Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8344

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
20.000243.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 423
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 383
NBSTRAF 2003/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.000243.03

uitspraakdatum : 24 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 24 december 2002 in de strafzaak onder parketnummer 1684-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het [Huis van Bewaring].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van hetgeen van de zijde van de advocaat-generaal en de verdachte naar voren is gebracht.

Het verzoek tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Breda

Namens de verdachte is ten verweer betoogd -kort weergegeven- dat het aangevallen vonnis moet worden vernietigd en de zaak moet worden verwezen naar de rechtbank Breda.

Daartoe is aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig moet worden geacht, nu dit heeft plaatsgehad buiten tegenwoordigheid van de verdachte, die tijdig vóór die zitting is teruggekomen op een eerder door hem ondertekende afstandverklaring en daarbij duidelijk kenbaar heeft gemaakt ter terechtzitting aanwezig te willen zijn, en voorts omdat de rechtbank -nadat verdachte zijn raadsman had ontslagen- geen nieuwe raadsman heeft toegevoegd, zodat verdachte van verdediging verstoken is gebleven.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit de stukken van het strafdossier blijkt,

* dat de verdachte op 17 oktober 2002 in persoon is opgeroepen tegen de terechtzitting van 12 december 2002;

* dat hij daags voor die zitting schriftelijk afstand heeft gedaan van zijn recht om op die zitting tegenwoordig te zijn, zulks kennelijk omdat hij niet reeds een dag voor de terechtzitting op transport gesteld wilde worden;

* dat zijn toenmalige raadsman, eveneens op 11 december 2002, per faxbericht aan de officier van justitie heeft bevestigd, dat de verdachte niet ter terechtzitting van 12 december 2002 zou verschijnen;

* dat de officier van justitie op 11 december 2002 aan het einde van de middag er per faxbericht van in kennis is gesteld, dat verdachte alsnog ter terechtzitting van 12 december 2002 wenste te verschijnen;

* dat de officier van justitie vervolgens getracht heeft te bevorderen, dat de verdachte nog tijdig, en zulks per extra beveiligd transport, naar de zitting zou worden aangevoerd, doch zulks tevergeefs;

* dat ter terechtzitting van 12 december 2002 de toenmalige raadsman van verdachte heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog daarbij tegenwoordig te zijn;

* dat die raadsman, na afwijzing van dat verzoek en een daarop volgend wrakingsincident, heeft medegedeeld dat de verdachte hem als raadsman had ontslagen en dat deze hem had gevraagd om te verzoeken om aanhouding van de behandeling teneinde hem in de gelegenheid te stellen een nieuwe raadsman te zoeken;

* dat de rechtbank dat verzoek heeft afgewezen, de strafzaak heeft behandeld zonder dat de verdachte tegenwoordig was en zonder dat door een gemachtigde raadsman de verdediging is gevoerd, en op 24 december 2002 vonnis heeft gegeven.

Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk anders worden geoordeeld dan dat verdachte bij nader inzien alsnog ter zitting wenste te verschijnen en zich van andere rechtskundige bijstand wenste te voorzien.

Daarin had de rechtbank aanleiding moeten vinden om het onderzoek te schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen om, al dan niet door middel van een op de voet van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gemachtigde raadsman, bij de behandeling van zijn strafzaak tegenwoordig te zijn.

Het gaat immers om het recht van de verdachte om bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn en aldaar zelf het woord te voeren of door zijn raadsman te laten voeren. Dit recht is van zo wezenlijke betekenis voor het strafproces dat een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman niet kan plaatsvinden behoudens het geval dat de rechter in redelijkheid kan oordelen dat de verdachte er geen prijs op heeft gesteld ter terechtzitting te verschijnen en/of zich door een raadsman te laten verdedigen.

Met betrekking tot de vraag, welke gevolgen aan deze vaststelling dienen te worden verbonden, geldt het volgende.

Ingevolge artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering behoort het hof, indien de hoofdzaak door de rechter in eerste aanleg is beslist en -gelijk in dit geval- sprake is van een tot nietigheid leidend verzuim in de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg, na een geheel nieuwe behandeling in hoger beroep, de uitspraak van de eerste rechter te vernietigen en te doen wat deze had behoren te doen, maar niet de zaak te verwijzen naar de eerste rechter op de grond, dat de verdachte een aanleg heeft ontbeerd.

Voor verwijzing nadat de eerste rechter op de hoofdzaak heeft beslist bestaat slechts grond -voor zover hier van belang- indien de rechter ter terechtzitting niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, zoals de verdachte, aldaar niet is verschenen terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

De ratio van deze in de rechtspraak gewortelde regeling is het waarborgen van het recht van de verdachte op berechting in twee feitelijke instanties.

Voor het onderhavige geval is van belang, dat de verdachte tegen de zitting van 12 december 2002 tijdig en in persoon is opgeroepen. Hij wenste in eerste instantie niet mee te werken aan zijn transport voor die zitting omdat dit niet op de zittingsdag zelf maar op de dag daaraan voorafgaand zou plaatsvinden. In verband daarmee heeft hij op 11 december 2002 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op evenvermelde zitting tegenwoordig te zijn.

In de late namiddag van 11 december 2002 is hij op dit besluit teruggekomen. Dat het de officier van justitie vervolgens niet meer mogelijk bleek een (beveiligd) transport naar de rechtbank op 12 december 2002 te regelen mag niet uitsluitend voor risico van verdachte komen, aangezien de omstandigheden van het geval niet de gevolgtrekking wettigen dat verdachte de rechtsgang heeft willen frustreren. Daarbij is niet zonder betekenis de uit het strafdossier blijkende bedoeling van verdachte om zich ter terechtzitting in persoon tegen de tenlastelegging van moord en poging tot moord te verdedigen.

Onder deze omstandigheden is het niet in overwegende mate aan de verdachte te wijten geweest, dat hij zich in de eerste feitelijke instantie niet heeft kunnen verweren.

Daarmee doet zich een situatie voor die moet worden gelijk gesteld met het geval waarin de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag der terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

Dit brengt mede, dat de rechtbank niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen.

Bijgevolg dient het aangevallen vonnis te worden vernietigd en dient, nu door de verdachte niet de beslissing in de hoofdzaak door het gerechtshof is verlangd, de zaak te worden verwezen naar de rechtbank Breda teneinde op de bestaande dagvaarding te worden berecht en afgedaan.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

- vernietigt het aangevallen vonnis;

- verwijst de zaak naar de rechtbank Breda teneinde op de bestaande dagvaarding te worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Bergkotte, als voorzitter

Mrs. Van Zon en Claassens, als raadsheren

in tegenwoordigheid van mr. Spijkers, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 april 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 09.30

rolnummer: 20.000243.03

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het [Huis van Bewaring]

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 24 december 2002 ter zake van:

ten aanzien van feit 1: "Medeplegen van moord",

ten aanzien van feit 2: "Medeplegen van poging tot moord";

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar, met aftrek tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,

met toewijzing vordering van [benadeelde partij] en met veroordeling van verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van eenduizendvierhonderdvijfendertig euro en zesentachtig eurocent, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering,

met verwijzing van verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil,

met oplegging verplichting aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer, te betalen eenduizendvierhonderdvijfendertig euro en zesentachtig eurocent subsidiair achtentwintig dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft,

met verstande dat, indien en vooor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de [benadeelde partij] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen;