niet zijn bestreden. Het hof zal van die feiten uitgaan onder aantekening van het navolgende.

De kantonrechter overweegt dat [geïntimeerde] sedert 17 april 1992 een WAO-uitkering heeft ontvangen, welke tot en met 16 april 1993 (52 weken) door Xerox is aangevuld tot 100% van het netto salaris. Uit productie 2 bij de conclusie van antwoord en het gestelde in de memorie van antwoord maakt het hof op dat [geïntimeerde] in de periode van 17 april 1992 tot 1 december 1992 (dus minder dan 52 weken) was ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. In deze periode is het salaris door Xerox zijn aangevuld tot 100% van het netto-salaris. In de periode na 1 december 1992 was [geïntimeerde] ingedeeld in de klasse 15-25%. [geïntimeerde] stelt in die periode volledig gewerkt te hebben en salaris te hebben ontvangen. Of er na 1 december 1992 enige suppletie is uitgekeerd valt uit de gedingstukken niet op te maken.

Voor de beoordeling van het onderhavige geschil is het niet nodig om deze onduidelijkheid op te helderen. Het hof zal veronderstellenderwijze ervan uitgaan dat [geïntimeerde] vóór 8 januari 2001 52 weken WAO-suppletie heeft genoten.

4.2. In deze zaak gaat het om het volgende.

[geïntimeerde] is in dienst geweest van Xerox van 1 februari 1977 tot 1 maart 2002.

Hij is gedurende de looptijd van het dienstverband meerdere malen een langere periode ziek geweest.

In drie periodes heeft hij een WAO-uitkering genoten naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100% te weten:

* van 17 april 1992 tot 1 december 1992;

* van 5 februari 1999 tot 28 februari 1999;

* vanaf 8 januari 2001 tot einde dienstverband.

De tussengelegen (korte) periode speelt in het debat tussen partijen geen rol. Het hof zal die periode buiten behandeling laten.

Na 1 december 1992 is [geïntimeerde], behoudens in genoemde perioden, steeds ingedeeld geweest in de WAO-klasse 15-25%.

Aan dit feit worden door partijen geen consequenties verbonden, zodat het hof dit feit buiten de beoordeling zal laten.

In de eerste periode (van 17 april 1992-1 december 1992) heeft Xerox het salaris aangevuld conform de CAO die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Het betreft de (niet algemeen verbindend verklaarde) bedrijfs-CAO. Van die CAO luidt artikel 15 (naar het hof aanneemt: thans, partijen hebben oudere teksten niet in geding gebracht) voor zover van belang:

Uitkering bij algehele arbeidsongeschiktheid

1. Indien de werknemer door arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, gelden voor hem, - zulks in afwijking van het in artikel 7:629 B.W. bepaalde - uitsluitend de bepalingen van de Ziektewet respectievelijk de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, voor zover hierna niet uitdrukkelijk anders wordt bepaald.

2. Bij arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte ontvangen de werknemers gedurende het eerste jaar van hun ziekte (het "Ziektewetjaar"), bij stipte naleving van de desbetreffende voorschiften, 100% van het netto-salaris.

3. Indien en voor zover door de Bedrijfsvereniging aan werknemers in verband met hun ziekte een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegekend, zal deze gedurende maximaal 52 weken worden aangevuld tot 100% van het netto-salaris. (...) Medewerkers aan wie door de Bedrijfsvereniging in verband met hun volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, ontvangen met ingang van het 2e W.A.O.-uitkerings-jaar, mits zij op dat tijdstip 57 jaar of ouder zijn, tot maximaal de 65-jarige leeftijd een aanvulling op de W.A.O.-uitkering ter grootte van 10% van het laatstverdiende bruto salaris. (...)

4. (...)

5. (...)

6. (...)

4.3. [geïntimeerde] (die de leeftijd van 57 jaar nog niet heeft bereikt) heeft, kort gezegd, betaling gevorderd van het onbetaald gebleven gedeelte van de aanvulling tot 100% van het netto-salaris over de periode van 52 weken te rekenen vanaf 8 januari 2001.

Xerox bestrijdt deze vordering zakelijk weergegeven op de grond dat zij ingevolge artikel 15 lid 3 van de CAO slechts een verplichting heeft om gedurende maximaal 52 weken het salaris aan te vullen en aan deze verplichting heeft zij in het verleden voldaan.

Het geschil van partijen spitst zich toe op, en is in hoger beroep beperkt tot de vraag of gedurende de looptijd van het dienstverband voor een tweede keer een beroep kan worden gedaan op artikel 15 lid 3 CAO, aldus dat Xerox gehouden kan worden vanaf 8 januari 2001 nog 52 weken te suppleren.

De kantonrechter heeft deze vraag positief beantwoord.

4.4. Bij zijn beoordeling stelde de kantonrechter voorop dat bij de interpretatie van een CAO de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende aard zijn. Hij heeft daarbij kennelijk het criterium van HR 17 september 1993, NJ 1994/173 en HR 24 september 1993, NJ 1994/174, voor ogen gehad.

Na het vonnis van de kantonrechter zijn evenwel de arresten HR 31 mei 2002, NJ 2003/110, HR 28 juni 2002, NJ 2003/111 en HR 14 februari 2003, JAR 2003/72,gewezen. In deze arresten wordt onder meer overwogen dat, indien de bedoeling van partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, daaraan betekenis kan worden toegekend.

Het hof zal deze ruimere maatstaf hanteren.

Het hof interpreteert de vermelde arresten aldus, dat bij de uitleg van een CAO geen acht mag worden geslagen op de bedoeling van de partijen (dat wil zeggen zij die de CAO-bepaling tot stand bracht) en hun bijzondere kennis te dier zake, behoudens voor zover die bedoeling en kennis objectief valt vast te stellen. Niet wordt uitgesloten dat bij de uitleg van een CAO-beding ook aan andere objectief vast te stellen omstandigheden betekenis kan worden toegekend, in het bijzonder aan de wet, het systeem van de wet en overeenkomstige regelingen die voorkomen in andere CAO's.

4.5. Het hof merkt nog op dat in casu sprake is van een bedrijfs-CAO aan de totstandkoming waarvan de werkgever, naar moet worden aangenomen, heeft meegewerkt. Haar eventuele daaraan te ontlenen bijzondere wetenschap kan Xerox niet tegen [geïntimeerde] inroepen, zoals is overwogen in HR 17 september 1993, NJ 1994/173.

Xerox heeft zich in de onderhavige zaak ook niet beroepen op enige bijzondere wetenschap, maar enkel op een strikt grammaticale uitleg van het woord "maximaal" in artikel 15 CAO.

4.6. Uit de tekst, en de bijlagen daarbij, van de CAO blijkt niet dat met de onderhavige suppletieregeling een andere regeling wordt beoogd dan de regelingen die in tal van andere CAO's (in diverse varianten) wordt aangetroffen (zie bijvoorbeeld de CAO voor Dagbladjournalisten, geciteerd in Prg 2002/5949, en de CAO voor de Vleesgroothandel uit HR 7 juni 2002, RvdW 2002/96).

Deze CAO's hebben gemeen - al verwoorden zij dat vaak anders en zijn er verschillen in uitwerking - dat zij een suppletieregeling treffen voor de eerste periode (jaren) van de ziekte van de werknemer. De regeling strekt ertoe de werknemer te beschermen tegen achteruitgang in salaris in de eerste periode (vaak twee jaren) nadat hij arbeidsongeschikt is geworden.

Uit deze systematiek volgt dat met de woorden:

zal deze gedurende maximaal 52 weken worden aangevuld tot 100% van het netto-salaris

in lid 3 van artikel 15 CAO beoogd wordt de werknemer het recht te verschaffen op suppletie voor een maximale duur van 52 weken vanaf het einde van - wat de CAO noemt - het Zieketewetjaar. Deze periode kan korter zijn in het geval de werknemer weer arbeidsgeschikt wordt of vervangend werk wordt aangeboden. Deze periode wordt langer voor de werknemer ouder dan 57 jaar, er staat immers "met ingang van het tweede W.A.O.-uitkeringsjaar".

Met het woord maximaal wordt derhalve beoogd de periode waarover het salaris ná het Ziektewetjaar wordt gesuppleerd te maximeren tot 52 weken.

Deze periode van in totaal twee jaar doorbetaling tot 100% van het laatstgenoten netto-salaris sluit bovendien aan bij het bepaalde in artikel 7:670 lid 1 en onder a BW (opzegverbod van 2 jaar na de aanvang van de ziekte).

4.7. Uit dit woord maximaal, noch uit enige tekst van de CAO, valt af te leiden dat beoogd wordt een beperking tot uitdrukking te brengen in de zin die Xerox voorstaat, namelijk maximaal 52 weken suppleren gedurende de gehele duur van de arbeidsovereenkomst. Integendeel, de in geschil zijnde suppletieregeling van artikel 15 CAO knoopt aan bij een Ziektewetjaar en de daaropvolgende toekenning van een WAO-uitkering. Uit deze tekstuele opzet volgt dat als de voorwaarden voor toepassing van artikel 15 CAO (een Ziektewetjaar gevolgd door toekenning van een WAO-uitkering) zich wederom voordoen, de werknemer in beginsel opnieuw aanspraak kan maken op suppletie, wederom voor een periode van 52 weken.

4.8. De conclusie is dan dat zowel de tekst van artikel 15 CAO als de daaraan ten grondslag liggende systematiek in de weg staan aan de uitleg die Xerox aan deze bepaling geeft. Het verweer van Xerox en daarop gebaseerde grieven falen derhalve.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat aan [geïntimeerde] met ingang van 8 januari 2002 opnieuw een WAO-uitkering is toegekend, na afloop van een Ziektewetjaar. Gesteld noch gebleken is dat deze WAO-uitkering in zodanig nauw verband staat met die uit 1992 dat reeds daarom het ervoor moet worden gehouden dat sprake is van een en dezelfde uitkering, die mogelijk aan herhaalde toepassing in de weg staat.

Evenmin zijn andere omstandigheden gesteld of gebleken die aan toepassing van artikel 15 lid 3 CAO in de weg kunnen staan. De kantonrechter heeft derhalve de vordering van [geïntimeerde] in zoverre terecht toegewezen. In het midden kan blijven of de motivering die hij daaraan ten grondslag heeft gelegd in alle opzichten even gelukkig of juist is.

4.10. Het vonnis van de kantonrechter dient te worden bekrachtigd met verbetering van gronden zoals hiervoor vermeld.

Xerox zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 3 april 2002, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt Xerox in de kosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen tot op heden begroot op:

€ 193,- voor griffierecht hoger beroep;

€ 545,- voor salaris procureur in hoger beroep;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van Soest-Van Dijkhuizen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 mei 2003.