Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8036

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
98/04376
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR5979
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 926 met annotatie van Alink
FutD 2003-0862
V-N 2003/28.1.8

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/04376

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (België), met gekozen domicilie te P, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag is opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van fl. 159.555,=, met een belastingvrije som van fl. 7.102,= en geheel belast naar een tarief van 10%. Na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze aanslag bij uitspraak van 17 juli 1998 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 4 april 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft tijdens deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Voorts heeft belanghebbende tijdens deze mondelinge behandeling een kopie overgelegd van de door hem voor het onderhavige jaar gedane aangifte voor de inkomstenbelasting, met twee bijlagen.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende - geboren in 1941, in het bezit van uitsluitend de Duitse nationaliteit en gedurende het onderhavige jaar ongehuwd - heeft zich omstreeks 1992 vanuit Nederland metterwoon in België gevestigd. Ook gedurende het gehele onderhavige jaar was hij aldaar woonachtig.

2.2. Belanghebbende bezit sedert 1995 een tot zijn privé-vermogen behorende vordering op de te A gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B B.V. (hierna: de vennootschap). Deze vordering bedroeg per 1 januari 1997 fl. 2.277.938,= en per 31 december 1997 fl. 1.518.873,=. Belanghebbende heeft ter zake van deze vordering in het onderhavige jaar (1997) een bedrag aan rente genoten ter grootte van fl. 159.555,=.

2.3. Een dochter van belanghebbende bezit middellijk 16 2/3 percent van de aandelen in de vennootschap. Belanghebbende heeft direct noch indirect aandelen in de vennootschap.

2.4. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur zich in afwijking van de door belanghebbende gedane aangifte op het standpunt gesteld dat de onder 2.2 vermelde rente op grond van het bepaalde in artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 4°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997; hierna: de Wet) tot het binnenlandse onzuivere inkomen van belanghebbende behoort. In verband hiermede heeft hij belanghebbendes belastbaar binnenlands inkomen vastgesteld op fl. 159.555,=, welk bedrag hij, na aftrek van de belastingvrije som, geheel heeft belast naar het in artikel 11, § 2, van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1970, vermelde percentage van 10.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de vraag of de Inspecteur de onder 2.4 vermelde rente terecht tot belanghebbendes binnenlands onzuiver inkomen heeft gerekend, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door hem ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten bepleit, doch hebben bij die gelegenheid geen nieuwe argumenten aangevoerd.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zijn aan het slot van de motivering van het beroepschrift van 23 oktober 1998 gedane verzoek de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding, inhoudt dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten van de hem in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen tarief.

De Inspecteur heeft verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en - naar het Hof begrijpt - tot vernietiging van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 4°, van de Wet behoort tot het binnenlandse onzuivere inkomen hetgeen een niet in Nederland wonende persoon geniet als zuivere inkomsten uit schuldvorderingen ten laste van een in Nederland gevestigde vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, indien de genieter in de vennootschap een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang heeft in de zin van artikel 20a van de Wet.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 20a, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet worden tot het vermogen van een belastingplichtige behorende schuldvorderingen op een vennootschap waarin hij geen, doch zijn echtgenoot of een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn wel een aanmerkelijk belang heeft, ten aanzien van de belastingplichtige geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren.

4.3. Gelet op hetgeen in 2.3 is vermeld, heeft een dochter van belanghebbende ingevolge het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, van artikel 20a van de Wet (middellijk) een aanmerkelijk belang in de vennootschap. Dit brengt, gelet op het bepaalde in het vijfde lid van dat artikel, met zich dat belanghebbendes onder 2.2 vermelde vordering op de vennootschap ten aanzien van belanghebbende wordt geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren.

4.4. Met betrekking tot artikel 20a, vijfde lid, van de Wet heeft de Staatssecretaris van Financiën, in zijn hoedanigheid van medewetgever, in het kader van de totstandkoming van deze bepaling het volgende verklaard (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997,

24 761, nr. 7, blz. 60):

"Ingevolge artikel 20a, vijfde lid, wordt, kort gezegd, de houder van een schuldvordering of koopoptie als aanmerkelijk-belanghouder aangemerkt indien een lid van de familiegroep een aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft. De leden van de VVD-fractie vragen of deze bepaling doorwerkt naar artikel 24, vierde lid, en artikel 49, eerste lid, onderdelen b en c. 4°, van de Wet IB 1964 en naar artikel 10, derde lid, van de Wet LB 1964.

Ik beantwoord deze vraag bevestigend. In voornoemde bepalingen wordt in zijn algemeenheid verwezen naar het begrip «aanmerkelijk belang» en niet naar het aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a, derde lid.".

4.5. Gelet op deze verklaring is het Hof van oordeel dat belanghebbende naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever voor de toepassing van het bepaalde in artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 4°, van de Wet geacht moet worden in de vennootschap een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 20a van de Wet te hebben.

4.6. Het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2000, BNB 2001/189, doet aan het vorenstaande niet af. Blijkens de door de Hoge Raad in voornoemd arrest vermelde wetsgeschiedenis staat bij de buitenlandse belastingplicht van degenen die een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap hebben, centraal de sterke economische binding met Nederland die voortvloeit uit het bezit van een aanmerkelijk belang. In het onderhavige geval heeft niet belanghebbende, maar zijn dochter aandelen in de vennootschap. Uit de onder 4.4 weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de omstandigheid dat belanghebbendes dochter een aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft, voldoende heeft geacht om aan te nemen dat voor belanghebbende, ook al heeft deze zelf geen aandelen in de vennootschap, uit het bezit van een schuldvordering op de vennootschap een sterke economische binding met Nederland voortvloeit.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is en bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 27 februari 2003 door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en J.L.H.M. Adelmeijer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 27 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.