Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7980

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
02/01525
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 860

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01525

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het verzet van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van de tweede enkelvoudige Belastingkamer van dit Hof d.d. 2 augustus 2002 op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid Particulieren te P van de rijksbelastingdienst op het bezwaarschrift betreffende de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor de jaren 1998 en 1999.

De behandeling van het verzet

De mondelinge behandeling van het verzet heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 8 januari 2003 te Eindhoven. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende

De gronden

1. Bij voornoemde uitspraak van het Hof van 2 augustus 2002 is belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep verklaard op grond van de overweging dat het beroepschrift naar de eisen van de wet (artikel 6:5 van de Awb) niet volledig is omdat het niet de gronden van het beroep bevat. De belanghebbende is tegen deze uitspraak tijdig in verzet gekomen.

2. De belanghebbende heeft in zijn verzetschrift bestreden dat het beroepschrift naar de eisen van de wet niet volledig was omdat het niet de gronden van het beroep bevat. De belanghebbende stelt dat hij wél binnen de door het Hof gestelde termijn gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het beroep van de gronden te voorzien.

3. Gelet op de brief van de belanghebbende met dagtekening 5 juni 2002, binnen gekomen ter griffie van het Hof op 11 juni 2002, waarin de belanghebbende stelt dat zijn bezwaarschrift d.d 18 december 2001 tijdig moet ontvangen zijn geweest, is het Hof van oordeel dat de belanghebbende wél de op grond van artikel 6:5 van de Awb vereiste gronden bevat. Derhalve is het Hof van oordeel dat de belanghebbende wel ontvankelijk in zijn beroep dient te worden verklaard.

4. Voorts overweegt het Hof dat het bezwaarschrift van de belanghebbende met dagtekening 18 december 2001 eerst op 29 januari 2002 bij de Inspecteur is binnengekomen. De aanslag is opgelegd met dagtekening 12 oktober 2001. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb zes weken; deze termijn eindigde derhalve op 25 november 2001. Het bezwaarschrift is derhalve niet tijdig ingediend.

5. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kan dan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Nu geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur de belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. Op grond van het voorgaande moet het verzet gegrond worden verklaard. Ingevolge artikel 8:55, zevende lid van de Awb dient alsdan het onderzoek te worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Gezien het overwogene onder 5 is het Hof van oordeel, dat de voortzetting van het onderzoek niet nodig is en zal het Hof het beroep van de belanghebbende op grond van artikel 8:54, eerste lid onderdeel b van de Awb alsnog kennelijk ongegrond verklaren.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

De beslissing

Het Hof:

- verklaart het verzet gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, en

- verklaart het beroep van de belanghebbende kennelijk ongegrond.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 21 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.