Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8397

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
09-05-2003
Zaaknummer
99/30524
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur voor de gezondheidszorg is bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1.1.a Awb. Mededeling, gedaan in diens kwaliteit als opsporingsambtenaar, is niet gericht op rechtsgevolg.

Mededeling aan verzoekster, die handelt in tabletten van het merk Sigra, dat het verhandelen daarvan ingevolge de Wet op de Geneesmiddelenvoorzieningen (WOG) en de Wet op de Economische Delicten (WED) een strafbaar feit oplevert en dat verzoekster het verhandelen van Sigra met onmiddellijke ingang dient te beëindigen. De vraag is of de mededeling kan worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar mogelijk is.

De voorzieningenrechter stelt - onder verwijzing naar art. 36 Gezondheidswet (Gw) en de artikelen 1 en 2 van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid (Bsv) - vast dat verweerder moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1.1.a Awb.

De mededeling staat niet op zichzelf, maar is door verweerder gedaan in het kader van zijn rol als orgaan dat is belast met het opsporen van feiten die ingevolge de WOG (en de WED) strafbaar zijn. Aldus bezien, heeft verweerder in zijn kwaliteit van opsporingsambtenaar een eigen interpretatie gegeven van de WOG. Op basis van onderzoek is hij immers tot de conclusie gekomen dat Sigra moet worden aangemerkt als een geneesmiddel in de zin van art. 1.1.e WOG, terwijl deze conclusie heeft geleid tot het in gang zetten van een strafrechtelijke procedure.

In zoverre heeft de mededeling een rechtsgevolg, namelijk dat de Officier van Justitie (OvJ) thans in staat en verplicht is om te beslissen of verzoekster daadwerkelijk strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is echter geen publiekrechtelijk rechtsgevolg dat kan leiden tot rechtsbescherming op grond van de Awb, zulks gelet op art. 1:6.a van deze wet.

Verweerder beschikt bij het houden van toezicht op de naleving van art. 3.4 WOG niet over eigen bestuursrechtelijke bevoegdheden. Er bestaat immers geen voorschrift dat aan verweerder de bevoegdheid verschaft om bindend vast te stellen dat een product is aan te merken als geneesmiddel in de zin van art. 1.1.e WOG, en evenmin de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang of de oplegging van een last onder dwangsom wegens de overtreding van art. 3.4 WOG.

De mededeling is terecht aangemerkt als een brief die op grond van art. 1:3.1 Awb niet vatbaar is voor bezwaar.

De Inspecteur voor de Gezondheidszorg, verweerder.

mr. H. Lagas

Awb 1:1.1.a, 1:3, 1:6

Wet op de Geneesmiddelenvoorzieningen 1.e, 33

Wet op de Economische Delicten

Gezondheidswet 36

Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid 1, 2

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 958
FutD 2003-0956
V-N 2003/32.1.4

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30524

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 91.466,= en is na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur van 11 oktober 1999 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden. Belanghebbende heeft, na daartoe op de voet van artikel 8:43, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. De Inspecteur heeft vervolgens schriftelijk gedupliceerd.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 6 maart 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede, de Inspecteur.

Partijen hebben tijdens deze mondelinge behandeling ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan hun wederpartij. Het Hof rekent deze beide pleitnota's tot de stukken van het geding. Voorts heeft belanghebbende tijdens deze mondelinge behandeling met toestemming van de Inspecteur kopieën overgelegd van de bij de na te melden overeenkomsten I en II behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende is geboren in 1946 en was ook gedurende het onderhavige jaar (1997) gehuwd. Hij was gedurende dit jaar tegen een loon van in totaal fl. 122.194,= als product manager in dienstbetrekking werkzaam bij A.

2.2.1. Op 13 maart 1997 heeft belanghebbende met Bank B N.V. te Q (hierna: B) onder de naam Multiplier Effect een zogeheten Effecten Lease-overeenkomst met nummer 1 gesloten. Deze overeenkomst houdt in dat belanghebbende van B gedurende een ononderbroken periode van zestig maanden 606 aandelen Dordtsche Petroleum-Industrie Maatschappij N.V. (hierna: Dordtsche Petroleum) least.

2.2.2. De bij deze overeenkomst (hierna ook wel: overeenkomst I) in totaal overeengekomen lease-som bedraagt fl. 315.763,95, gespecificeerd als volgt:

aankoop 606 aandelen Dordtsche Petroleum à

fl. 362,40 per stuk fl. 219.614,40

contante waarde toekomstige administratiekosten

(fl. 10,= per maand) fl. 454,70

contante waarde totaal te betalen rente tijdens

de looptijd van de overeenkomst fl. 95.694,85

totaal fl. 315.763,95.

2.2.3. Van vorenvermeld bedrag van fl. 315.763,95 diende belanghebbende een gedeelte ad fl. 96.149,55 terstond na ondertekening van de overeenkomst te voldoen. Niet is in geschil dat laatstvermeld bedrag bestaat uit fl. 95.603,85 aan vooruitbetaalde rente en fl. 545,70 aan vooruitbetaalde administratiekosten. Belanghebbende heeft evenvermeld bedrag van fl. 96.149,55 gefinancierd door een verhoging van de hypothecaire geldlening op zijn eigen woning met fl. 100.000,=. Voorts diende belanghebbende op of omstreeks de 59e maand een bedrag van fl. 100,= te voldoen en het restant ad fl. 219.514,40 aan het einde van de lease-overeenkomst. Ingevolge punt 3, onderdeel c, van deze overeenkomst kan laatstvermeld restant eventueel verrekend worden met de verkoopopbrengst van de waarden.

2.2.4. Punt 5 van overeenkomst I luidt als volgt:

"Zodra lessee al datgene aan Bank B N.V. heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.".

De bij overeenkomst I behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease luiden, voor zover te dezen relevant, als volgt:

"1. Bank B N.V. blijft eigenaresse van de waarden totdat lessee haar al datgene heeft betaald wat hij haar krachtens de lease-overeenkomst verschuldigd is. Bank B N.V. draagt het risico van het verloren gaan van de waarden (maar uitdrukkelijk niet van de koerswaarde van de waarden) totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.

2. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. Bank B N.V. zal de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen, zulks onder aftrek van wettelijk verplichte inhoudingen.

3. Bank B N.V. is nimmer aansprakelijk voor wijzigingen in de koerswaarde van de waarden of voor het niet opbrengen van baten daarvan.

(...)

8. Lessee zal niet om de uitlevering van de waarden vragen en stemt er mee in dat de waarden op naam van Bank B N.V. geadministreerd blijven totdat Bank B N.V. conform artikel 9 verplicht is tot rechtstreekse levering van de waarden aan lessee. (...)

9. Aan het eind van de lease-overeenkomst, nadat lessee aan al zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomst heeft voldaan, zal Bank B N.V. de waarden leveren aan de lessee, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door Bank B N.V. aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt plaats op de eerste beursdag na opdracht daartoe.

(...)".

2.2.5. In februari 2001 heeft belanghebbende overeenkomst I afgekocht. Hierbij heeft hij de aandelen Dordtsche Petroleum waarop deze overeenkomst betrekking had, verkocht en heeft hij uit de opbrengst daarvan zijn schuld aan B voldaan.

2.3.1. Op 24 december 1997 heeft belanghebbende met B nogmaals onder de naam Multiplier Effect een zogeheten Effecten Lease-overeenkomst gesloten, nu met nummer 2 (hierna ook wel: overeenkomst II). Deze overeenkomst houdt in dat belanghebbende van B gedurende een ononderbroken periode van zestig maanden 588 aandelen ABN AMRO, 214 aandelen Dordtsche Petroleum, 272 aandelen ING en 285 aandelen KPN least.

2.3.2. De bij deze overeenkomst in totaal overeengekomen lease-som bedraagt fl. 130.518,13, gespecificeerd als volgt:

aankoop 588 aandelen ABN AMRO à

fl. 38,50 per stuk fl. 22.638,=

aankoop 214 aandelen Dordtsche

Petroleum à fl. 105,90 per stuk fl. 22.662,60

aankoop 272 aandelen ING à

fl. 83,10 per stuk fl. 22.603,20

aankoop 285 aandelen KPN à

fl. 79,60 per stuk fl. 22.686,=

fl. 90.589,80

contante waarde toekomstige

administratiekosten (fl. 10,= per maand) fl. 454,70

contante waarde totaal te betalen

rente tijdens de looptijd van de

overeenkomst fl. 39.473,63

totaal fl. 130.518,13.

2.3.3. Van vorenvermeld bedrag van fl. 130.518,13 diende belanghebbende een gedeelte ad fl. 39.928,33 terstond na ondertekening van deze overeenkomst te voldoen. Niet is in geschil dat laatstvermeld bedrag bestaat uit fl. 39.382,63 aan vooruitbetaalde rente en fl. 545,70 aan vooruitbetaalde administratiekosten. Belanghebbende heeft evenvermeld bedrag van fl. 39.928,33 uit eigen middelen voldaan. Voorts diende belanghebbende op of omstreeks de 59e maand een bedrag van fl. 100,= te voldoen en het restant ad fl. 90.489,80 aan het einde van de lease-overeenkomst. Ingevolge punt 3, onderdeel c, van deze overeenkomst kan laatstvermeld restant eventueel verrekend worden met de verkoopopbrengst van de waarden.

2.3.4. De punten 6 en 7 van overeenkomst II luiden als volgt:

"6. Aan het einde van de lease-periode van 60 maanden heeft lessee het recht om deze lease-overeenkomst te verlengen voor een periode van 60 maanden, indien de beurswaarde van de waarden 60 maanden na de aankoopdag van de waarden lager is dan het bovenvermelde totaal van de aankoopbedragen. Verlenging geschiedt op basis van maandtermijnen tegen de alsdan bij de Bank geldende condities. Eén jaar na deze verlenging kan lessee de lease-overeenkomst kosteloos beëindigen.

7. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.".

De bij overeenkomst II behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease luiden, voor zover te dezen relevant, als volgt:

"2. Bank B N.V. (hierna de Bank) blijft eigenaresse van de waarden totdat lessee aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. De Bank draagt het risico van het verloren gaan van de waarden (maar uitdrukkelijk niet van de koerswaarde van de waarden) totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.

3. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. De Bank zal, behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald, de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen, zulks onder aftrek van wettelijk verplichte inhoudingen. Ingeval van een keuzedividend zal de keuze van de Bank worden bepaald door lessee. Indien met betrekking tot de waarden andere rechten kunnen worden uitgeoefend zullen deze rechten ter keuze van de Bank worden uitgeoefend. Daarbij zal de Bank in redelijkheid rekening houden met de globale belangen van de lessees. De Bank zal terzake van de uitoefening van deze aan de waarden verbonden andere rechten jegens lessee niet aansprakelijk zijn behoudens in gevallen van opzet of grove schuld.

4. De Bank is nimmer aansprakelijk voor wijzigingen in de koerswaarde van de waarden of voor het niet opbrengen van baten daarvan.

(...)

10. Lessee zal niet om de uitlevering van de waarden vragen en stemt er mee in dat de waarden op naam van de Bank geadministreerd blijven totdat de Bank conform artikel 11 verplicht is tot levering van de waarden aan lessee. (...)

11. Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zal de Bank de waarden leveren aan de lessee, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door de Bank aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt plaats op de eerste beursdag na opdracht daartoe.

(...)".

2.4.1. Dordtsche Petroleum houdt uitsluitend aandelen in N.V. Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij (hierna: Koninklijke Olie) en drijft geen materiële onderneming. Het belang van Dordtsche Petroleum in Koninklijke Olie omvat circa 7% van het aandelenkapitaal van Koninklijke Olie; op dit belang is de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; hierna: de Wet Vpb 1969) van toepassing. Koninklijke Olie keert dividend alleen in contanten uit.

2.4.2. Dordtsche Petroleum was tot 1994 het regime van beleggingsinstellingen (artikel 28 van de Wet Vpb 1969) deelachtig. Met ingang van 1994 keerde, na statutenwijziging, Dordtsche Petroleum telkenjare een keuzedividend uit, waarbij aandeelhouders de keuze hadden om het dividend in contanten te ontvangen dan wel om het dividend in aandelen ten laste van het agio te ontvangen. In 1997 zijn de aandelen van Dordtsche Petroleum gesplitst, waarna op 2 september 1997 de in dit verband plaatsgevonden hebbende verlaging van de nominale waarde van fl. 0,65 tot fl. 0,50 per aandeel tot ongeveer een totaalbedrag van fl. 7.000.000,= is toegevoegd aan het agio. De grootte van het agio was hierna toereikend om ongeveer tien tot twaalf jaren dividend in aandelen ten laste van het agio uit te keren. Het dividend in aandelen was in het algemeen ongeveer 5% lager dan het dividend in contanten.

2.5. Zowel met betrekking tot de aandelen Dordtsche Petroleum waarop overeenkomst I betrekking had, als met betrekking tot de aandelen Dordtsche Petroleum waarop overeenkomst II betrekking heeft, heeft B belanghebbende steeds -voor wat betreft de aandelen waarop overeenkomst I betrekking had tot de verkoop van die aandelen in februari 2001- verzocht zijn keuze met betrekking tot het door die vennootschap gedeclareerde dividend kenbaar te maken. Tot op de dag van de mondelinge behandeling heeft belanghebbende steeds gekozen voor het (onbelaste) dividend in aandelen.

2.6. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar (1997) aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van fl. 87.015,=. In deze aangifte heeft hij de door hem in dat jaar ter zake van de onder 2.2.3 vermelde hypothecaire geldlening op zijn eigen woning betaalde rente en kosten gesteld op een bedrag van in totaal fl. 15.210,=, welk bedrag hij geheel in aanmerking heeft genomen als op zijn inkomsten uit die woning betrekking hebbende aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997; hierna: de Wet). Voorts heeft belanghebbende in die aangifte ter zake van de door hem in dat jaar met betrekking tot de overeenkomsten I en II aan B betaalde rente en kosten een bedrag van in totaal fl. 9.091,= in aanmerking genomen als op de (inkomsten uit de) aandelen waarop deze overeenkomsten zien betrekking hebbende aftrekbare kosten. Laatstvermeld bedrag is te specificeren als volgt:

vooruitbetaalde rente overeenkomst I: fl. 95.603,85,

in 1997 aftrekbaar fl. 4.000,=

vooruitbetaalde administratiekosten

overeenkomst I fl. 545,70

vooruitbetaalde rente overeenkomst II: fl. 39.382,63,

in 1997 aftrekbaar fl. 4.000,=

vooruitbetaalde administratiekosten

overeenkomst II fl. 545,70

totaal fl. 9.091,40,

afgerond fl. 9.091,=.

Naar aanleiding van door de Inspecteur met betrekking tot deze aangifte aan hem gestelde vragen heeft belanghebbende met dagtekening 27 april 1999 een verbeterde aangifte ingediend waarin hij de door hem in het jaar 1997 ter zake van de hypothecaire geldlening op zijn eigen woning betaalde rente en kosten op in totaal fl. 15.850,= -derhalve fl. 640,= hoger dan in zijn aanvankelijke aangifte- heeft gesteld en waarin hij het gedeelte van dit bedrag dat betrekking heeft op de financiering van die woning

op fl. 9.600,= heeft gesteld en in aanmerking heeft genomen als op de inkomsten uit die woning betrekking hebbende aftrekbare kosten en waarin hij het resterende gedeelte van vorenvermeld bedrag van

fl. 15.850,=, te weten fl. 6.250,=, heeft aangemerkt als betrekking hebbende op de onder 2.2.3 vermelde verhoging van deze hypothecaire geldlening en in aanmerking heeft genomen als persoonlijke verplichting. Deze verbeterde aangifte komt mitsdien uit op een belastbaar inkomen van fl. 87.015,= minus vorenvermeld bedrag van fl. 640,= aan meer renten en kosten van geldleningen is fl. 86.375,=.

2.7. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de aandelen Dordtsche Petroleum waarop de overeenkomsten I en II betrekking hebben geen bron van inkomen zijn. In verband hiermede heeft hij van het onder 2.6 vermelde bedrag van in totaal fl. 9.091,= slechts fl. 4.000,= in aftrek toegelaten en heeft hij dientengevolge het nader door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen ad fl. 86.375,= met fl. 5.091,= verhoogd tot fl. 91.466,=.

2.8. Niet is in geschil dat de door belanghebbende in het onderhavige jaar (1997) ter zake van de overeenkomsten I en II bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden ad fl. 95.603,85 (overeenkomst I) en fl. 39.382,63 (overeenkomst II) betrekking hebben op tijdvakken welke later dan zes maanden na afloop van het jaar 1997 eindigen en dat de door belanghebbende in dat jaar ter zake van deze overeenkomsten vooruitbetaalde administratiekosten ad fl. 545,70 (overeenkomst I) en fl. 545,70 (overeenkomst II) niet zijn aan te merken als kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 38, zesde lid, aanhef, en artikel 45b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet.

2.9. Eveneens is niet in geschil dat belanghebbende een bedrag van fl. 232,= aan door hem in het jaar 1997 genoten rente niet heeft aangegeven en dat de door hem in dat jaar ter zake van de hypothecaire geldlening op zijn eigen woning betaalde rente en kosten in totaal fl. 15.210,= en niet fl. 15.850,= bedragen, derhalve fl. 640,= minder dan bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking is genomen.

2.10. Tenslotte is niet in geschil dat de door belanghebbende in het onderhavige jaar ter zake van overeenkomst II vooruitbetaalde rente en administratiekosten voor 1/4-gedeelte betrekking heeft op de door hem bij deze overeenkomst geleasde aandelen Dordtsche Petroleum en voor 3/4-gedeelte op de door hem bij deze overeenkomst geleasde aandelen ABN AMRO, ING en KPN en dat deze laatste aandelen wèl als bron van inkomen zijn aan te merken.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Vormden de aandelen Dordtsche Petroleum waarop de overeenkomsten I en II betrekking hebben (hierna: de onderhavige aandelen Dordtsche Petroleum) voor belanghebbende in het onderhavige jaar (1997) een bron van inkomen?

Deze vraag dient naar het oordeel van belanghebbende bevestigend, doch naar de mening van de Inspecteur ontkennend te worden beantwoord.

II. Geldt de in artikel 38, zesde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet opgenomen beperking van de aftrek van bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste fl. 4.000,=, voor het gehele bij wijze van vooruitbetaling voldane bedrag (standpunt Inspecteur) of alleen voor het gedeelte van dat bedrag dat betrekking heeft op de na afloop van het desbetreffende kalenderjaar gelegen tijdvakken (standpunt belanghebbende)?

3.2. Partijen doen hun vorenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door ieder van hen ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Erkend wordt dat een particulier met een betrekkelijk hoog inkomen, zoals belanghebbende, geen belang heeft bij belast dividend in contanten en dat de keuze voor onbelast dividend in aandelen alsdan voor de hand ligt.

Desgevraagd wordt uitdrukkelijk verklaard dat in het onderhavige jaar (1997) niet anders was te voorzien dan dat betaling aan het einde van de beide overeenkomsten -voor wat betreft overeenkomst II ook na eventuele verlenging- van de restant lease-sommen (het onder 2.2.3 vermelde bedrag van fl. 219.514,40 en het onder 2.3.3 vermelde bedrag van fl. 90.489,80) zou moeten geschieden uit de opbrengst bij verkoop van alle aandelen waarop deze overeenkomsten betrekking hebben.

Tegen de door de Inspecteur voorgestane zogeheten interne compensatie met de onder 2.9 vermelde bedragen van fl. 232,= en fl. 640,= bestaat geen bezwaar.

De heffingsrente is geen zelfstandige grief en is als zodanig niet in geschil.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

De Inspecteur

Niet in geschil is dat bij de aandelen Dordtsche Petroleum objectief gezien een redelijke winstverwachting bestaat; echter subjectief, voor belanghebbende, was er geen winstverwachting.

Anders dan zou kunnen worden afgeleid uit hetgeen is vermeld op pagina 4, onder IV Geschil, van het verweerschrift, wordt niet betwist dat de onder 2.2.3 en 2.3.3 vermelde vooruitbetaalde administratiekosten niet zijn aan te merken als kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 38, zesde lid, aanhef, en artikel 45b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet.

Op pagina 6, tweede regel van boven, van het verweerschrift dient het woord "wellicht" te vervallen.

Met de stelling op pagina 1, eerste en tweede regel van boven, van de pleitnota dat belanghebbende bij de aankoop geen zeggenschap had over de aandelen die in het leaseproduct zitten, wordt bedoeld dat belanghebbende de aanbieding van B moest nemen zoals die was.

In het verweerschrift is bedoeld een beroep te doen op interne compensatie; niet wordt geconcludeerd tot verhoging van het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van, naar het Hof begrijpt, primair fl. 74.658,=, berekend als volgt:

belastbaar inkomen volgens verbeterde aangifte fl. 86.375,=

meer aftrekbare vooruitbetaalde rente ter zake van

de overeenkomsten I en II: fl. 20.589,= in plaats van

het in de (verbeterde)aangifte te dezer zake in totaal

in aanmerking genomen bedrag van fl. 8.000,= -/- fl. 12.589,=

niet aangegeven rente fl. 232,=

minder ter zake van hypothecaire geldlening

eigen woning betaalde rente en kosten fl. 640,=

fl. 74.658,=.

Wederom naar het Hof begrijpt, concludeert belanghebbende subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 91.247,=, gespecificeerd als volgt:

belastbaar inkomen volgens verbeterde aangifte fl. 86.375,=

minder aftrekbare vooruitbetaalde rente ter zake

van de overeenkomsten I en II: fl. 4.000,= in

plaats van fl. 8.000,= fl. 4.000,=

niet aangegeven rente fl. 232,=

minder ter zake van hypothecaire geldlening

eigen woning betaalde rente en kosten fl. 640,=

fl. 91.247,=.

De Inspecteur daarentegen is van oordeel dat belanghebbendes belastbaar inkomen over het onderhavige jaar fl. 91.929,= bedraagt, berekend als volgt:

belastbaar inkomen volgens verbeterde aangifte fl. 86.375,=

minder aftrekbare vooruitbetaalde rente ter zake

van de overeenkomsten I en II fl. 4.000,=

administratiekosten overeenkomst I

niet aftrekbaar fl. 545,70

administratiekosten overeenkomst II

niet aftrekbaar voor zover deze betrekking hebben

op de bij die overeenkomst geleasde aandelen

Dordtsche Petroleum: 1/4 x fl. 545,70 is, afgerond, fl. 136,42

niet aangegeven rente fl. 232,=

minder ter zake van hypothecaire geldlening

eigen woning betaalde rente en kosten fl. 640,=

fl. 91.929,12,

afgerond fl. 91.929,=. In verband hiermede concludeert de Inspecteur tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of de onderhavige aandelen Dordtsche Petroleum voor belanghebbende in het onderhavige jaar (1997) een bron van inkomen vormden.

4.2. Gelet op de omstandigheid

-dat niet in geschil is dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs niet viel te verwachten dat Dordtsche Petroleum gedurende de looptijd, inclusief eventuele verlenging, van de overeenkomsten I en II een ander dividend dan de onder 2.4.2 omschreven keuzedividenden zou declareren

-dat geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs viel te verwachten dat Dordtsche Petroleum gedurende deze looptijd, inclusief eventuele verlenging, in liquidatie zou treden

-dat belanghebbende ter zitting heeft erkend dat een particulier met een betrekkelijk hoog inkomen, zoals hij, geen belang heeft bij belast dividend in contanten en dat de keuze voor onbelast dividend in aandelen alsdan voor de hand ligt

-dat belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat in het onderhavige jaar niet anders was te voorzien dan dat betaling aan het einde van de overeenkomsten I en II -voor wat betreft overeenkomst II ook na eventuele verlenging- van de restant lease-sommen zou moeten geschieden uit de opbrengst bij verkoop van alle aandelen waarop deze overeenkomsten betrekking hebben,

is het Hof van oordeel dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs niet viel te verwachten dat de onderhavige aandelen Dordtsche Petroleum belanghebbende ooit enig tot het inkomen behorend voordeel zouden opleveren. Dit laatste brengt met zich dat deze aandelen voor belanghebbende in het onderhavige jaar geen bron van inkomen vormden. Verwezen zij naar de arresten van de Hoge Raad van 30 november 1966, BNB 1967/36, 14 december 1983, BNB 1984/229, en 9 december 1992, BNB 1993/66.

Met betrekking tot de in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

4.3. Het geschil betreft vervolgens de vraag of de in artikel 38, zesde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet opgenomen beperking van de aftrek van bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste fl. 4.000,=, voor het gehele bij wijze van vooruitbetaling voldane bedrag geldt of alleen voor het gedeelte van dat bedrag dat betrekking heeft op de na afloop van het desbetreffende kalenderjaar gelegen tijdvakken.

4.4. Deze vraag is inmiddels door de Hoge Raad in zijn arrest van 6 december 2002, nr. 37.515, onder meer gepubliceerd in NTFR 2002/1853, beantwoord in eerstvermelde zin. Met betrekking tot de in de omschrijving van het geschil onder II vermelde vraag is het gelijk derhalve eveneens aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat het vastgestelde belastbare inkomen eerder te laag dan te hoog is en dat het beroep in dat geval mitsdien ongegrond dient te worden verklaard.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

5.2. Het Hof vindt geen aanleiding gebruik te maken van de hem bij artikel 8:74, tweede lid, van de Awb verleende bevoegdheid.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en A.C. van Leijenhorst, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 11 februari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.