Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8142

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
01/00614
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR3102
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2003/12.3
V-N 2003/37.1.11
FutD 2003-0852
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00614

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel belastingdienst Oost-Brabant van de Rijsbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 71.777,--, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.627,--.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,-- (= € 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 7 februari 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende drijft een perkplantenkwekerij. Tot het vermogen van zijn onderneming behoort een personenauto, type Volkswagen Sharon GL 2.0 (hierna: de personenauto).

2.2. Belanghebbende heeft de personenauto in 1997 aangeschaft voor ƒ 43.601,--. De catalogusprijs van de personenauto bedraagt ƒ 60.990,--.

2.3. In het kader van de winstberekening over 1997 heeft belanghebbende de aanschafprijs van de personenauto tot een bedrag van ƒ 43.600,-- afgeboekt op een vervangingsreserve. Zodoende had de personenauto bij aanvang van 1988 een boekwaarde van ƒ 1,--.

2.4. In zijn aangifte over 1998 heeft belanghebbende de op de voet van artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) te berekenen kosten die geacht worden niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming becijferd op ƒ 5.535,--. Dit bedrag komt overeen met het totaal van de werkelijke aan het houden van de personenauto verbonden kosten van brandstof, onderhoud, verzekering en motorrijtuigenbelasting.

2.5. Bij de aanslagregeling en in bezwaar heeft de Inspecteur de op de voet van voornoemd artikel 42, lid 2, te becijferen kosten gesteld op 20 percent van de catalogusprijs, zijnde ƒ 12.198,--. Hij heeft zich daarbij, blijkens de motivering van de uitspraak op het bezwaar, op het standpunt gesteld dat, uitgaande van een normale afschrijving, de werkelijk kosten verbonden aan de personenauto meer hebben bedragen dan ƒ 12.200,--.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of bij toepassing van artikel 42, lid 2, van de Wet, de aan het houden van de personenauto verbonden kosten moeten worden berekend met inachtneming van een afschrijving op basis van de werkelijke aanschafprijs, hetgeen de Inspecteur betoogt, of op basis van de aanschafprijs na afboeking op een vervangingsreserve, hetgeen belanghebbende voorstaat.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Voor het geval de Inspecteur gelijk heeft, erken ik dat de werkelijke kosten, inclusief een normale afschrijving op de aanschafprijs, hoger zijn dan het forfait. Ik heb geen behoefte aan het inbrengen van een alternatief afschrijvingssysteem dat wellicht tot een zodanig lage afschrijving leidt dat het forfait te hoog zou zijn. Overigens wordt hiermee wel de onwenselijkheid en onuitvoerbaarheid van de door de Inspecteur bepleite uitleg van het arrest van de Hoge Raad van 17 maart 1993, BNB 1993/166, aangetoond. In feite wil hij dat er naast de normale afschrijving extra-comptabel een apart afschrijvingssysteem per personenauto wordt gekozen en gevoerd voor de toepassing van artikel 42. Je krijgt dan dat de ondernemer voor de winstberekening zo snel mogelijk wil afschrijven en voor de toepassing van artikel 42 misschien wel zo langzaam mogelijk.

Het standpunt van de inspecteur dat de vervangingsreserve ook veroorzaakt wordt door een incidentele verkoopwinst, die niets met de kosten van de auto te maken heeft, is naar mijn idee onjuist. Een vervangingsreserve is ontstaan doordat in het verleden te veel op een voorafgaand bedrijfsmiddel is afgeschreven. Daardoor zijn mogelijk ten aanzien van de voorafgaande personenauto de op de voet van artikel 42, lid 2, niet aftrekbare kosten, op een te hoog bedrag gesteld. Dat wordt nu weer door de vervangingsreserve teruggedraaid.

De Inspecteur

De Hoge Raad heeft in het arrest BNB 1993/166 duidelijk gemaakt dat de aanwezigheid van een incidentele bate geen aanwijzing inhoudt dat de kosten van het privé-gebruik dienovereenkomstig beperkt zijn gebleven. Ik zie geen verschil tussen een incidentele bate die ontstaat door de verkoop van de auto waarvoor de bijtelling geldt en een incidentele bate die ontstaat door de verkoop van een ander bedrijfsmiddel. Als de verkoopwinst van de auto waarvan de kosten moeten worden berekend al in een te ver verband tot de werkelijke kosten van die auto staan, dan geldt dat a fortiori voor de boekwinst die is behaald bij de verkoop van een ander bedrijfsmiddel. Overigens is de vervangingsreserve in het onderhavige geval voor het grootste gedeelte ontstaan door een verkoop ter voorkoming van gerechtelijke onteigening. Er is hier dus voor het grootste deel geen relatie met een te hoge afschrijving op een voorgaande personenauto.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 54.014,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 42, lid 2, van de Wet worden bij het bepalen van winst uit onderneming de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste twintig percent van de catalogusprijs van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming.

4.2. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 17 maart 1993, BNB 1993/166, moet in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de aan het houden van een personenauto verbonden kosten in de hiervoor bedoelde zin in enig jaar niet hoger kunnen worden gesteld dan de in dat jaar te dezer zake werkelijk gemaakte kosten, doch dat dit niet zover strekt dat, indien in dat jaar bij de vervreemding van de auto een boekwinst tot uitdrukking komt, bij de toepassing van deze regel het bedrag van de boekwinst op de kosten in mindering dient te worden gebracht, aangezien de aanwezigheid van een dergelijke incidentele bate geen aanwijzing inhoudt dat de kosten van het privé-gebruik dienovereenkomstig beperkt zijn gebleven.

4.3. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat hetgeen blijkens voornoemd arrest geldt voor de boekwinst bij vervreemding van de desbetreffende personenauto, a fortiori heeft te gelden voor in een vervangingsreserve opgenomen boekwinst die is behaald bij vervreemding van een ander bedrijfsmiddel. Deze laatste boekwinst houdt geen enkele aanwijzing in dat de kosten van het privé-gebruik van de personenauto dienovereenkomstig beperkt zijn gebleven. Het praktische bezwaar dat belanghebbende tegen het standpunt van de Inspecteur heeft ingebracht, namelijk dat de ondernemer in voorkomende gevallen een extra-comptabele afschrijvingsstaat van de personenauto moet bijhouden, acht het Hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

4.4. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Diens uitspraak moet in stand blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, voorzitter, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 21 maart 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 21 maart 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.