Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7978

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
02/00668
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 915 met annotatie van Van de Merwe
FutD 2003-0854

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/00668

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y te België (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 13 december 2001 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

De belanghebbende heeft over het jaar 2000 een aangifte inkomstenbelasting ingediend naar een belastbaar inkomen van fl. 23.540,=. De Inspecteur heeft aan de belanghebbende vervolgens een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2000 opgelegd met dagtekening 24 juli 2001. De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen verhoogd met fl. 27.328,= tot fl. 50.868,=. De belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar aangetekend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2001 de aanslag gehandhaafd.

De belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaarschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een recht geheven van € 29,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden met gesloten deuren, ter zitting van het Hof van 30 augustus 2002 te Tilburg. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 13 augustus 1952 te A. De belanghebbende was gehuwd van 21 oktober 1976 tot 5 augustus 1994 met mevrouw B, geboren op 5 maart 1956. De belanghebbende was in het onderhavige jaar werkzaam als douaneambtenaar voor het Ministerie van Financiën. Uit dien hoofde genoot de belanghebbende een fiscaal loon van fl. 70.968,= over 1996 en fl. 73.542,= over 1997.

2.2. De belanghebbende was in de periode van 11 april 1994 tot 15 juli 1997 woonachtig aan de C straat 1 te A. De op dit adres gelegen woning werd door de belanghebbende gehuurd. Op dit adres was in de periode 19 januari 1996 tot 22 juli 1997 tevens ingeschreven bij de basisadministratie persoonsgegevens de heer D (hierna: C), geboren op 15 oktober 1971 te D (Suriname). Vanaf 30 maart 1999 heeft de belanghebbende een gezamenlijke huishouding gevoerd met de heer E, geboren 5 oktober 1963.

2.3. Op 15 januari 1996 hebben C en de belanghebbende een huurovereenkomst getekend, waarbij C een deel van de woning van de belanghebbende huurde.

2.4. In een op 20 november 1996 verleden notariële akte hebben C en de belanghebbende een samenlevingskontrakt vastgelegd. In deze akte is onder meer opgenomen:

'De comparanten verklaarden dat zij ongehuwd zijn, sinds negentien januari negentienhonderdzesennegentig samenwonen en sedertdien een gezamenlijke huishouding voeren.

(...)

ARTIKEL 1. 1. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

(...)

ARTIKEL 2. 1. Tussen partijen bestaat geen gemeenschap van goederen behoudens de mogelijkheid, dat goederen in mede-eigendom worden verworven krachtens een rechtshandeling welke door hen gezamenlijk werd verricht.

(...)

ARTIKEL 3. Behoudens het hierna in artikel 4 bepaalde worden de schulden van partijen gedragen door degene die deze doen heeft ontstaan.

ARTIKEL 4. Een partij behoeft schriftelijke toestemming van de wederpartij voor overeenkomsten tot vervreemding, bezwaring, bewaring of ingebruikgeving - en handelingen tot beëindiging van het gebruik - van een door partijen tezamen bewoonde woning of van zaken die behoren bij een zodanige bewoning of tot de inboedel, een en ander opgevat in de zin van artikel 5 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

(...)

ARTIKEL 5. 1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, opgevat in de zin van artikel 84 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, daaronder begrepen de kosten van huisvesting, waaronder mede te verstaan de rente van leningen of kredieten bestemd voor de financiering van de door partijen gezamenlijk bewoonde woning en van - voor gezamenlijke rekening - aangekochte gemeenschappelijke zaken, worden voldaan uit de netto-inkomens van partijen naar evenredigheid daarvan; voorzover deze netto-inkomens ontoereikend zijn, worden de kosten voldaan uit ieders netto vermogen naar evenredigheid daarvan.

(...) ARTIKEL 9. 1. Indien deze overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging, zijn partijen verplicht er aan mee te werken dat iedere partij tot zich kan nemen de zaken die privé-eigendom zijn en dat aan iedere partij worden toegedeeld de zaken die zij heeft aangebracht. De overige gemeenschappelijke zaken zullen zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld, evenals de gezamenlijke bank- of girorekening ter betaling van de kosten van de huishouding. Tevens zal een regeling moeten worden getroffen voor de gezamenlijk aangegane schulden.

(...).'.

2.5. In de periode van 19 januari 1996 tot en met 20 mei 1997 genoot C een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet van de gemeente A. Bij besluit van 4 februari 1998 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente A (hierna: de gemeente) besloten om de bijstandsuitkering van C over periode van 19 januari 1996 tot en met 20 mei 1997 te herzien en over te gaan tot terugvordering van een bedrag van fl. 27.327,22. Daarbij is overwogen dat de belanghebbende en C in die periode een gezamenlijke huishouding voerden en de belanghebbende beschikte over een inkomen hoger dan de bijstandsnorm voor een echtpaar, zodat C over die periode, gelet op het bepaalde in artikel 26 van de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW), geen recht op bijstand had.

2.6. De belanghebbende heeft bij brief van 4 maart 1998 bezwaar gemaakt tegen bovengenoemd besluit van de gemeente. Bij besluit van 31 maart 1999 heeft de gemeente het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft de belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 17 december 1999 het beroep ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat de belanghebbende terecht ingevolge artikel 84 ABW hoofdelijk aansprakelijk is gesteld. Op 8 maart 2000 heeft de belanghebbende het door de Gemeente teruggevorderde bedrag ten bedrage van fl 27.327,22 betaald.

2.7. Artikel 3 ABW luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'(...) 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

(...)

3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

(...)

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.'

2.8. Artikel 4 ABW luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt: 'In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

c. gezin:

1°. de gehuwden tezamen; (...).'.

2.9. Artikel 7 ABW luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt: '1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege. (...).'.

2.10. Artikel 13 ABW luidt als volgt: '1. Burgemeester en wethouders stemmen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.

2. Ten aanzien van de personen die een gezin vormen stemmen burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.

3. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.

4. Van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van een of meer van de daar bedoelde personen afwijken indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is.'.

2.11. Artikel 84 ABW luidt als volgt: '1. Indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, is verleend worden voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen.

2. Indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 65 niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de personen met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.'.

2.12. Artikel 93 ABW luidt als volgt: 'Kosten van bijstand worden tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald:

a. op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt;

b. op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;

(...).'.

2.13. De Hoge Raad der Nederlanden heeft in zijn arrest van 27 september 1989, nummer 24 297, onder andere gepubliceerd in BNB 1990/61* onder meer het volgende overwogen:

'(...)4.5. Bij de beantwoording van de vraag of toepassing van genoemde wetsbepalingen een door het IVBPR verboden ongelijke behandeling oplevert als hiervoor bedoeld, moet worden vooropgesteld dat het Verdrag niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die ongelijke behandeling welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van het Verdrag als gelijk moeten worden beschouwd, en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

5. Wetsgeschiedenis

5.1. Voor de behandeling van het middel is van betekenis, op welke gronden de wetgever gehuwde mannen ten opzichte van gehuwde vrouwen, onderscheidenlijk niet duurzaam gescheiden levende gehuwden ten opzichte van ongehuwd samenlevenden in fiscaal opzicht heeft willen behandelen op de wijze als in de eerste twee leden van artikel 5 (tekst 1981) geregeld.

(...)

7. Toetsing aan artikel 26 IVBPR; gehuwde tegenover ongehuwde belastingplichtigen die een gezamenlijke huishouding voeren

7.1. Voor wat betreft de vraag of toepassing van artikel 5, leden 1 en 2 (tekst 1981) van de Wet met artikel 26 IVBPR in strijd is omdat die wetsbepalingen gehuwden ongunstiger behandelen dan ongehuwde belastingplichtigen die een gemeenschappelijke huishouding voeren, heeft het volgende te gelden.

7.2. Gelijk hiervoor reeds overwogen, is de wetgever bij het tot stand brengen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, alsook bij de wijziging ervan met ingang van 1973, uitgegaan van de gedachte dat niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten in fiscaal opzicht een economische eenheid vormen, en samentelling van hun inkomens gerechtvaardigd wordt door de omstandigheid dat de draagkracht van een echtpaar bepaald wordt door het gezamenlijke inkomen.

Toen het IVBPR op 11 maart 1979 voor Nederland van kracht werd, stond de wetgever voor de vraag of, gelet op artikel 26 van dit Verdrag, dat uitgangspunt nog wel kon worden gehandhaafd. Te verdedigen viel immers dat zulks een door genoemd verdragsartikel niet geoorloofde ongelijke behandeling zou opleveren van gehuwden ten opzichte van andere personen wier draagkracht, evenals die van gehuwden, in gunstige zin wordt beïnvloed doordat zij met een ander een gezamenlijke huishouding voeren, terwijl naar het oordeel van de wetgever aan dit bezwaar niet kon worden tegemoetgekomen door het stelsel van samentelling tot laatstbedoelde categorie van personen uit te breiden, omdat dit praktisch niet realiseerbaar en in vele gevallen onverantwoord zou zijn, alsmede de belastingdienst bij controle voor grote problemen zou stellen.

Bij de beoordeling van dit een en ander dient in aanmerking te worden genomen dat, gelet op de door het Burgerlijk Wetboek aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen - met name de verplichting elkaar het nodige te verschaffen, en, in geval van echtscheiding, de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud - de huwelijksband een hechtere economische eenheid in het leven roept dan de eenheid welke ontstaat indien niet met elkaar gehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren. Op grond hiervan kon de wetgever in redelijkheid oordelen dat gehuwde en ongehuwd samenwonende belastingplichtigen niet als in alle opzichten gelijk vielen te beschouwen, en kon hij derhalve het stelsel van samentelling van de inkomens van gehuwden, zoals dat sedert 1973 gold, handhaven zonder in strijd met artikel 26 IVBPR te komen.

Aan het vorenstaande doet niet af dat de wetgever - niet om bepaalde verschillen in fiscale behandeling tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden weg te nemen, doch ter verwezenlijking van het beginsel van de fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw - de sedert 1973 voor wat betreft het inkomen uit tegenwoordige arbeid bestaande uitzondering op het beginsel van samentelling met ingang van het jaar 1984 heeft uitgebreid tot een aantal andere inkomensbestanddelen. De wetgever kon voor wat betreft de niet tot het persoonlijke arbeidsinkomen behorende inkomensbestanddelen in redelijkheid het beginsel van samentelling handhaven op grond van de overweging dat, gelet op de hiervoor aangeduide verschillen in juridische positie, gehuwden een hechtere economische eenheid vormen dan niet met elkaar gehuwde personen die een gezamenlijke huishouding voeren, zodat zij niet in alle opzichten met laatstbedoelde categorie op een lijn behoeven te worden gesteld.

(...)

8. Toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

De vraag of het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 2 (tekst 1981) van de Wet buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol, moet ontkennend worden beantwoord. Laatstgenoemd artikel gaat uit van de gedachte dat de verdragsluitende staten bevoegd zijn belastingen te heffen, mits daarbij de in het Verdrag gegarandeerde rechten worden gerespecteerd. Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 2 (tekst 1981) van de Wet in verband met het in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR neergelegde gelijkheidsbeginsel strijdig is met artikel 1 van meergenoemd Protocol, mist dit betoog zelfstandige betekenis naast belanghebbendes beroep op artikel 26 IVBPR.

Ook in zoverre faalt het middel derhalve. (...).'.

2.14. De belanghebbende heeft over het jaar 2000 een aangifte inkomstenbelasting ingediend naar een belastbaar inkomen van fl. 23.540,=.

2.15. De Inspecteur heeft aan de belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2000 opgelegd met dagtekening

24 juli 2001. De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen verhoogd met fl. 27.328,= tot fl. 50.868,=.

2.16. Bij schrijven van 30 augustus 2001, heeft de belanghebbende tegn de aanslag van de Inspecteur bezwaar aangetekend.

2.17. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 13 december 2001, heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het door de belanghebbende betaalde bedrag van fl. 27.328,= in verband met een door de gemeente ten onrechte aan C verstrekte bijstandsuitkering, in aftrek kan worden gebracht op belanghebbendes inkomen. De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.1.2. Indien het vorenstaande geschil in het voordeel van de Inspecteur moeten worden beantwoord is niet in geschil dat het belastbaar inkomen fl. 50.868,= bedraagt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3 Ter zitting hebben beide partijen hieraan het volgende toegevoegd.

De belanghebbende

Naar mijn oordeel wordt in de fiscale wetgeving in het onderhavige jaar een relatie van mensen met gelijk geslacht gediscrimineerd. Dit is niet geoorloofd op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Er wordt uitdrukkelijk een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 3 en verder van Boek 3 en voorts Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Voorts wordt door de belanghebbende aanspraak gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de aan de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Inspecteur

Nogmaals wordt benadrukt, dat de belanghebbende géén uitkeringsgerechtigde is.

Er is geen onderscheid tussen de fiscale behandeling van ex-samenwoners in een heterosexuele relatie en van ex-samenwoners in een homosexuele relatie.

4. Conclusies van partijen.

De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van fl. 23.540,=. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof stelt voorop, dat de aftrek als persoonlijke verplichting ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel e Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) betreft de krachtens hoofdstuk VII van de ABW op de belastingplichtige verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of de gewezen echtgenoot. Hierbij gaat het om verhaal van kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of de gewezen echtgenoot na beëindiging van het huwelijk. Na beëindiging van het huwelijk geldt ingevolge titel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in bepaalde gevallen een onderhoudsplicht van ene echtgenoot ten aanzien van de duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of de gewezen echtgenoot na beëindiging van het huwelijk. Een dergelijke plicht geldt eveneens na beëindiging van een geregistreerd partnerschap ingevolge titel 5A van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl ingevolge artikel 2, vijfde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de beëindiging van een geregistreerd partnerschap dezelfde rechtsgevolgen worden verbonden als aan de beëindiging van een huwelijk.

5.2. De aftrek op de voet van artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel e Wet IB 1964 ziet slechts op de situatie, dat na beëindiging van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap niet wordt voldaan door de ex-echtgenoot of de ex-partner aan zijn uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeiende onderhoudsverplichting en dientengevolge aan de andere ex-echtgenoot of ex-partner een uitkering ingevolge de ABW moet worden verstrekt, die op grond van hoofdstuk VII van de ABW op eerstgenoemde ex-echtgenoot of ex-partner wordt verhaald.

5.3. De belanghebbende was geen geregistreerd partnerschap aangegaan met C. De door de belanghebbende op 8 maart 2000 betaalde fl. 27.327,22 betrof een, volgens de uitspraak van de rechtbank d.d. 17 december 1999, ten onrechte door C genoten bijstandsuitkering over de periode 19 januari 1996 tot en met 20 mei 1997, in welke periode de belanghebbende volgens eerder genoemde uitspraak van de rechtbank met C samenwoonde en met hem een gezamenlijke huishouding voerde. Aldus betreft het door de belanghebbende betaalde bedrag niet op hem op de voet van hoofdstuk VII van de ABW verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

5.4.1. De belanghebbende is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het bedrag van fl. 27.327,22 op de voet van hoofdstuk VI van de ABW, meer in het bijzonder op grond van artikel 84 ABW, terwijl het vorenbedoelde bedrag niet verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud betreft na beëindiging van de samenwoning en het voeren van een gezamenlijke huishouding.

5.4.2. Het geval van de belanghebbende is dan ook niet vergelijkbaar met het geval, dat wordt geregeld door artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel e Wet IB 1964.

5.4.3. Zelfs indien het geval van de belanghebbende wél vergelijkbaar zou zijn met het in artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel e Wet IB 1964 geregelde geval, quod non, dan is het Hof van oordeel, dat, mede gelet op onder meer de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 september 1989, nummer 24 297, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/61*, van 11 maart 1998, nummer 33 086, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/121 en van 21 februari 2001, nummer 34 685, BNB 2001/176*, de wetgever in redelijkheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig heeft kunnen achten in verschillen tussen gehuwden en geregistreerde partners enerzijds en (samenwonende) ongehuwden anderzijds. Van strijd met het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in het bijzonder artikel 26, is dan ook geen sprake.

5.4.4. De door de belanghebbende gestelde strijd met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) faalt, gelet op de beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 12 juli 2001, nummer 44759/98, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/44.5 en het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 26 april 2002, nummer 37 229, onder meer gepubliceerd in V-N 2002/23.5, nu de onderhavige aanslag, waarbij van de belanghebbende inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen worden geheven, niet is aan te merken als een "determination of his civil rights and obligations" als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

5.5. De belanghebbende heeft gesteld, dat zijn geval, een samenwoning van twee mensen van het gelijke geslacht, ongelijk wordt behandeld ten opzichte van een samenwoning van twee mensen van verschillend geslacht. Deze stelling ontbeert feitelijke grondslag, nu ook in geval van beëindiging van een samenwoning van twee mensen van verschillend geslacht, waarbij de één ingevolge artikel 84 ABW hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor door de ander gedurende de periode van de samenwoning ten onrechte genoten bijstandsuitkering, de uit hoofde van die aansprakelijkheid betaalde bedragen niet op de voet van artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel e Wet IB 1964 in aftrek kunnen worden gebracht.

5.6. De belanghebbende heeft zich beroepen op door het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 september 1999, V-N 1999/47.12 opgewekt vertrouwen. Gelet op onder meer artikel 13, derde lid ABW was de belanghebbende zelf niet gerechtigd tot een uitkering ingevolge de ABW. De belanghebbende is ingevolge het eerste lid van artikel 84 ABW slechts belanghebbende voor de toepassing van § 2 van hoofdstuk VI van de ABW. Anders dan punt 5 in vorenbedoeld besluit betreft het door de belanghebbende betaalde bedrag van fl. 27.327,22 niet de terugvordering van een eerder door hem genoten bijstandsuitkering, maar betreft het daarentegen een door C, volgens de rechtbank in de uitspraak d.d. 17 december 1999, ten onrechte genoten bijstandsuitkering, voor welk bedrag de belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk is gesteld. De belanghebbende kan zich derhalve niet met vrucht beroepen op door vorengenoemd besluit opgewekt vertrouwen.

5.7. De belanghebbende heeft zich beroepen op door de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 25 maart 1985, onder meer gepubliceerd in V-N 1985, blz. 761 opgewekt vertrouwen en de belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat hij zich op grond van het gelijkheidsbeginsel kan beroepen op voornoemde resolutie. Het Hof is van oordeel, dat deze resolutie slechts een praktische regeling bevat met betrekking tot de verdeling van door ongehuwd samenwonenden door ieder in aftrek te brengen renten van schulden terzake van een eigen woning, die ingevolge artikel 42a Wet IB 1964 aftrekbaar zijn. De vorenbedoelde resolutie bevat geen goedkeuring, waarbij een volgens de Wet IB 1964 niet-aftrekbare uitgave in aftrek wordt toegelaten. In het geval van de belanghebbende gaat het om een betaling van een bedrag van fl. 27.327,22, dat niet op de voet van artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel e Wet IB 1964 in aftrek kan worden gebracht. Het Hof merkt voorts op dat, wil in het onderhavige geval sprake zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel, zal moeten blijken dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het Hof is van oordeel dat, nu de belanghebbende, gelet op onder meer artikel 13, derde lid ABW, de aan C over de periode 19 januari 1996 tot en met 20 mei 1997 toegekende bijstandsuitkering niet heeft genoten, terwijl ex artikel 42a, zesde lid Wet IB 1964 het zogenaamde huurwaardeforfait bij mede-eigendom bij ieder van de ongehuwd samenwonenden in aanmerking wordt genomen voor het aan ieder toe te rekenen deel, de door de belanghebbende gestelde gevallen niet aan elkaar gelijk zijn. De belanghebbende kan zich niet met vrucht beroepen op een door de vorenbedoelde resolutie opgewekt vertrouwen en hij kan zich evenmin met vrucht beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel.

5.8. Voor zover de belanghebbende bedoeld heeft te stellen, dat het door hem betaalde bedrag ad fl. 27.327,22 op de voet van artikel 35 Wet IB 1964 in aftrek dient te komen overweegt het Hof, dat de belanghebbende, gelet op onder meer artikel 13, derde lid ABW, de door C over de periode 19 januari 1996 tot en met 20 mei 1997 verkregen bijstandsuitkering niet heeft genoten. Dientengevolge is vorenbedoeld bedrag niet aan te merken als op door de belanghebbende genoten inkomsten drukkende kosten tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten.

5.9. De belanghebbende heeft gesteld, dat de redelijkheid en billijkheid aftrek van het bedrag ad fl. 27.327,22 met zich brengen. Hiertoe overweegt het Hof, dat ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) het Hof in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

5.10. Gelet op al het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil, dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 11 februari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 11 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.