Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8885

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
99/01425
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/38.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01425

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.F.01.0000 over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van ƒ 12.466,-- aan enkelvoudige belasting, zonder boete, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar door de Inspecteur is verlaagd naar een bedrag van ƒ 10.343,-- aan enkelvoudige belasting.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 85,00 (= € 38,57).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 25 september 2002 te

's-Hertogenbosch.

Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat op 9 oktober 2002 om 10.00 uur te 's-Hertogenbosch mondeling uitspraak wordt gedaan.

Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op

21 oktober 2002 aangetekend aan partijen verzonden.

1.7. Belanghebbende heeft bij brief van 30 oktober 2002 tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het hiervoor verschuldigde recht van € 68,07,= is door belanghebbende op 9 januari 2003 betaald.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Op 1 november 1994 komt belanghebbende met A B.V. overeen gedurende een periode van drie jaar werkzaamheden te verrichten ten behoeve van A B.V. Als vergoeding voor deze werkzaamheden wordt overeengekomen een bedrag van 20% van de gerealiseerde en afgerekende omzet inclusief omzetbelasting en voorts wordt overeengekomen dat wanneer A overgaat tot verkoop van de activa en passiva, belanghebbende als eerste de mogelijkheid wordt gegeven deze activa en passiva aan te kopen. Op 1 december 1995 heeft belanghebbende van de A B.V. de activa en passiva en de bedrijfsnaam "A" overgenomen.

2.2. Naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende suppletie-aangifte omzetbelasting wordt een boekenonderzoek ingesteld, van welk boekenonderzoek op 29 juli 1997 een controlerapport wordt uitgebracht.

2.3. Met dagtekening 27 augustus 1997 wordt een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995. De naheffingsaanslag is verzonden naar belanghebbendes zakelijke adres.

Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 18 december 1997 bij de Belastingdienst is ingekomen.

2.4. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak, gedagtekend 6 februari 1998, het bezwaar niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor het indienen van bezwaar geldende termijn. Tegen deze uitspraak is door belanghebbende beroep ingesteld bij het Hof. Dit beroep is bij het Hof geregistreerd onder nummer 98/01381.

2.5. Vervolgens heeft een telefoongesprek tussen de Inspecteur en belanghebbende plaatsgevonden waarbij zij afspraken dat belanghebbende opnieuw zijn motivering van zijn grieven tegen de naheffingsaanslag in een bezwaarprocedure kenbaar zou kunnen maken en dat het beroepschrift zou worden ingetrokken. Bij een ongedateerde brief die bij het Hof is binnengekomen op 1 december 1998 heeft belanghebbende het beroep dat is geregistreerd onder nummer 98/01381 ingetrokken. In deze brief geeft belanghebbende als reden voor de intrekking dat de Inspecteur na intrekking het beroepschrift alsnog als bezwaarschrift zal behandelen.

2.6. Nadat belanghebbende zijn grieven tegen de naheffingsaanslag schriftelijk had kenbaar gemaakt en nadat een hoorgesprek had plaatsgevonden heeft de Inspecteur bij uitspraak gedagtekend 30 maart 1999 belanghebbende opnieuw niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord is voorts in geschil of de Inspecteur terecht de onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd.

Belanghebbende is van oordeel dat deze beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik heb geen adreswijziging verstuurd naar de Belastingdienst, maar de Belastingdienst heeft steeds alle correspondentie naar mijn privé-adres verstuurd. Alleen deze aanslag is naar het zakelijk adres verstuurd en de nieuwe eigenaar heeft de aanslag niet naar mij doorgestuurd. De Belastingdienst kon weten dat ik op het zakelijk adres mijn bedrijf niet meer uitoefende omdat daar inmiddels een andere ondernemer was gevestigd.

Ik heb het eerste beroepschrift ingetrokken omdat de Belastingdienst had toegezegd dat het beroepschrift alsnog als bezwaarschrift zou worden behandeld, maar voel me nu wel om de tuin geleid.

De Inspecteur

De reacties van de Belastingdienst op die brieven van belanghebbende waarop hij zijn privé-adres had vermeld zijn naar dat privé-adres verstuurd, maar belanghebbende heeft niet doorgegeven dat zijn zakelijk adres is gewijzigd. Ook op grond van andere omstandigheden was het de Belastingdienst niet bekend dat belanghebbendes zakelijk adres was gewijzigd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot nihil.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Inspecteur was niet bevoegd ten tweede male uitspraak te doen. Strikt genomen zou het Hof deze tweede uitspraak derhalve moeten vernietigen, zonder een oordeel te vellen over de eerste uitspraak van de Inspecteur of de naheffingsaanslag.

4.2. Echter, uit de onder 2. weergegeven gang van zaken en de verklaringen van partijen ter zitting leidt het Hof af dat belanghebbende onder invloed van een door de Inspecteur veroorzaakte en aan de Inspecteur toe te rekenen dwaling het beroep in de zaak met nummer 98/01381 heeft ingetrokken.

4.3. Om redenen van proceseconomie zal het Hof daarom er van uitgaan dat de Inspecteur slechts eenmaal uitspraak op bezwaar heeft gedaan op 6 februari 1998 en dat het onderhavige beroep zich tegen die uitspraak keert en tijdig is ingesteld.

4.4. Niet in geschil is dat belanghebbende niet binnen zes weken na dagtekening van de naheffingsaanslag het bezwaarschrift heeft ingediend. Belanghebbende stelt echter dat de naheffingsaanslag door de Inspecteur naar het verkeerde adres, zijnde zijn voormalig zakelijk adres, is gestuurd en dat hij daarom pas kennis heeft gekregen van de naheffingsaanslag toen zijn voormalige gemachtigde op 5 november 1997 op diens verzoek een duplicaat-biljet toegezonden kreeg.

4.5. De Inspecteur stelt tegenover het betoog van belanghebbende dat de naheffingsaanslag is verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres en dat belanghebbende voorafgaande aan de verzending geen adreswijziging naar de Belastingdienst heeft verstuurd.

4.6. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij deze stelling van de Inspecteur op zichzelf bezien niet betwist, doch dat hij daar tegenin uitsluitend wenst te brengen de stellingen dat de Belastingdienst vóórafgaande aan de datum van dagtekening van de naheffingsaanslag reeds brieven heeft verzonden naar zijn privé adres en dat de Belastingdienst uit de omstandigheid dat een andere ondernemer inmiddels gevestigd was op het voormalige zakelijk adres van belanghebbende kon opmaken dat belanghebbende aldaar niet meer was gevestigd.

4.7. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Naar de Inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld en het Hof als vaststaand aanneemt zijn de door belanghebbende bedoelde brieven aan het privé-adres verzonden ten antwoord op brieven van belanghebbende waarop dat privé-adres stond vermeld. Naar het oordeel van het Hof behoefde de Inspecteur uit de omstandigheden dat belanghebbende in correspondentie met de Belastingdienst soms zijn privé-adres gebruikte, niet te begrijpen dat het zakelijk adres van belanghebbende was gewijzigd of opgeheven. Voorts is het Hof van oordeel dat de Inspecteur uit de omstandigheid dat een andere ondernemer zich gevestigd had op het zakelijk adres van belanghebbende niet behoefde te begrijpen dat belanghebbende geen gebruik meer maakte van dat adres.

4.8. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur. De bestreden uitspraak moet in stand blijven.

5. Griffierecht

Gelet op de hiervoor onder 2.4., 2.5. en 2.6. weergegeven gang van zaken is het Hof van oordeel dat redenen aanwezig zijn om te bepalen dat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,57.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, voorzitter, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 4 april 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 4 april 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.