Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
00/02480
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0849
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/02480

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan hem zonder verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996, aanslagnummer A.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer A over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 een naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van ƒ 8.998,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging. Na tijdig daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 6 juli 2000 besloten de naheffingsaanslag te verminderen tot een ten bedrage van ƒ 6.110,-- aan enkelvoudige belasting.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van ƒ 225,-- (€ 102,20). De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 20 februari 2003 te Roermond. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen, te weten een tweetal foto's.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de gedeeltelijk hiervan afwijkende verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de exploitatie van een kalkoenenbedrijf. De activiteiten van belanghebbende zijn genoemd in artikel 27, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Door belanghebbende is geen verzoek gedaan als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de Wet. Belanghebbende is over de door hem binnen het kader van zijn ondernemingsprestaties, voorzover genoemd in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Wet geen omzetbelasting verschuldigd.

2.2. Belanghebbende heeft in 1985 een pluimveestal (hierna: de stal) aangekocht en deze in 1995/1996 grondig gerenoveerd. De gerenoveerde stal is 1996 in gebruik genomen. De stal is in 1965 is gebouwd en sindsdien in gebruik als opfok c.q. afmeststal voor kalkoenen. Voor en na de renovatie wordt de stal als zodanig gebruikt. De capaciteit is door de renovatie niet vergroot. De betonvloer, gas-, water- en stroomaansluiting- bleven intact. Na de renovatie is dezelfde inventaris en zijn dezelfde deuren gebruikt. De ventilatie-openingen voorzien van kippengaas zijn nagenoeg hetzelfde gebleven. Slechts uit oogpunt van welstand en het niet meer beschikbaar zijn van de betonnen platen waaruit de stal was opgetrokken zijn de muren opgemetseld. Het asbesthoudende golfplaten dak is vervangen door een asbestvrij golfplaten dak.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na de zitting is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor bedrijfsdoeleinden heeft beschikt over in eigen bedrijf vervaardigde goederen, een en ander in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of in casu sprake is van vervaardigen als bedoeld in genoemd artikellid.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Op het moment dat de renovatie aanving, zaten de kalkoenen nog in de stal.

- Ik heb geen betonnen vloer aan de aannemer ter beschikking gesteld; ik heb de stal ter beschikking gesteld om die te laten renoveren.

- In het buitengebied moet uit het oogpunt van welstand met stenen worden gebouwd.

- Ik laat mijn grieven met betrekking tot de waarde van de ter beschikking gestelde grond en de lange duur van de procedure varen.

De Inspecteur

- Ik trek mijn verzoek in om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.

- Op grond van de jurisprudentie is in casu sprake van vervaardigen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In zijn arrest van 14 mei 1985, nr. 139/84 (Van Dijk's Boekhuis; onder meer gepubliceerd in BNB 1985/335) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen als zijn oordeel gegeven dat er slechts sprake is van "vervaardigen" in de zin van de omzetbelasting, indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt, en dat er een nieuw goed is wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden. Het Hof overwoog daartoe onder meer dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuw goed in bovenbedoelde zin het gebruik dat van het goed kan worden gemaakt in aanmerking moet worden genomen. De Hoge Raad oordeelde in gelijke zin in zijn arrest van 17 juni 1987, nr. 23 782, (West-Indische Huis te Amsterdam, onder meer gepubliceerd in BNB 1987/243).

4.2. In aanmerking nemende

- dat het gebruik dat van de stal kan worden gemaakt, te weten

een opfok c.q. afmeststal voor kalkoenen, ongewijzigd is gebleven,

- dat de betonvloer, gas-, water- en stroomaansluiting bij de

renovatie intact zijn gebleven,

- dat de capaciteit van de stal niet is gewijzigd,

- dat het uiterlijk van de stal niet ingrijpend is gewijzigd

door het vervangen van het astbesthoudende golfplaten dak door een

astbestvrij golfplaten dak en het vervangen van betonnen

zijwanden door opgemetselde muren,

een en ander tezamen en in onderling verband beschouwd, is het Hof van oordeel dat naar maatschappelijke opvattingen in casu geen sprake is van vervaardigen in bovenbedoelde zin.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk derhalve aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

5. Proceskosten en griffierecht

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op de reiskosten van belanghebbende zelf op basis van het openbaar vervoer NS 2e klasse ad € 5,60.

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag,

gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102,20,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5,60, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door G.J. van Muijen, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 3 april 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 3 april 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.