Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8396

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2003
Datum publicatie
09-05-2003
Zaaknummer
99/01308
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AP1373
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 960
FutD 2003-0954
V-N 2003/32.1.9

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01308

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag, opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 56.649,=, is, na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatig wijze in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 85,=.

De Inspecteur heeft het beroepschrift bij verweerschrift bestreden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 11 september 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en, de Inspecteur.

Tot de stukken van het geding behoort de na voormelde mondelinge behandeling op de voet van artikel 14, eerste lid, sub 2°, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken met partijen gevoerde briefwisseling, waarbij het bepaalde in artikel 16 van deze wet is nageleefd.

Partijen hebben schriftelijk verklaard geen behoefte te hebben aan een tweede mondelinge behandeling.

Het Hof rekent alle genoemde stukken tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in juli 1955, is vader van twee kinderen, geboren uit zijn verhouding met zijn vriendin van destijds, mevrouw A, geboren in augustus 1956, te weten:

B, geboren in november 1988 en C, geboren in september 1990.

2.2. In juni 1997 hebben belanghebbende en mevrouw A hun relatie verbroken.

2.3. Blijkens de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar belanghebbende toen woonachtig was, woonden belanghebbende en zijn ex-vriendin vanaf 30 juni 1997 niet meer gezamenlijk op hetzelfde adres.

2.4. Belanghebbende en zijn ex-vriendin zijn overeengekomen dat zij ook na de verbreking van hun relatie beiden zullen zorgdragen voor de opvoeding van hun beide kinderen. Op grond hiervan verblijven de kinderen in nagenoeg gelijke mate in de afzonderlijke huishoudens

van elk van hun ouders.

2.5. Per 1 oktober 1995 is artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag (hierna ook wel: het Samenloopbesluit) van kracht. Hierin wordt het volgende bepaald:

"Indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind

overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.

2.6. De Sociale Verzekeringsbank keert vanaf het derde kwartaal 1997 de kinderbijslag - overeenkomstig gemeld artikel 5a - aan ieder van de beide verzorgende ouders voor helft uit.

2.7. Het recht op kinderbijslag ingevolge de bepalingen van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en van het Samenloopbesluit over

het onderhavige jaar ziet er als volgt uit:

Kwartaal Rechthebbende Aandeel Rechtsgrond

1 A 100% artikel 7, lid 1, juncto

artikel 18, leden 2 en 3,

AKW: bij twee verzorgende

ouders gaat het recht van

de vrouw voor.

2 A 100% zie eerste kwartaal

3 A 50% artikel 7, lid 1, AKW juncto

artikel 5a van het Samenloop-

besluit kinderbijslag: iedere

verzorgende ouder 50%

3 X 50% zie hiervóór

4 A 50% zie derde kwartaal

4 X 50% zie derde kwartaal.

2.8. Daar belanghebbende gedurende de eerste twee kwartalen van 1997 met zijn ex-vriendin een gezamenlijke huishouding vormde en zijn ex-vriendin gedurende die tijd het recht op kinderbijslag voor beide kinderen geldend kon maken, heeft belanghebbende met betrekking tot het levensonderhoud van die kinderen voor die periode geen recht op aftrek buitengewone lasten.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het derde en vierde kwartaal van het onderhavige jaar met betrekking tot het levensonderhoud van beide kinderen recht heeft op aftrek buitengewone lasten, althans voor zover hij geen kinderbijslag ontvangt.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan geen nieuwe stellingen en/of argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 56.649,= verminderd met een op grond van artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst 1997) in aanmerking te nemen bedrag aan buitengewone lasten met betrekking tot voorziening in het levensonderhoud van beide kinderen van 1/2 x 2 (kwartalen) x 2 (kinderen) x fl.675,= is fl. 1.350,= of fl. 55.299,=. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In de Memorie van Toelichting behorende bij de Wet van 20 december 1979, Stb. 709, staat onder "VI. Vervallen van kinderaftrek voor bijzondere groepen" het volgende vermeld:

"Bij een zonder meer van toepassing zijn van de buitengewone-lasten-

regeling in de gevallen waarin géén recht op kinderbijslag bestaat,

zou een onverkorte aftrek van de werkelijke kosten van het kind moeten worden toegestaan. In dat geval zouden deze belastingplichtigen normaliter een grotere fiscale aftrek dan de huidige kinderaftrek deelachtig worden. Ook in vergelijking met degenen die wel recht op kinderbijslag hebben, zou zulks niet juist zijn. Deze laatsten genieten immers een belastingvrijdom ter grootte van de kinderbijslag terwijl de werkelijke kosten daar als regel bovenuit zullen gaan.

Ten einde de bijzondere groepen voor wie de kinderbijslag met ingang van 1980 zal vervallen, zo veel mogelijk gelijk aan de overige belastingplichtigen te behandelen, stellen wij voor in de buitengewone-lastenregeling een bevoegdheid op te nemen ingevolge welke de Minister van Financiën nadere regels kan geven met betrekking tot de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Voor deze uitgaven kan in gevallen waarin wordt voldaan aan onderhoudseisen overeenkomstig die van de kinderbijslag (in belangrijke mate, grotendeels en geheel of nagenoeg geheel) de aftrek wegens buitengewone lasten met betrekking tot kinderen jonger dan 27 jaar dan worden beperkt tot de omvang van de (gemiddelde) belastingvrijdom van de kinderbijslag.".

4.2. Uit het onder 4.1 vermelde citaat volgt dat tegenover de grootte van de belastingvrijdom van het bedrag van de kinderbijslag staat de grootte van het bedrag van de aftrek wegens buitengewone lasten met betrekking tot kinderen jonger dan 27 jaar. Hieruit volgt dat voor zover geen kinderbijslag wordt verkregen daarmee ook niet de daarbij behorende belastingvrijdom wordt verkregen en dat daar dan tegenover dient te staan een aftrek buitengewone lasten ter grootte van het bedrag waarvoor geen kinderbijslag werd verkregen.

4.3. In overeenstemming met de conclusie onder 4.2 is de overweging 3.3. van de Hoge Raad in zijn arrest van 1 april 1998, nr. 33 085, BNB 1998/270*, waarin onder meer het volgende wordt overwogen:

"Immers op grond van de tekst en de strekking van artikel 46,

lid 1, onder a, sub 1, van de Wet in samenhang met het bepaalde

in artikel 10, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, moet worden aangenomen dat recht op aftrek wegens buitengewone lasten bestaat indien en voor zover de belastingplichtige geen recht op kinderbijslag ingevolge de AKW heeft, dan wel dit recht ingevolge de regelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag in de AKW of het Samenloopbesluit Kinderbijslag niet geldend kan maken.".

4.4. Op grond van het vorenstaande moet worden beslist in de door belanghebbende voorgestane zin.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur op de voet van artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 85,= te vergoeden.

Daar te dezen geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en geen opgave is gedaan van reis-, verblijf- en verletkosten, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 55.299,=;

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad € 38,57 (fl. 85,=) vergoedt.

Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 27 februari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 27 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.