Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7941

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
C9901041-HE2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 41 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C9901041/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 15 april 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr H.E.J.M. van Stiphout,

t e g e n:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: eerst mr M.J.J. Bogaerts-Tholen,

thans mr J.J.C.M. Groenen,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 31 juli 2001.

6. Het verdere verloop van het proces

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekt. In verband hiermee heeft [geïntimeerde] twee getuigen doen horen. Van de afgelegde verklaringen is proces-verbaal opgemaakt. Van de gelegenheid tot contra-enquête is geen gebruik gemaakt.

[geïntimeerde] heeft vervolgens bij akte drie producties in het geding gebracht en [appellant] bij akte één. [geïntimeerde] heeft daarop een antwoordakte met nog een productie genomen.

Op verzoek van [appellant] heeft vervolgens pleidooi plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten door hun raadslieden aan de hand van pleitnota's doen bepleiten, de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

7. De verdere beoordeling

7.1 In zijn antwoordakte heeft [geïntimeerde] verwezen naar HR 19 november 1993, NJ 1994, 622 (Cova). Bij pleidooi heeft hij vervolgens aangegeven dat dit arrest volgens hem in de onderhavige zaak leidt tot toepasselijkheid van Nederlands recht. Hij beoogt hiermee een incidentele grief aan te voeren tegen het tussenvonnis van 22 november 1996 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering in beginsel moet worden beoordeeld naar Indonesisch recht (r.o. 4.1 jo. 2.5). [appellant] heeft er bij pleidooi uitdrukkelijk niet mee ingestemd dat deze grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken.

7.2 Nu de incidentele grief niet tijdig is aangevoerd en de wederpartij er niet ondubbelzinnig in heeft toegestemd dat deze alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken, zal het hof de grief buiten beschouwing laten. Op de vordering is derhalve Indonesisch recht van toepassing. Ook naar het oordeel van het hof vloeit dit voort uit het Haags Verkeersongevallenverdrag.

7.3 In het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen de toedracht van het ongeval en de mate waarin [appellant] daaraan schuld heeft.

7.4 [geïntimeerde] heeft naast zichzelf [appellant] als getuige doen horen. De derde inzittende van de auto tijdens het ongeval, [derde inzittende], is door [geïntimeerde] eveneens opgeroepen, doch niet verschenen. Bij pleidooi heeft [geïntimeerde] desgevraagd laten weten geen heropening van het getuigenverhoor te wensen om deze getuige alsnog te doen horen. Door [appellant] is hier ook niet om gevraagd.

7.5 [appellant] heeft bij akte een schriftelijke verklaring van [derde inzittende], gedateerd 27 maart 2002, in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte de authenticiteit en de juistheid van deze verklaring betwist. Bij pleidooi heeft [geïntimeerde] desgevraagd laten weten de authenticiteit van de overgelegde verklaring niet langer te betwisten, zodat de inhoud ervan bij de beoordeling kan worden betrokken. Dat laatste geldt ook voor de schriftelijke verklaring van [derde inzittende] van 3 november 1993 die [geïntimeerde] bij akte heeft overgelegd.

7.6 Uit de vaststaande feiten, de afgelegde getuigenverklaringen en de overgelegde schriftelijke verklaringen van [derde inzittende] kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [appellant] tekortgeschoten is in het nemen van veiligheidsmaatregelen alvorens de manoeuvre in te zetten.

7.7 De situatie was op dat moment als volgt. [appellant] zat rechts achter het stuur, [derde inzittende] links van hem op de passagiersstoel en [geïntimeerde] lag links achterin (op dit punt verdient het tussenvonnis van 22 november 1996 onder 2.3 correctie). Rechts van de weg liep het glooiend af, links van de weg was de kant van de heuvel. De weg liep, nog steeds gezien vanuit de positie van de bestuurder, in een lichte kromming van links voor naar links achter en vertoonde een daling van 3%. De weg was ongeveer vier meter breed en was verhard met steenslag.

7.8 Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [appellant] de manoeuvre alleen veilig had kunnen inzetten, wanneer hij een van de andere inzittenden naar buiten had laten gaan om daar aanwijzingen te geven. De veiligheidsmaatregel die was getroffen, namelijk de afspraak dat zowel [appellant] als [derde inzittende] zouden opletten bij het achteruit rijden, behoeft in de gegeven situatie niet ontoereikend geacht te worden. In ieder geval kan aan [appellant] niet worden verweten dat hij geen verderstrekkende veiligheidsmaatregelen heeft genomen.

7.9 Vervolgens dient aan de orde te komen op welke wijze de manoeuvre is uitgevoerd. Het hof gaat daarbij uit van hetgeen tijdens het getuigenverhoor is verklaard, ook waar deze verklaringen afwijken van hetgeen in eerste aanleg is gesteld.

7.10 [appellant] is vanaf het midden van de weg stapvoets achteruit naar beneden gereden. [geïntimeerde] verklaart dat [appellant] daarbij niet op het ravijn heeft gelet maar met [derde inzittende] aan het praten was. Deze verklaring van [geïntimeerde] als partijgetuige staat op zichzelf en wordt niet door enig ander bewijs ondersteund. [appellant] verklaart dat [derde inzittende] en hij hebben zitten opletten en niet hebben zitten praten. Ook [derde inzittende] schrijft op 27 maart 2002 dat beiden hebben opgelet. Het hof acht dan ook niet bewezen dat [appellant] onvoldoende aandacht voor de weg heeft gehad.

7.11 Na korte tijd kwam de auto te veel naar rechts, waarvoor [derde inzittende] ook waarschuwde, waarop [appellant] wilde corrigeren. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarbij een verkeerde correctiemanoeuvre toegepast waardoor de auto van de weg raakte. Ook deze verklaring van [geïntimeerde] als partijgetuige staat op zichzelf en wordt niet door enig ander bewijs ondersteund. [appellant] heeft verklaard dat hij de auto heeft gestopt om vooruit te rijden en meer naar links te komen. Dit stoppen wordt bevestigd door de verklaring van [derde inzittende] van 27 maart 2002, die eraan toevoegt dat er op dat moment nog niets aan de hand leek te zijn. Op zich zou het te veel naar rechts komen van de auto op een stuurfout van [appellant] kunnen wijzen, maar deze is op zichzelf genomen niet als oorzaak van het ongeval te beschouwen. Daarvoor dient ook zijn reactie -stoppen om vooruit te rijden- in de overwegingen betrokken te worden en daarvan kan gezien het bovenstaande niet worden gezegd dat deze niet adequaat was.

7.12 Uiteindelijk is de auto van de weg geraakt. [geïntimeerde] wijt dit in zijn getuigenverklaring aan een stuurfout van [appellant], maar deze verklaring staat, zoals gezegd, op zichzelf. Bovendien is deze verklaring op een aantal punten weinig specifiek en eerder gebaseerd op gevoel dan op waarneming. Dat laatste is ook niet verwonderlijk gezien zijn positie in de auto en het gegeven dat hij bij de gehele manoeuvre geen rol had. In zijn getuigenverklaring noemt [appellant] het afbrokkelen van het wegdek als mogelijke oorzaak voor het feit dat de auto is gaan kantelen. De verklaring van [derde inzittende] van 27 maart 2002 sluit hierbij aan en versterkt de indruk dat er zich iets dergelijks heeft voorgedaan. In ieder geval is op grond van de afgelegde verklaringen niet bewezen dat de hierboven vermelde stuurfout van [appellant] ook de oorzaak van het ongeval is geweest. Een andere oorzaak daarvan, zoals hierboven aangegeven, is niet uit te sluiten. Enige andere fout van [appellant] is niet komen vast te staan.

7.13 Een en ander leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [appellant] ingevolge de hier toepasselijke bepaling, artikel 28 van de Indonesische Wet voor Wegverkeer en Vervoer van 12 mei 1992, voor het ongeval aansprakelijk is. De vordering van [geïntimeerde] komt reeds om deze reden niet voor toewijzing in aanmerking, zodat de grieven III, IV en V slagen. De vraag of aan [appellant] een beroep op overmacht als bedoeld in artikel 29 van deze Wet of een beroep op risicoaanvaarding toekomt, behoeft geen behandeling meer behoeft. Dat laatste geldt ook voor grief VI betreffende immateriële schadevergoeding. Voor het overige zijn door [geïntimeerde] geen feiten of omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat zijn vordering op andere grondslag toewijsbaar is.

7.14 Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot de slotsom dat het eindvonnis van 3 september 1999 vernietigd dient te worden en dat de vordering van [geïntimeerde] afgewezen dient te worden met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

8. De beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de tussenvonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 november 1996 en 20 juni 1997 (rolnummer 9300/HA ZA 94-2624);

vernietigt het eindvonnis in deze zaak van 3 september 1999 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 158,82 aan verschotten, US$ 1.100,= aan kosten deskundigenbericht en op € 2.340,= aan salaris procureur, deze bedragen op de voet van artikel 57b Rv (oud) te voldoen aan de griffier van de rechtbank te 's-Hertogenbosch;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 256,39 aan verschotten en op € 2.313,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs Meulenbroek, Begheyn en Sterk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 april 2003.