Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8149

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
01/01679
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO6958
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/32.1.5
FutD 2003-0703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/01679

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van

fl. 280.773,--, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ambtenaar is gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 450,-- ( = € 204,20).

De ambtenaar heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 26 november 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de ambtenaar.

Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota's met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen twaalf weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is een regionaal opleidingsbedrijf in de bouwsector. De statutaire doelstelling van belanghebbende is: het in de ruimste zin des woords bevorderen van de praktische opleiding van arbeidskrachten ten behoeve van de bouwnijverheid in Zuid-Regio. Belanghebbende neemt in het kader van de Wet op het leerlingenwezen jongeren in dienst, met name schoolverlaters met VBO-Bouw met praktijk, vaktheorie en vaktekenen op B-niveau, alsmede MAVO kandidaten met diploma, en verzorgt voor hen in het kader van leerovereenkomsten deeltijdopleiding alsmede detacheringen bij bouwbedrijven.

2.2. Belanghebbende maakt in de uitoefening van haar werkzaamheden zowel directe kosten, zoals salariskosten van leermeesters, kosten van het gebouw dat voor scholing wordt gebruikt en kosten van lesmaterialen en dergelijke, alsook indirecte kosten, zoals de salariskosten van de directeur en het administratieve personeel, andere administratiekosten en overige kosten.

2.3. Belanghebbendes indirecte kosten voor het jaar 1999 zijn, naar tussen partijen vaststaat, te stellen op fl. 547.695,--.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de in 2.2 en 2.3 bedoelde indirecte kosten en lasten van scholing bij het bepalen van de scholingsaftrek in aanmerking zijn te nemen.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De ambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan, zakelijk weergegeven, toegevoegd dat nu haar onderneming uitsluitend en alleen is gericht op scholing van bij haar in dienst zijnde leerlingen, te harer aanzien niet geldt het gestelde in de wetsgeschiedenis van artikel 11c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, te weten dat het bij scholing welke binnen de onderneming wordt verzorgd vaak moeilijker is vast te stellen wat de kosten en lasten van die scholing zijn dan bij cursussen die door derden worden gegeven, nu immers al haar kosten op de scholing betrekking hebben. De delegatiemogelijkheid van artikel 11c, lid 4, van die wet heeft derhalve voor de beoordeling van de situatie van belanghebbende geen belang, en de krachtens die delegatiebepaling gestelde regels dienen op haar niet te worden toegepast.

De ambtenaar heeft aan hetgeen hij in de stukken heeft aangevoerd ter zitting niets toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van fl. 171.234,--.

De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In de Nota naar aanleiding van het Verslag van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 688, no. 2, ter zake van de Wet van 18 december 1997, Stb. 731, is het volgende opgenomen: "Bij cursussen of studies die binnen de onderneming worden verzorgd, zal vaak moeilijker zijn vast te stellen wat de kosten en lasten daarvan zijn, dan bij cursussen die door derden worden gegeven. Daarom is in het vierde lid opgenomen dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de aan scholing toe te rekenen kosten van door de belastingplichtige zelf verzorgde scholing en van de verdeling daarvan over personen tot en met 40 jaar respectievelijk ouder dan 40."

4.2. In de Toelichtende nota bij de Ministeriële regeling van 18 december 1997, nr. WDB97/551, Stcrt. 1997, nr. 246, is gesteld: "Bij cursussen, opleidingen of studies die binnen de onderneming worden verzorgd, zal het vaak moeilijker zijn vast te stellen wat de kosten en lasten daarvan zijn, dan bij cursussen die door derden worden gegeven. Daarom is in artikel 11c, vierde lid, van de wet voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling hieromtrent regels te stellen. Het nieuwe artikel 3b van de uitvoeringsregeling geeft daaraan uitvoering."

4.3. Uit de genoemde passages uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bedoeld heeft algemeen geldende regels te stellen ter zake van de bepaling van de omvang van de kosten en lasten van door de belastingplichtige zelf verzorgde scholing. Noch uit de tekst van de wet of de uitvoeringsregeling, noch uit de wetsgeschiedenis ter zake blijkt dat de wetgever bedoeld heeft die regels in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten.

4.4. Uit het eerste lid van artikel 3b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst voor het onderhavige jaar), zoals toegelicht in de Ministeriële regeling van 18 december 1997, nr. WDB97/551, Stcrt. 1997, nr. 246, volgt dat indirecte kosten en lasten, zoals bedoeld in 2.2 en 2.3, in hun geheel buiten beschouwing moeten blijven.

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de ambtenaar.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en J.C.K.W. Bartel, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 27 januari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 27 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.