Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8877

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
01/00815
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/1095
FutD 2003-0993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00815

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling concern beheer en belastingen van de gemeente P (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting de dato 19 januari 2001, correspondentienummer A.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 3 april 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is verschenen en de ambtenaar. Belanghebbende is niet verschenen.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 17 april 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1. Op 19 januari 2001 om 14.01 uur stond belanghebbendes personenauto, merk Citroën, met het kenteken B op een parkeerplaats aan de C straat in de gemeente P geparkeerd. Deze locatie is door burgemeester en wethouders op grond van de Verordening aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

2. Belanghebbende heeft op 19 januari 2001 haar auto geparkeerd aan de D straat te Y (gemeente P) en een parkeerticket gekocht voor de tijd tot 14.02 uur. Vóór de afloop van die parkeertijd heeft zij haar auto verplaatst naar een parkeerplaats aan de C straat en aldaar geen nieuw ticket gekocht.

3. Belanghebbende heeft gesteld dat met de door haar verrichte voldoening van de parkeerbelasting niet alleen voor het parkeren aan de D straat, maar ook voor het parkeren aan de C straat is betaald, daar het parkeren in beide gevallen heeft plaatsgehad binnen de periode die aanvangt met het moment waarop de parkeerbelasting is voldaan en eindigt met het op het parkeerkaartje vermelde tijdstip.

4. De omstandigheid dat belanghebbende voor het parkeren van haar auto op een andere plaats in Y parkeerbelasting heeft voldaan, houdt niet in dat zij, als zij voor het einde van de tijd waarvoor de belasting is voldaan die plaats verlaat, gedurende de resterende tijd niet verplicht is parkeerbelasting te voldoen indien zij opnieuw gebruik maakt van een parkeerplaats. Op grond van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet, en in navolging daarvan het bepaalde in artikel 1, onderdeel a van de Verordening wordt, voor zover te dezen van belang, onder het voor de parkeerbelastingen belastbare feit verstaan: "het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden".

5. Hetgeen hiervoor onder punt 4 is overwogen brengt met zich dat het verplaatsen van de auto van de D straat naar de C straat een nieuw parkeren deed aanvangen. Nu vaststaat dat belanghebbende ter zake van dit nieuwe parkeren geen parkeerbelasting heeft voldaan dient, nu het bedrag van de naheffingsaanslag als zodanig niet in geschil is, het beroep ongegrond te worden verklaard.

De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J.Th. Simons, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 17 april 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 43,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 174,- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.