Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7502

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
18-04-2003
Zaaknummer
20.002204.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.002204.02

uitspraakdatum : 15 april 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 29 maart 2002 in de strafzaak onder parketnummer 02/080002-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof -anders dan de eerste rechter- tot een bewezenverklaring komt van beide ten laste gelegde feiten.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: PRO MEMORIE.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op [pleegdatum], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 68 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep, waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

dat hij op [pleegdatum], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 12 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. en 2. meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De politierechter heeft de verdachte van de gehele tenlastelegging vrijgesproken op de grond dat diens aanhouding onrechtmatig is geweest en aan hem te laat de cautie is gegeven.

Het hof begrijpt dat de politierechter hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen, dat als gevolg van die omstandigheden het tegen verdachte bijgebrachte bewijs onrechtmatig verkregen is, zodat deze bij gebrek aan ander bewijs moet worden vrijgesproken.

De vaststelling dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, stoelt -zo begrijpt het hof- op het volgende.

1. de verbalisanten waren werkzaam in het kader van bestrijding overlast drugscriminaliteit;

2. hun was ambtshalve bekend, dat Belgische en Franse ingezetenen vaak naar [pleegplaats] komen om aldaar softdrugs te kopen in coffeeshops gevestigd aan de Boulevard, Molenstraat en de Hoogstraat;

3. zij zagen een personenauto met een Belgisch kenteken vertrekken uit een van de genoemde straten;

4. de inzittenden waren (daardoor) reeds verdachten op het moment, dat de verbalisanten hen vanaf de coffeeshop zagen wegrijden.

De aanhouding van de verdachte was onrechtmatig, omdat voor zijn staandehouding ter controle op grond van de Wegenverkeerswet 1994 geen enkele aanleiding bestond.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In het proces-verbaal d.d. 5 januari 2002, mutatienummer PL2024/02-000814, is in het geheel geen steun te vinden voor de vaststellingen dat de verbalisanten de personenauto van verdachte in een van de hierboven sub 2 genoemde straten hebben zien rijden en evenmin dat zij die personenauto vanaf een coffeeshop hebben zien wegrijden; de verdachte is overigens ook niet staande gehouden.

De enkele omstandigheid, dat de verbalisanten een personenauto met een Belgisch kenteken in [pleegplaats] op de Antwerpseweg zagen rijden, is onvoldoende om de gevolgtrekking te wettigen, dat er alstoen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit. De hierboven onder 1. en 2. weergegeven omstandigheden maken dat niet anders.

De verbalisanten hebben de bestuurder een stopteken gegeven ter controle op de naleving van de bepalingen gesteld in de Wegenverkeerswetgeving.

De in het aangevallen vonnis opgenomen overweging, dat daartoe geen enkele aanleiding bestond, miskent dat het uitoefenen van de controlebevoegdheid van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 geen specifieke aanleiding behoeft. Voor zover deze overweging het oordeel inhoudt, dat van die bevoegdheid is gebruik gemaakt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, ontbeert zij feitelijke grondslag. Er was immers nog geen sprake van een verdenking van enig strafbaar feit en ook is niet aannemelijk geworden dat bij verbalisanten niet (mede) de bedoeling voorzat tot het uitvoeren van een controle als evenvermeld. Het hof kan dan ook niet inzien, waarom op grond van een en ander de later gevolgde aanhouding onrechtmatig zou zijn.

Blijkens het proces-verbaal heeft een van de verbalisanten de bestuurder aangesproken nadat deze aan eerdergenoemd stopteken had voldaan; daarbij rook deze verbalisant de hem bekende geur van hennep.

Op dat moment moet er redelijkerwijs een verdenking zijn ontstaan van een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit.

De daarop door hem aan de inzittenden van de personenauto gestelde vraag of zij drugs hadden gekocht kan bezwaarlijk anders worden gezien dan een vraag aan als verdachte aangemerkte personen betreffende hun betrokkenheid bij een strafbaar feit.

Aan die vraag, die alzo een verhoor inhield als bedoeld in artikel 29, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, is de mededeling genoemd in het tweede lid van dat artikel niet voorafgegaan.

Daardoor is in het voorbereidend onderzoek een vorm verzuimd die niet meer kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken.

De verdachte is later op het politiebureau verhoord en aan dat verhoor is evenbedoelde mededeling wel voorafgegaan. Bij dat verhoor heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Uit de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat hij tot die bekentenis is gekomen uitsluitend omdat hij al eerder op een vraag van een verbalisant, waaraan de meergenoemde mededeling niet was voorafgegaan, antwoord had gegeven.

Onder die omstandigheden wordt het door het door het verzuim veroorzaakte nadeel genoegzaam gecompenseerd door het slechts opleggen van een geheel voorwaardelijke straf.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1. bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet, juncto artikel 47, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.

Het onder 2. bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet, juncto artikel 47, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van tweemaal een geldboete van na te melden hoogten passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van beide geldboeten heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het hof ziet evenwel in verband met het hiervoor geconstateerde verzuim aanleiding om deze straffen geheel voorwaardelijk op te leggen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

(1.:) "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod";

(2.:) "Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod";

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte terzake van het onder 1. bewezenverklaarde tot een geldboete van Eur. 75,-- (zegge vijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van één dag.

Beveelt dat deze opgelegde geldboete, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van één dag, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde de voorwaarde niet heeft nageleefd zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Veroordeelt de verdachte terzake van het onder 2. bewezenverklaarde tot een geldboete van Eur. 25,-- (zegge vijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van één dag.

Beveelt dat deze opgelegde geldboete, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van één dag, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde de voorwaarde niet heeft nageleefd zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit arrest is gewezen door Mr. Bergkotte, als voorzitter

Mrs. Van Zon en Zeyl, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Boekelman, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 april 2003.

Mr. Zeyl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.-

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 10.10

rolnummer: 20.002204.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Breda van 29 maart 2002 ter zake van:

sub 1 en 2 telkens art. 3 Opiumwet

veroordeeld tot:

vrijspraak