Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
00/03105
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/39.6 met annotatie van Redactie
FutD 2003-0872
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03105

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 44.600,-, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,-.

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 8 november 2002 te 's-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is geboren op 27 november 1934 en in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met A. Belanghebbende exploiteert sedert 1 januari 1992 in maatschapverband met zijn echtgenote en zijn zoon, de heer B, een agrarisch bedrijf dat zich bezighoudt met melkveehouderij en varkenshouderij. In 1997 heerste in Nederland de zogenoemde "klassieke varkenspest". Dit had tot gevolg dat op varkensbedrijven aanwezige varkens, uit hoofde van besmetting of als preventieve maatregel, van overheidswege geruimd werden door de dieren af te maken en vervolgens te vernietigen.

2.2. Ook de varkens op het bedrijf van de maatschap waarin belanghebbende participeerde zijn, na op 1 augustus 1997 getaxeerd te zijn door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, preventief geruimd. De waarde van de zeugen en beren, die als bedrijfsmiddelen te boek stonden in de maatschap, werd voor het belanghebbende toekomende gedeelte gesteld op fl. 127.650,- voor de zeugen en fl. 4.500,- voor de beren, in totaal fl. 132.150,-. Omdat de boekwaarde voor belanghebbendes gedeelte op 30 juli 1997 fl. 53.441,- bedroeg, werd door belanghebbende hierbij een boekwinst ad fl. 78.709,- gerealiseerd.

2.3. De Staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer gedateerd 9 april 1998, nr. DB98/1233, onder meer gepubliceerd in VN 1998/20.8., een uiteenzetting gegeven over de fiscale gevolgen van de uitkeringen die naar aanleiding van de varkenspest zijn gedaan, met als bijlage een brief van zijn hand d.d. 22 december 1997, nr. DB97/4716.

2.4. In de onder 2.3 genoemde brief van 9 april 1998 schrijft de Staatssecretaris onder meer:

"In het belang van de bedrijfscontinuïteit, het dierwelzijn en de diergezondheid heb ik thans echter aanleiding gevonden om in een nog te nemen besluit te bepalen dat de vervangingsreserve kan worden toegepast op uitkeringen ter zake van fokzeugen, ook indien sprake is van uitbreidingsinvesteringen of vervanging door bedrijfsmiddelen die niet economisch eenzelfde functie vervullen als fokzeugen alsmede in geval van staking en het opnieuw voor eigen rekening gaan drijven van een - eventueel totaal andere- onderneming.....

enz....

Tenslotte merk ik op dat het niet uitgesloten is dat (één van de) genoemde tegemoetkomingen kwalificeert als sectorale steun. In dat geval zal aanmelding bij de Europese Commissie in Brussel moeten plaatsvinden. Dit aspect heb ik thans, in overleg met de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in onderzoek. Opgemerkt zij dat indien aanmelding bij de Europese Commissie noodzakelijk is, de desbetreffende maatregelen niet ten uitvoer mogen worden gelegd voordat zij zijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Mocht aanmelding bij de Europese Commissie noodzakelijk blijken, dan zal ik u daarover per omgaande berichten.".

2.5. De annotator van het Vakstudie Nieuws schrijft onder de gepubliceerde brief onder meer:

" De voornemens van de staatssecretaris van Financiën zouden nog kunnen worden gedwarsboomd indien zij geheel of gedeeltelijk worden gekwalificeerd als (landbouw) sectorale staatssteun.".

2.6. Op 12 februari 1999 schrijft de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer in een brief, onder meer gepubliceerd in VN 1999/18.14, het navolgende:

" Met betrekking tot de in de brief van 9 april genoemde verruiming van de toepassing van de vervangingsreserve is gebleken dat deze tegemoetkoming zou kwalificeren als sectorale (staats)steun. Een dergelijke tegemoetkoming zou derhalve moeten worden aangemeld in Brussel....

enz....

Gezien het voorgaande en gelet op de andere in de brief van 9 april genoemde maatregelen (toepassing ruilgedachte en invorderingsbeleid), acht ik het niet wenselijk de toepassing van de vervangingsreserve op dit punt te verruimen.".

2.7. Belanghebbende heeft bij notariële akte van levering van 18 april 1997 een perceel cultuurgrond aangekocht voor een koopsom van fl. 180.245,-; de economische eigendom is door belanghebbende ingebracht in de door hem gedreven maatschap voor een waarde gelijk aan de koopprijs inclusief de aankoopkosten, zijnde een bedrag van fl. 182.894,--.

2.8. Belanghebbende heeft zijn aandeel in de boekwinst, bedoeld in 2.2 middels toepassing van de zogenaamde verruimde vervangingsreserve afgeboekt op de aanschafwaarde van de in 2.7 bedoelde grond.

2.9. De Inspecteur gaat met de hiervoor onder 2.8 bedoelde afboeking van de vervangingsreserve op de aangeschafte cultuurgrond niet akkoord, maar accordeert toevoeging aan een "normale" vervangingsreserve.

2.10. De betreffende vervangingsreserve wordt door de Inspecteur toegevoegd aan de winst van belanghebbende van het boekjaar 1998 wegens het volgens de Inspecteur op 31 december 1998 ontbreken van een vervangingsvoornemen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Kan de boekwinst ad fl. 78.709,-, ontstaan door de in 1997 ontvangen vergoedingen in verband met de preventieve ruimingen van de fokzeugen en beren van de maatschap waarin belanghebbende in de betreffende jaren participeerde, in het kader van de zogenaamde verruimde vervangingsreserve worden afgeboekt op de in 1997 aangekochte cultuurgrond?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Primair beroept belanghebbende zich op de toezeggingen van de Staatssecretaris van Financiën, zoals belanghebbende die leest in de onder 2.4 bedoelde brief van de Staatssecretaris.

Subsidiair beroept belanghebbende zich op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 1992, nr. DB92/3157, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/313.

De Inspecteur is van mening, dat de betreffende boekwinst niet kan worden afgeboekt op de in 1997 aangekochte cultuurgrond.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Als er geen sprake is van een verruimde vervangingsreserve stelt de Inspecteur terecht dat er geen sprake is van vervangen in de zin van artikel 14 Wet Inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

De betreffende grond was al aangeschaft voor het optreden van de varkenspest.

Ik ga alsnog akkoord met de stelling dat er per 31 december 1998 geen vervangingsvoornemen zoals vereist in artikel 14 van de Wet, meer bestond.

Indien de verruimde vervangingsreserve niet kan worden toegepast op de aangeschafte grond, dan zijn er nog andere investeringen gedaan, met name is een melkquotum aangeschaft. Ik acht deze stelling niet tardief, de Inspecteur komt in zijn pleitnota ook met een nieuwe stelling, te weten het moment van aanschaf van de grond.

De Inspecteur

De stelling van belanghebbende inzake het melkquotum acht ik tardief, maar je moet ook in dat geval wel eerst aan een verruimde vervangingsreserve toekomen. Indien er sprake zou zijn van toepassing van de verruimde vervangingsreserve dient dit bedrag successievelijk te worden afgeboekt, met toepassing van de uitspraak van dit Hof van 22 juni 2000, zoals onder meer gepubliceerd in VN 2000/46.13.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen (conform aangifte) van fl. 24.923,-.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt met betrekking tot het niet verlenen van de zogenaamde verruimde vervangingsreserve allereerst dat de Inspecteur handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Belanghebbende is van oordeel dat de aankondiging van de Staatssecretaris in zijn brief van 9 april 1998 slechts gedaan mag worden indien er een hoge mate van zekerheid bestaat omtrent de daadwerkelijke komst van de besluitvorming.

4.2. Het Hof kan belanghebbende in deze stelling niet volgen. In bedoeld schrijven kondigt de Staatsecretaris naast enkele andere regelingen onder meer een nog te nemen besluit aan, betrekking hebbende op de zogenaamde verruimde vervangingsreserve; de betreffende brief besluit met een expliciet voorbehoud: nader onderzocht zal worden of (één van) de aangekondigde maatregelen kwalificeren als, wellicht door de Europese Commissie te Brussel verboden, sectorale steun.

Dit voorbehoud was duidelijk, en naar het oordeel van het Hof slechts voor één uitleg vatbaar. Ook de annotator van het Vakstudie Nieuws waarin de betreffende brief werd gepubliceerd, merkte dit op en spreekt over voornemens welke nog gedwarsboomd zouden kunnen worden.

4.3. Naar het oordeel van het Hof is er dan ook, gelet op het onder 4.2 vermelde, door het niet toestaan van de verruimde vervangingsreserve in een situatie als de onderhavige, geen sprake van onzorgvuldig handelen door de Staatssecretaris en wordt evenmin de rechtszekerheid geschonden; ook kan niet worden geoordeeld dat door de brief van 9 april 1998 bij belanghebbende het door de Staatssecretaris in rechte te beschermen vertrouwen zou zijn gewekt dat het toepassen van de verruimde vervangingsreserve in casu zou zijn toegestaan. Door het niet honoreren van belanghebbendes verzoek om toepassing van de verruimde vervangingsreserve heeft de Inspecteur derhalve naar het oordeel van het Hof, geen der genoemde beginselen van behoorlijk bestuur geschonden.

4.4. De vraag of hierbij het moment van aanschaf van de onder 2.7 genoemde cultuurgrond vóór dan wel na het tijdstip van het uitbreken van de klassieke varkenspest respectievelijk de ruiming van de desbetreffende varkens dan wel de uitbetaling van de schadevergoeding heeft gelegen kan, gelet op het onder 4.3. gestelde onbeantwoord blijven.

Het primaire standpunt van belanghebbende wordt door het Hof verworpen.

4.5. Belanghebbende beroept zich subsidiair op de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 1992, nr. DB92/3157, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/313; met name citeert belanghebbende in dit kader uit de Handelingen van de Tweede Kamer 1963/64, pagina 2032, waarin de Staatssecretaris stelt dat het niet slechts gaat om onteigening in de strikt formele zin.

4.6. Het in de hiervoor onder 4.5 vermelde resolutie genoemde overheidsingrijpen is, gelet op de onder 2. in de resolutie gegeven omschrijving duidelijk beperkt tot de Onteigeningswet of daarmee gelijk te stellen situaties; overheidsingrijpen op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren valt hier naar het oordeel van het Hof niet onder.

Naar het oordeel van het Hof ziet de betreffende resolutie dan ook uitsluitend op de situaties voortkomende bij wettelijke onteigening, als bedoeld in artikel 57, lid 1, letter a, van de Wet en de verplaatsing van bedrijven op grond van wijziging van bestaande bestemmingsplannen; deze situaties verschillen zozeer van de situaties waarin sprake is van (preventief) ruimen van vee in verband met een opgetreden veeziekte dat naar het oordeel van het Hof de bedoelde resolutie niet (mede) van toepassing is in situaties als de onderhavige.

Het preventief ruimen en de verplichting van belanghebbende om daaraan medewerking te verlenen, is immers een geheel andere, daarmee niet te vergelijken situatie dan de onteigening van bedrijfsmiddelen of het onder dreiging van een mogelijke onteigening meewerken aan een verkoop daarvan.

Dat ook de Staatssecretaris de resolutie van 25 augustus 1992 niet van toepassing acht in de onderhavige situatie blijkt reeds uit het enkele feit dat hij in zijn schrijven van 9 april 1998 op geen enkele wijze naar de onderhavige resolutie verwijst.

Ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende wordt derhalve door het Hof verworpen.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te bepalen dat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door G.J. van Muijen, voorzitter, P. van der Wal en G.W.B. van Westen, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 31 maart 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 31 maart 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.