Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7965

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
00/01518
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01518

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer A voor het jaar 1994 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 66.407,-- (hierna: de navorderingsaanslag), zonder boete. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag tijdig bezwaar ingediend. Bij uitspraak van 31 maart 2000 heeft de Inspecteur besloten de navorderingsaanslag te handhaven.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,-- (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 30 oktober 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij de pleitnota van de Inspecteur behorende bijlagen.

Van de zitting is op de voet van bepaalde in artikel 8:61, derde lid, van de Awb een proces-verbaal opgemaakt, dat in kopie aan deze uitspraak is gehecht.

Op verzoek van belanghebbende is op de voet van artikel 8:60, vierde lid van de Awb, na daartoe tijdig bij faxbericht van 23 oktober 2002 mededeling te hebben gedaan aan het Hof en de Inspecteur, dhr. B ter zitting als getuige verschenen en gehoord. De verklaringen van de getuige zijn opgenomen in voornoemd proces-verbaal van de zitting.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. In 1990 hebben belanghebbende en zijn echtgenote ieder een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, polisnummers resp. C en D, (hierna: de verzekeringen), gesloten bij E N.V. F (hierna: E). De ingangsdatum van de verzekeringen is door E gesteld op 1 oktober 1990. Op de polissen staat als datum van afgifte vermeld 25 oktober 1990. Daaraan voorafgaand is door tussenkomst van assurantiekantoor G, door middel van een tweetal in te vullen aanvraagformulieren (hierna: de aanvraagformulieren), aanvraag gedaan voor bij E af te sluiten kapitaalverzekeringen met een lijfrenteclausule.

2.2. De aanvraagformulieren, met vermelding van datum van ondertekening 1-10-1990, zijn door voormeld assurantiekantoor overhandigd aan de inspecteur van E, de heer B (hierna: B). Hij heeft de aanvraagformulieren vervolgens persoonlijk ingeleverd bij het hoofdkantoor van E te F.

2.3. In 1997 startte de belastingdienst een onderzoek bij verzekeringsmaatschappijen, waaronder E, met betrekking tot polissen van kapitaalverzekering met lijfrenteclausule welke rond 15 oktober 1990 waren afgesloten. Doel van het onderzoek was na te gaan of de in deze polissen belichaamde verzekeringen op uiterlijk 15 oktober 1990 tot stand waren gekomen, een en ander in verband met de criteria van het nieuwe lijfrenteregime dat per 1 januari 1992 is ingegaan en de werking van artikel 75 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

2.4. Bij E gold in 1990 het systeem dat aan elk aanvraagformulier direct na binnenkomst een opvolgend nummer werd toegekend dat overeenkwam met dat van de nadien afgegeven polis; het (polis-) nummer werd toegekend vóórdat de aanvraag in behandeling werd genomen. Op de aanvraagformulieren is geen datum van binnenkomst vermeld. In verband met het ontbreken van een datum van binnenkomst op het aanvraagformulier heeft de belastingdienst het aan de onderscheidene aanvraagformulieren toegekende nummer C en D vergeleken met nummers van andere aanvraagformulieren. Deze vergelijking leverde het volgende op:

- Aan een aanvraagformulier met een datum van ondertekening van 15 oktober 1990 is nummer H toegekend en aan een aanvraagformulier met een datum van ondertekening van 16 oktober 1990 nummer I.

- Rond 15 oktober 1990 binnengekomen aanvraagformulieren voor een verzekering waarvoor geen medische acceptatie noodzakelijk was, leidden binnen enkele dagen tot afgifte van een polis.

- Tijdens het onderzoek bleek dat E vóór 15 oktober 1990 geen enkele achterstand had in de verwerking van aanvraagformulieren.

- Het aanvraagformulier met het toegekende nummer I heeft geleid tot de afgifte van de polis, met gelijkluidend polisnummer, op 19 oktober 1990. Bij laatstgenoemde polis was, evenals bij de onderhavige polis, sprake van een verzekering waarvoor geen medische acceptatie noodzakelijk was. De betreffende verzekeringnemer heeft ten overstaan van de Inspecteur verklaard de aanvraag op 16 oktober 1990 te hebben verzonden.

2.5. B heeft in oktober 1990 meerdere aanvraagformulieren van clienten van G doorgeleid naar E. Naar de Inspecteur heeft vastgesteld zijn twee van deze aanvragen, met vermelding van de datum van ondertekening 2 oktober 1990, rond 9 oktober 1990 bij E binnen gekomen. Deze aanvraagformulieren kregen de (polis)nummers J en K toegekend. Tevens is vastgesteld dat B een aanvraagformulier met een datum van ondertekening van 13 oktober 1990 voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule ten behoeve van zichzelf heeft ingeleverd; 13 oktober 1990 viel op een zaterdag. Aan dit op de afdeling personeel ingeleverde formulier is (polis-) nummer L toegekend.

2.6. De bevindingen van het onderzoek van de belastingdienst leidden tot het standpunt van de Inspecteur dat aanvraagformulieren waaraan een hoger nummer is toegekend dan H ná 15 oktober 1990 moeten zijn binnengekomen. Op deze grond concludeerde de Inspecteur dat de verzekeringen niet als onder het tot 16 oktober 1990 vigerende regime vallende kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule kunnen worden aangemerkt.

2.7. In 1999 kreeg belanghebbende van E bericht dat de belastingdienst, na onderzoek, van oordeel was dat de verzekeringen niet op uiterlijk op 15 oktober 1990 tot stand waren gekomen en derhalve onder de regels van de per 1 januari 1992 van kracht zijnde zogenoemde Brede Herwaardering vielen. Belanghebbende is niet op het, door tussenkomst van E, aan belanghebbende gedane voorstel van de Inspecteur ingegaan dat behelsde de polissen met terugwerkende kracht aan het voormelde per 1 januari 1992 vigerende regime aan te passen. Dit leidde tot het opleggen van de navorderingsaanslag, waarbij het bedrag van de door belanghebbende in het onderhavige jaar afgetrokken premies ad fl. 17.116,-- alsnog in diens inkomen werd begrepen. Voor de jaren 1995 tot en met 1997 werden eendere navorderingsaanslagen opgelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht tot het opleggen van de navorderingsaanslag is overgegaan. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2. Belanghebbende heeft zijn standpunt doen steunen op de gronden vermeld in de van hem afkomstige stukken en hij heeft daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd. Hij heeft B als getuige gehoord wiens verklaringen integraal in het proces-verbaal van de zitting zijn opgenomen.

3.3. De Inspecteur heeft zijn standpunt eveneens doen steunen op de gronden vermeld in de van hem afkomstige stukken, met dien verstande dat hij, in afwijking van het daaromtrent in zijn verweerschrift vermelde ("beschouwing", pagina 5, vierde alinea) zich nader op het standpunt heeft gesteld dat E aan belanghebbende geen offerte heeft gedaan. Hij heeft daaraan de conclusie verbonden dat de verzekeringen eerst tot stand zijn gekomen na acceptatie door E van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de respectievelijke aanvraagformulieren. Ter zitting heeft hij medegedeeld dat E vóór 15 oktober 1990 geen enkele achterstand had in de verwerking van aanvraagformulieren. Ook de Inspecteur heeft de getuige vragen gesteld welke vragen, evenals de daarop betrekking hebbende verklaringen, hun neerslag hebben gevonden in meergenoemd proces-verbaal.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. In artikel 75 van de Wet is een overgangsregeling opgenomen met betrekking tot het per 1 januari 1992 gewijzigde artikel 45 van de Wet. Op grond van artikel 75, eerste lid van de Wet blijven met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen en de daarvoor voldane premies de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van kracht, indien de aanspraak en het bedrag van de voldane premies zijn opgenomen in een op 15 oktober 1990 bestaande overeenkomst die met betrekking tot het bedrag van de premies nadien niet is verhoogd. Indien wordt vastgesteld dat uiterlijk op 15 oktober 1990 de overeenkomsten betreffende de verzekeringen tot stand waren gekomen heeft belanghebbende recht op aftrek als persoonlijke verplichting van de door hem terzake betaalde premies. Belanghebbende en de Inspecteur verschillen van mening over de vraag of recht bestaat op deze aftrek.

4.2. Een overeenkomst komt tot stand indien naar de regels van het civiele recht tussen partijen wilsovereenstemming bestaat aangaande de essentiële elementen van de overeenkomst. Hiervan is eerst sprake indien de partij die het aanbod doet, verneemt dat de tegenpartij het aanbod ten aanzien van alle wezenlijke elementen aanvaardt en daarmee alle uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen tussen partijen vaststaan. Ingeval, gelijk de Inspecteur stelt, een aanbod zijdens E ontbreekt, althans tijdens het onderzoek bij E door hem niet is aangetroffen, het in het onderhavige geval ontbreken van een verplichte medische keuring en de voorwaarden van de verzekeringen een standaardmatige karakter hebben, is het Hof van oordeel dat de overeenkomst eerst tot stand komt op het moment dat E de in de aanvraagformulieren besloten aanvraag voor de verzekeringen heeft beoordeeld en aanvaard.

4.3. De Inspecteur heeft, na kennisneming van de bevindingen van het onderzoek zoals vermeld in 2.3 tot en met 2.5 hiervoor, zich op het standpunt gesteld dat het aanvraagformulier na 15 oktober 1990 bij E moet zijn binnengekomen. Omdat de acceptatie van de aanvraag eerst plaatsvond na toekenning van een polisnummer, heeft de Inspecteur zich bovendien op het standpunt gesteld dat de overeenkomst voortvloeiend uit deze aanvraag na 15 oktober 1990 tot stand moet zijn gekomen.

4.4. Belanghebbende beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt dat de aanvraagformulieren, met vermelding van de datum van ondertekening van 1-10-1990, de verzekeraar uiterlijk op 15 oktober 1990 hebben bereikt, mede op de ter zitting afgelegde verklaringen van B die - in het kort - inhouden dat de aanvraagformulieren donderdag 11 oktober of vrijdag 12 oktober 1990 door hem persoonlijk zijn afgegeven ten hoofdkantore van E. Hij wist dit zo precies omdat hij aansluitend tot in het weekend van 20/21 oktober met (zeil)vakantie is geweest in Nederland. Op de vraag van de Inspecteur waarom zijn eigen aanvraagformulier op 13 oktober was ondertekend, terwijl hij op die dag reeds met vakantie was gegaan, bleef hij het antwoord schuldig. B kon evenmin een verhelderende verklaring geven ten aanzien van een tweetal hem door de Inspecteur getoonde brieven die door B waren geschreven en door hem waren gedagtekend 15 oktober 1990. Het Hof acht de verklaringen van B betreffende het dateren van de brieven dermate onduidelijk en in strijd met de door hem gestelde afwezigheid wegens vakantie dat het Hof, mede gelet op de feiten vermeld in 2.5, voorbijgaat aan zijn verklaringen betreffende het door hem op 11 of 12 oktober 1990 bezorgen van de aanvraagformulieren ten hoofdkantore van E. Belanghebbende noch B heeft enig nader bewijs omtrent de datum van inlevering van de aanvraagformulieren bijgebracht. Dit leidt, naar het oordeel van het Hof, tot de conclusie dat hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht van onvoldoende gewicht wordt geacht om zijn standpunt te schragen.

4.5. Indien belanghebbende bedoelt te stellen dat het in ontvangst nemen van de aanvraagformulieren door B kan worden beschouwd als het bereiken van de verzekeraar, dient dit standpunt, mede gelet op het hiervoor in 4.2 alsmede in het licht van het hierna in 4.7 overwogene, te worden verworpen. Het Hof betrekt in dit oordeel mede diens verklaring: "Ik heb geen schriftelijk stuk waaruit blijkt dat ik vertegenwoordigingsbevoegd was. In de aanstellingsbrief staat dat niet duidelijk opgenomen.". Hieruit leidt het Hof af dat B niet als een tot het sluiten van de verzekeringen gevolmachtigde tussenpersoon van E kan worden aangemerkt.

4.6. Het standpunt van belanghebbende dat sprake is van een door belanghebbende aanvaard schriftelijk aanbod van E kan hem evenmin baten reeds omdat van een dergelijk aanbod niet is gebleken. Het Hof leidt deze omstandigheid af uit een antwoord van E op een daartoe door de Inspecteur gestelde vraag: "Schriftelijke offertes worden door het hoofdkantoor vastgelegd (...)". De Inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld dat een kopie van een offerte niet was gehecht aan de aanvraagformulieren en evenmin een kopie van een offerte door hem is aangetroffen in het dossier bij de verzekeraar.

4.7. Ingeval belanghebbende bedoelt te stellen dat de aanvraagformulieren als een aanbod zijdens E kunnen worden aangemerkt en dat de invulling van de aanvraagformulieren als een aanvaarding van een aanbod en derhalve als het tot stand komen van de verzekeringen kan worden aangemerkt, dan dient deze stelling te worden verworpen reeds omdat deze berust op een onjuist juridisch uitgangspunt. Een verzekeringsovereenkomst komt niet tot stand door de invulling en verzending van een aanvraagformulier, ook niet als die aanvraag als de aanvaarding van een aanbod van de verzekeraar moet worden beschouwd, zoals belanghebbende heeft aangevoerd. Voor de totstandkoming van een verzekering is vereist dat de - volgens belanghebbende als aanvaarding van een aanbod te beschouwen - aanvraagformulieren de verzekeraar hebben bereikt (Hoge Raad 11 april 1997, nr. 16 240, NJ 1998, 111 (Bike Brothers)).

4.8. Gelet op het vorenoverwogene alsmede de feiten weergegeven in 2.4 en 2.5, concludeert het Hof dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraagformulieren E vóór 16 oktober 1990 hebben bereikt. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringen uiterlijk op 15 oktober 1990 bestonden. Van op 15 oktober 1990 bestaande overeenkomsten in de zin van artikel 75 van de Wet is derhalve geen sprake.

4.9. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.W.J. Huige, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 20 januari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 20 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.