Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8192

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
97/21389
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1884
FutD 2003-0878

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/21389

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van wijlen de heer X, laatstelijk gewoonde hebbende te Y, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 februari 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van de erven van de heer X, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 februari 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden

1. Belanghebbende is geboren in 1944 en heeft de Duitse nationaliteit. Hij heeft jaren in Nederland gewoond en was (ook) toen werkzaam bij deelstaat A als politieman. Hij had daar de status van ambtenaar (Beamte). In het onderhavige jaar 1995 woonde hij ook in Nederland, was hij gepensioneerd en ontving hij een pensioen van de Polizei A. Sinds zijn pensionering heeft hij geen arbeid meer verricht.

2. Op 9 december 1995 heeft belanghebbende aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) een verzoek gericht om te worden vrijgesteld van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen. Gelet op artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzeringen 1989, Stb. 164 (hierna: het Besluit) heeft de SVB dit verzoek ingewilligd met ingang van 9 december 1995, de datum waarop het verzoek is ingediend. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze beschikking van de SVB, die daardoor onherroepelijk is komen vast te staan.

3. Het geschil gaat over de vraag of de Inspecteur belanghebbende over de periode van 1 januari tot 9 december 1995 terecht heeft betrokken in de premieheffing op grond van de volksverzekeringen. De heffing van premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) staat niet ter discussie.

4. Enkel naar Nederlands nationaal recht beoordeeld was belanghebbende in het jaar 1995 tot 9 december verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Hij woonde toen in Nederland en werd niet van de verzekering uitgesloten door een van de bepalingen uit het Besluit.

5. Deze verplichte verzekering wordt niet verhinderd door het bepaalde in de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Verordening). Volgens het bepaalde in artikel 2, derde lid (tekst 1995), is deze Verordening slechts van toepassing op ambtenaren voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een Lid-Staat waarop de Verordening van toepassing is. In artikel 4, vierde lid, van de Verordening (tekst 1995) is bepaald dat zij niet van toepassing is op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden. Ten aanzien van belanghebbende is niet gesteld en evenmin gebleken dat hij anders dan als ambtenaar werkzaam is geweest. Verder is niet gesteld en evenmin gebleken dat hij in Duitsland onderworpen is of geweest is aan enige socialezekerheidsregeling die anders van aard is dan de bijzondere regelingen bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Verordening. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de Verordening op belanghebbende niet van toepassing is.

6. Verplichte verzekering van belanghebbende voor de volksverzekeringen wordt in het onderhavige jaar 1995 evenmin verhinderd door het verdrag tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering van 29 maart 1951 (Tractatenblad 1951, 57). Op grond van artikel 4, eerste lid, van dit verdrag zijn verzekerden die op het grondgebied van één van beide verdragsluitende partijen werkzaam zijn, onderworpen aan de wettelijke regelingen die van kracht zijn in het land waar zij hun werkzaamheden verrichten. Gelet op de bewoordingen daarvan, kan deze bepaling in 1995 niet worden toegepast op belanghebbende, die zich toen uit het arbeidsproces had teruggetrokken.

7. Belanghebbende heeft verder nog aangevoerd dat zijn verzoek om vrijstelling laat bij de SVB is ingediend als gevolg van ziekte en doordat formulieren zijn zoekgeraakt. Naar aanleiding hiervan merkt het Hof op dat de beslissing of en zo ja met ingang van welk tijdstip iemand in aanmerking komt voor een vrijstelling van de volksverzekeringen, door het Besluit is opgedragen aan de SVB. Haar beslissing daarover kan ter beoordeling worden voorgelegd aan de rechtbank en in hoger beroep aan de Centrale Raad van Beroep. Voor de belastingrechter is hier geen rol weggelegd (zie HR 25 juli 2000, BNB 2001/16).

8. Tot slot heeft belanghebbende zich nog beroepen op betalingsproblemen, maar deze kunnen geen invloed uitoefenen op de hoogte van de aanslag. Op grond daarvan heeft belanghebbende deze grief ter zitting ook ingetrokken.

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

10. Het Hof vindt geen aanleiding om met gebruikmaking van de hem in artikel 5, zevende lid, tweede volzin, van evengenoemde wet verleende bevoegdheid te gelasten dat het door belanghebbende voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= geheel of gedeeltelijk door de Inspecteur wordt vergoed.

11. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door M.W.C. Feteris, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 11 maart 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.