Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8343

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
20.003181.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.003181.02

uitspraakdatum : 29 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 27 juni 2002 in de strafzaak onder parketnummer 03/008122-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het beroepen vonnis

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Aan de verdachte is tenlastegelegd, dat hij zich in [pleegplaats], in of omstreeks de periode van [pleegdatum],

telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

en telkens meermalen, althans eenmaal,

heeft schuldig gemaakt aan -zakelijk weergegeven-

uitvoer van heroïne en/of cocaïne (naar Duitsland en/of Frankrijk) en

uitvoer van heroïne en/of cocaïne (naar Duitsland en/of Frankrijk) in de ruime betekenis van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet,

subsidiair

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van heroïne en/of cocaïne.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het hof van oordeel, dat deze tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten, die daar op de voet van het bepaalde bij artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan mogen worden gesteld.

Zij is namelijk zodanig onbepaald -niet geheel onbegrijpelijk heeft de verdediging in eerste aanleg gesproken over een doe-het-zelf dagvaarding- dat daaruit niet valt op te maken welk(e) specifiek(e) verwijt(en) zij behelst.

Ook het strafdossier biedt daarvoor geen soulaas.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van opsporingsonderzoek, opgemaakt tegen verdachte en een aantal medeverdachten, dat een aanzienlijk aantal, hoofdzakelijk bij de Opiumwet strafbaar gestelde, feiten relateert van uiteenlopende aard, op diverse data gepleegd.

Dit proces-verbaal bevat in hoofdzaak de transcripties van meer dan achtduizend afgeluisterde telefoongesprekken, in een aantal waarvan verdachtes voornaam ter sprake komt, zomede het relaas van een groot aantal observaties, bij een aantal waarvan de verdachte is waargenomen. Niet is evenwel zonder meer duidelijk, bij welk(e) beweerdelijk gepleegd(e) strafba(a)r(e) feit(en) de verdachte daardoor als betrokken zou kunnen worden aangemerkt.

Onder deze omstandigheden is de verdachte niet tot een behoorlijke verdediging en het gerechtshof niet tot een behoorlijk onderzoek ter terechtzitting in staat.

Het hof zal de inleidende dagvaarding bijgevolg nietig verklaren.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart de inleidende dagvaarding nietig.

Dit arrest is gewezen door Mr. Bergkotte, als voorzitter

Mrs. Van Zon en De Bruijne, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Boekelman, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2003.

Mr. De Bruijne is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.-

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 04

tijd : 11.00

rolnummer: 20.003181.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], [geboortedatum],

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 27 juni 2002 ter zake van:

subsidiair:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod",

veroordeeld tot:

t.a.v. subsidiair: gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

t.a.v. primair: vrijspraak, zijnde het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen