Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8873

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
00/01360
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT3023
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2003/12.4
V-N 2003/37.1.8
FutD 2003-0999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01360

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (België), met gekozen domicilie te T, (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van de belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) gedane uitspraak op bezwaar van 29 maart 2000 betreffende de aan de belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De Inspecteur heeft met dagtekening 11 januari 2000 een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 157.208,=. Op 8 februari 2000 is de belanghebbende tegen deze aanslag in bezwaar gekomen. Bij uitspraak op bezwaar gedagtekend 29 maart 2000 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

De belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaarschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een recht geheven van fl. 60,= (€ 27,23). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 11 december 2002 te Tilburg. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de belanghebbende zijn gemachtigde, alsmede, de Inspecteur.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent de pleitnota van de Inspecteur tot de gedingstukken.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De belanghebbende is geboren in april 1952 en gehuwd met mevrouw A, geboren in april 1954.

2.2. De belanghebbende is in het onderhavige jaar in dienstbetrekking bij X Bedrijven BV en hij geniet uit dien hoofde een fiscaal loon van fl. 137.790,=. Uit hoofde van een door de werkgever ter beschikking gestelde personenauto is een bedrag van fl. 17.875,= als inkomsten uit arbeid in de aangifte aangegeven.

2.3. Sinds eind 1996 wonen de belanghebbende en zijn echtgenote in België; voor die tijd waren zij woonachtig in Nederland.

2.4. Op 24 december 1996 hebben de belanghebbende en zijn echtgenote een overeenkomst gesloten met de volgende inhoud, voor zover te dezen relevant:

'De Heer X, wonende Astraat 1 te Y (Belgie), hierna te noemen sub 1 en

Mevrouw X-B, wonende Astraat 1 te Y (Belgie), hierna te noemen sub 2;

verklaren het volgende te zijn overeengekomen;

1. Ervan uitgaande dat sub 2 voor X Bedrijven BV en haar dochterondernemingen, waarvan sub 1 directeur-grootaandeelhouder is, onderstaande werkzaamheden uitvoert, zonder daarvoor een salaris te ontvangen;

a. het voeren van de administratie

b. contact onderhouden met externe adviseurs en instanties

c. alsmede het voeren van overleg met externe adviseurs en instanties

d. de ontvangst van cliënten en verzorgen van afspraken met deze.

2. Voor de artikel 1 genoemde werkzaamheden zal sub 1 aan sub 2 een beloning betalen die marktconform is (reele arbeidsbeloning). Voor het boekjaar wordt deze vergoeding gesteld op DFL 50.000,-- (zegge: vijftigduizend gulden)

3. De overeengekomen vergoeding kan jaarlijks, voorafgaand aan het nieuwe boekjaar, aangepast worden aan wat marktconform is voor het komende boekjaar. Hiervan zal een aanvullende overeenkomst worden opgemaakt.

4. Deze overeenkomst gaat in op 1 januari 1997 (...)'

2.5. De in punt 2.4 in de overeenkomst genoemde vergoeding is gebaseerd op ongeveer éénderde deel van het brutoloon van de belanghebbende. Vóór 1997 verrichtte de echtgenote van de belanghebbende dezelfde werkzaamheden zonder daar een vergoeding voor te ontvangen.

2.6. De bankrekening met nummer 1 staat ten name van de belanghebbende. De bankrekening met nummer 2 staat ten name van de echtgenote van de belanghebbende. De bankrekening met nummer 3 staat ten name van de belanghebbende en zijn echtgenote en betreft een zogenaamde 'en/of' rekening. Na verhuizing naar België zijn de bankrekeningen met nummer 1 en met nummer 3 gehandhaafd. De bankrekening met nummer 2 is per 14 februari 1997 opgeheven. Na de verhuizing naar België staat de bankrekening aangehouden bij de C-bank te Y (België) met nummer 4 ten name van de echtgenote van de belanghebbende.

2.7. Op de gezamenlijke 'en/of' bankrekening met nummer 3 wordt door X Bedrijven BV tot en met oktober 1996 fl. 3.000,= per maand gestort en in november en december 1996 wordt er tweemaal fl. 6.000,= gestort voor respectievelijk september/oktober 1996 en november/december 1996 vanaf de bankrekening 1. De belanghebbende ontvangt van X Bedrijven BV op deze laatste bankrekening zijn salaris, tot en met oktober 1996 na aftrek van de vorenbedoelde fl. 3.000,=. Tot en met ongeveer februari 1997 worden vanaf de gezamenlijke 'en/of' bankrekening met nummer 3 huishoudelijke betalingen verricht, zoals PNEM, PTT, VGZ, Brabant-pers, OMO, assurantiën, kleedgeld kinderen, ziektekosten enz. Gemiddeld wordt daarnaast van deze bankrekening fl. 500,= per week opgenomen.

2.8. De door de belanghebbende aan zijn echtgenote betaalde bedragen uit hoofde van de onder punt 2.4 genoemde overeenkomst worden in 1997 gestort op de bankrekening met nummer 4. Voor de eerste drie kwartalen van 1997 per kwartaal een bedrag van fl. 12.000,= en voor het laatste kwartaal van 1997 fl. 14.000,=.

2.9. Van de bankrekeningen met nummers 1 en 2 vinden geen betalingen of kasopnamen ten behoeve van het huishouden plaats.

2.10. Met dagtekening 11 januari 2000 heeft de Inspecteur een aanslag opgelegd naar het volgende belastbare inkomen:

Aangegeven belastbaar inkomen:

fl. 105.665,=

Meer rente inkomsten:

+/+ fl. 4.141,=

Correctie aftrekbare kosten:

+/+ fl. 50.000,=

Arbeidskostenforfait:

-/- fl. 2.598,=

Vastgesteld belastbaar inkomen:

fl. 157.208,=

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Verricht de echtgenote van de belanghebbende werkzaamheden ten dienste van het verwerven van inkomsten uit arbeid door de belanghebbende in de zin van artikel 5, zesde lid Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964)?

II. Zo ja, kan de belanghebbende op de voet van artikel 5, zevende lid Wet IB 1964 jo 35 Wet IB 1964 en artikel 36, eerste lid, aanhef, onderdeel h Wet IB 1964 een bedrag van fl. 50.000,= als inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden door belanghebbendes echtgenote ten dienste van het verwerven van inkomsten uit arbeid door de belanghebbende in mindering brengen op zijn inkomen?

De belanghebbende beantwoordt vragen I en II bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder eerder vermelde pleitnota van de Inspecteur, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben partijen hieraan nog het volgende toegevoegd:

De belanghebbende

De belanghebbende houdt zich bezig met projectontwikkeling, de verplaatsing van boerenbedrijven naar Canada en handel in grond. De belanghebbende en zijn echtgenote vormen min of meer een partnership. Belanghebbendes echtgenoot is eigenlijk een persoonlijk assistent. De belanghebbende heeft geen secretaresse bij X Bedrijven BV; X Bedrijven BV heeft een boekhouder in dienst. De echtgenote van de belanghebbende selecteert projecten, zij vergezelt de belanghebbende naar de boeren als persoonlijk assistent, zij vliegt mee naar Canada en zij onderhoudt telefonisch contact met makelaars, overheden en belastingadviseurs in Nederland. De echtgenote van de belanghebbende is met haar werkzaamheden ongeveer 15 uur per week kwijt. Een beloning die neerkomt op fl. 75,= per uur is niet te hoog. De in de overeenkomst genoemde vergoeding is gebaseerd op ongeveer éénderde deel van het brutoloon van de belanghebbende. Desgevraagd: Een deel van de werkzaamheden van belanghebbendes echtgenoot zijn van representatieve aard. Op de vraag van het Hof hoeveel van de werkzaamheden van belanghebbendes echtgenoot een representatief karakter hebben wordt verwezen naar belanghebbendes echtgenoot, zij kan daar antwoord op geven. Desgevraagd: Op de opmerking van het Hof dat de belanghebbende de bewijslast heeft wordt opgemerkt dat het op de weg van de Inspecteur ligt een en ander te weerspreken.

Desgevraagd: Alleen in X Bedrijven BV vinden activiteiten plaats; in de overige vennootschappen niet.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, berekend overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief.

De Inspecteur

De echtgenote van de belanghebbende verricht wel werkzaamheden, maar niet werkzaamheden die bij de belanghebbende tot aftrek kunnen leiden.

4. Conclusies van partijen.

De belanghebbende concludeert - naar het Hof verstaat - tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar bedrag van fl. 109.806,=. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De in de omschrijving van het geschil onder 3.1 vermelde vraag I spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of en, zo ja, in hoeverre de onderhavige werkzaamheden van belanghebbendes echtgenote zijn verricht in het economische verkeer. Dit laatste is, naar de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 16 september 1981, nummer 20 684, onder meer gepubliceerd in BNB 1981/296, heeft overwogen, het geval voor zover die werkzaamheden het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan (vergelijk voorts het arrest van Hoge Raad der Nederlanden van 24 januari 2001, nummer 35 428, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/104).

5.2. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot hetgeen met ingang van 1 januari 1990 in artikel 5, zesde en zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is bepaald (Kamerstukken 20 873, nr. 3), komt op pagina 21-22 de volgende passage voor:

'Met betrekking tot de aard van de te verrichten werkzaamheden van de assisterende echtgenoot merken wij nog het volgende op. Voor de toepassing van het nieuwe zesde en zevende lid van artikel 5 moet onderscheid worden gemaakt tussen werkzaamheden van de belastingplichtige als gevolg van de plaats van zijn of haar echtgenoot in de samenleving en werkzaamheden ten dienste van het verwerven van inkomsten. Alleen in laatstbedoeld geval zijn de genoemde bepalingen van toepassing en dan nog alleen voor zover de werkzaamheden liggen buiten het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke hulp en bijstand en zij tegen beloning zijn verricht. Alleen wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, kan worden aangenomen dat de werkzaamheden zijn verricht in het economische verkeer en vormen zij voor degene die de werkzaamheden verricht een bron van inkomen. Het bijstaan van de echtgenoot of echtgenote in de vervulling van diens representatieve verplichtingen kan daarbij naar ons oordeel niet worden gezien als de hiervoor bedoelde in het economische verkeer verrichte arbeid die inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 oplevert. Slechts indien dit wel het geval zou zijn, zou sprake kunnen zijn van inkomsten uit werkzaamheden ten dienste van het verwerven van inkomsten door de echtgenoot in de zin van artikel 5.'.

5.3. Gelet op hetgeen onder 5.1 en 5.2 is vermeld, is het Hof van oordeel dat indien de met een bepaalde activiteit gemoeide werkzaamheden het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan, niet al die werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht, doch slechts dat gedeelte van die werkzaamheden hetwelk buiten dat kader is verricht.

5.4. Ten slotte leidt het Hof uit de onder 5.2 weergegeven passage uit de memorie van toelichting af dat naar de bedoeling van de wetgever bij de vraag wat onder echtgenoten gebruikelijk is, rekening moet worden gehouden met de plaats in de samenleving van de echtgenoot voor wie de werkzaamheden worden verricht.

5.5. Gelet op het volgende:

* Omtrent de door de belanghebbende ten behoeve van zijn inkomsten uit arbeid verrichtte werkzaamheden is nagenoeg niets komen vast te staan;

* Omtrent de door de echtgenote van de belanghebbende verrichtte werkzaamheden, al dan niet ten dienste van het verwerven van inkomsten uit arbeid door de belanghebbende, is nagenoeg niets komen vast te staan;

* Omtrent de door de echtgenote van de belanghebbende verrichtte werkzaamheden is niets komen vast te staan met betrekking tot de vraag of en, zo ja, in hoeverre sprake is van het bijstaan van de belanghebbende in de vervulling van diens representatieve verplichtingen;

* Omtrent de plaats in de samenleving van de belanghebbende is niets komen vast te staan;

* Vaststaat, dat de echtgenote vóór 1997 dezelfde werkzaamheden verrichtte zonder daar een vergoeding voor te ontvangen;

* De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld, dat de betaling van in totaal fl. 50.000,= op de bankrekening 4 dient voor de huishoudelijke uitgaven en dat deze betaling in werkelijkheid de plaats heeft ingenomen van de betaling van fl. 3.000,= per maand ten behoeve van huishoudelijke uitgaven op de gezamenlijke bankrekening 3;

* De belanghebbende heeft het onder het voorgaande gedachtestreepje vermelde weliswaar weersproken, doch hij heeft zijn stelling - dat ook in 1997 per maand fl. 3.000,= uit het salaris van de belanghebbende voor huishoudelijke uitgaven is geput - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, terwijl het wel op de weg van de belanghebbende, als meest gerede partij, ligt zijn vorenbedoelde stelling tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur aannemelijk te maken;

is het Hof van oordeel, een en ander in onderling verband beschouwd en op grond van ieder voornoemd onderdeel op zich, dat de belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden van de echtgenote van de belanghebbende het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan. Het Hof merkt hierbij op, dat de belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk erop is gewezen, dat de bewijslast op hem rust.

5.6. Naar het oordeel van het Hof moet op grond van het vorenoverwogene vraag I ontkennend worden beantwoord. Vraag II behoeft geen beantwoording meer.

5.7. Uit het vorenstaande volgt, dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 11 maart 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 maart 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.