Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7453

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2003
Datum publicatie
17-04-2003
Zaaknummer
00/00689
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/32.1.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00689

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 15 november 1999 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, aanslagnummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd met dagtekening 22 oktober 1999. Nadat de belanghebbende tijdig in bezwaar is gekomen, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 november 1999, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is door de belanghebbende tijdig beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een recht geheven van fl. 60,= (€ 27,23). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.2. Het onderzoek ter zitting van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 20 september 2002 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, de heer X, tot zijn bijstand vergezeld van de heer A, in zijn hoedanigheid van Hoofd van de Sociale Dienst van de gemeente Z, alsmede, de Inspecteur.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de belanghebbende ter zitting een kopie overgelegd van twee geschriften. Het Hof rekent deze twee geschriften tot de gedingstukken.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 4 oktober 2002 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 14 oktober 2002 aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; ter zake van dit verzoek heeft de Inspecteur een recht van € 163,50 voldaan.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De belanghebbende is geboren in juli 1942. De belanghebbende is gehuwd met mevrouw B geboren in augustus 1943.

2.2.1. De belanghebbende hield in 1996 aandelen in de volgende besloten vennootschappen:

- A B.V. (hierna: A B.V.) rechtstreeks voor 100%;

- B B.V. (hierna B B.V.) middellijk voor 20%;

- C B.V. rechtstreeks voor 100%;

- D B.V. rechtstreeks voor 100% en

- E B.V.(hierna: E B.V.) rechtstreeks voor 20%.

2.2.2. A B.V. is opgericht in juni 1988. De belanghebbende treedt op als bestuurder van A B.V. In september 1996 is A B.V. in staat van faillissement verklaard. In 1998 is de vennootschap ontbonden.

2.2.3. B B.V. is opgericht in oktober 1996. Vanaf de oprichtingsdatum heeft B B.V. de activiteiten van A B.V. overgenomen. B B.V. is in oktober 1998 in staat van faillissement verklaard. De belanghebbende treedt op als bestuurder van B B.V.

2.2.4. C B.V is opgericht in augustus 1992. De belanghebbende treedt op als bestuurder van deze vennootschap. D B.V. is opgericht in september 1994. De belanghebbende treedt eveneens voor deze vennootschap op als bestuurder.

2.2.5. E B.V. is opgericht in december 1995 en houdt alle aandelen in B B.V. De belanghebbende en zijn echtgenote treden op als bestuurders van E B.V. De belanghebbende en zijn echtgenote houden ieder 20% van de aandelen in E B.V. Drie kinderen van de belanghebbende houden ieder 20% van de aandelen in E B.V.

2.3. Bij beschikking van 18 mei 1995 heeft de gemeente Z aan de belanghebbende op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen een geldlening verstrekt ad fl. 300.000,= als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.

2.4. In een brief van 10 september 1996 schrijven Burgemeester en wethouders van de gemeente Z de belanghebbende het volgende: "(...)Op grond van artikel 12 van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen is het mogelijk een gedeelte van de verstrekte geldlening om te zetten in een bedrag om niet. Hiertoe dient een vergelijk te worden gemaakt tussen het behaalde bedrijfsresultaat en de voor u geldende jaarnorm. Het verschil, tot maximaal de jaarnorm, is het bedrag welke omgezet kan worden in een verstrekking om niet.

Voor de toepassing van artikel 12 BZ is uitgegaan van de bedrijfsresultaten over 1994. Hoewel zowel voor C B.V. als voor D BV geldt dat een bescheiden winst is behaald, wordt dit volledig teniet gedaan door het sterk negatieve bedrijfsresultaat van A B.V. Voor 1994 gaan wij derhalve uit van een winst ad nihil. Dit betekent dat een bedrag gelijk aan de jaarnorm kan worden omgezet in een bedrag om niet.

De jaarnorm is vastgeld op f 24.663,24. (...)

Voorts kunnen wij u mededelen dat een bedrag ad f 108.278,64 van de belastingdienst P terug is ontvangen aangezien de schuldsanering zoals beoogd niet volledig is geslaagd. Het huidige saldo van de lening, exclusief rente, is als volgt berekend:

Hoofdsom

f 300.000,00

Aflossingen

- 10.000,00

Omzetting in verstrekking om niet

- 24.663,24

Ontvangen van de belastingdienst

- 108.278,64

Huidige saldo

f 157.058,12

(...)".

2.5. In een andere brief eveneens met dagtekening 10 september 1996 ter zake van een advies voor Burgemeester en wethouders met als onderwerp omzetting geldlening "om niet" staat de volgende passage: "(...) Bij beschikking van 18 mei 1995 is aan de heer X een geldlening verstrekt op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen. In artikel 12 van het oude BZ (artikel 8 Bbz) was opgenomen dat een gedeelte van de verstrekte geldlening achteraf omgezet kan worden in een bedrag om niet.

In het jaar van verstrekking of het jaar voor verstrekking van de geldlening wordt een vergelijk gemaakt tussen het bedrijfsresultaat en de voor betrokkene geldende jaarnorm. Het verschil, tot maximaal de jaarnorm, wordt omgezet is het bedrag wat van de geldlening kan worden omgezet in een bedrag om niet.

Het bedrijfsresultaat in het jaar 1994 was sterk negatief. Hoewel met D BV en de C BV bescheiden winsten zijn behaald wordt dit volledig teniet gedaan door een negatief bedrijfsresultaat van de A BV ad f 251.578,00.

De jaarnorm kan als volgt worden berekend:

norm

van 1-1-94 tot 1-7-94

6 x 1.771,54

f 10.629,24

norm

van 1-7-94 tot 1-1-95

6 x 1.775,12

f 10.650,72

vakantiegeld

van 1-1-94 tot 1-7-94

6 x 97,72

f 586,32

vakantiegeld

van 1-7-94 tot 1-1-95

6 x 98,16

f 588,96

Ziektekosten verzekering gedurende 1994

f 2.208,00

totaal

f 24.663,24

(...)1. Op grond van artikel 12 BZ oud (artikel 8 Bbz) de bij beschikking van 18 mei 1995 verleende geldlening voor een bedrag ad fl. 24.633,24 omzetten in een verstrekking om niet. De rente herberekenen (...)".

2.6. Bij beslissing van het kantongerecht d.d. 7 oktober 1996 is bepaald dat de gemeente Z een bedrag ad fl. 157.058,= kan terugvorderen van de belanghebbende en zijn echtgenote ingevolge de Algemene Bijstandswet en is voorts voor dit laatste bedrag en een bedrag ad fl. 15.477,98 aan rente een aflossingsregeling vastgesteld.

2.7. Het bedrag ad fl. 24.663,24 betreft de zogenaamde jaarnorm, die in artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel d Bijstandsbesluit Zelfstandigen is omschreven als volgt:

'd. jaarnorm: het in een jaar van toepassing zijnde bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II, § 1 van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132), verhoogd met het bedrag van de ten laste van de zelfstandige komende premie van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, voor zover deze premie uit een oogpunt van bijstandsverlening aanvaardbaar is;'.

2.8. De gemeente heeft het vorenbedoelde bedrag gebruteerd en daarop loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden. De Inspecteur heeft de helft van het gebruteerde bedrag, fl. 15.082,=, in het belastbare inkomen begrepen en fl. 2.751,= aan loonbelasting/premie volksverzekeringen als voorheffing verrekend. De andere helft heeft de Inspecteur begrepen in het belastbaar inkomen van belanghebbendes echtgenote.

2.9. In een brief van 29 april 1999, afkomstig van Burgemeester en wethouders van de gemeente Z en gericht aan de belanghebbende, staat de volgende passage: "In antwoord op uw vraag daaromtrent is het bedrag van f 24.663,24 niet bedoeld als voorziening in de kosten van het bestaan doch is dat met het boekjaar 1994 als gekozen uitgangspunt, het maximale bedrag dat door ons kan worden afgeboekt op uw geldlening, zoals in de voorgaande alinea is beschreven.

Wij menen hiermede de vragen om verduidelijking, die hieromtrent bij u waren gerezen, voldoende te hebben beantwoord.(...)"

2.10. Bij brief van 14 juli 1999 heeft de Inspecteur aangekondigd een navorderingsaanslag over 1996 te willen opleggen zonder verhoging. Bij brief van 19 juli 1999 heeft de belanghebbende de Inspecteur medegedeeld hiermee niet akkoord te gaan. Bij brief van 8 oktober 1999 heeft de Inspecteur medegedeeld de navorderingsaanslag op te zullen leggen. Met dagtekening 22 oktober 1999 heeft de Inspecteur aan de belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 1996 opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen vastgesteld als volgt:

Vastgesteld belastbaar inkomen:

Fl. 19.175,=

Bij uitkering gemeente Korendijk:

Fl. 15.082,=

Nader vastgesteld belastbaar inkomen:

Fl. 34.257,=

Ter zake van vorenbedoelde uitkering is een loonheffing verrekend van fl. 2.751,=.

2.11. Op 11 november 1999 bij schrijven met dagtekening 10 november 1999 is de belanghebbende tegen de aanslag in bezwaar gekomen.

2.12. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 november 1999, heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2.13. De belanghebbende is tegen deze uitspraak op bezwaar op 22 december 1999, bij brief met dagtekening 10 december 1999, in beroep gekomen.

3. Geschil, alsmede standpunten van partijen

3.1.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

I Heeft de Inspecteur de omzetting ten bedrage van fl. 15.082,= op 10 september 1996 op de voet van artikel 12 Bijstandsbesluit Zelfstandigen van een door de gemeente Z op 18 mei 1995 ingevolge het Bijstandsbesluit Zelfstandigen aan de belanghebbende verstrekte geldlening in het onderhavige jaar terecht tot het inkomen van de belanghebbende gerekend?

II Indien vorenstaande vraag in het voordeel van de Inspecteur moet worden beantwoord, is vervolgens in geschil het antwoord op de vraag of de brutering op een juiste wijze is geschied, welke vraag de belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt,

III Indien vraag I in het voordeel van de Inspecteur moeten worden beantwoord, is tevens in geschil of naheffing bij de gemeente plaats dient te vinden in plaats van een navordering bij de belanghebbende, welke laatste vraag de belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

IV Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of de belanghebbende het vorenbedoelde bedrag heeft genoten, nu, naar de belanghebbende stelt, het bedrag rechtstreeks ten goede is gekomen aan zijn vennootschappen.

3.1.2. Indien de vorenstaande geschilpunten in het voordeel van de Inspecteur moeten worden beantwoord is niet in geschil dat het belastbaar inkomen fl. 34.257,= bedraagt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door de belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting overgelegde stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Zij hebben hieraan ter zitting kort weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende

De belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij geen Bijstandsuitkering genoot naast het uit de omzetting om niet door de gemeente verstrekte bedrag. Tevens heeft de belanghebbende twee geschriften overgelegd afkomstig van de gemeente Z.

Voorts heeft het Hoofd van de Sociale Dienst van de gemeente Z ter zitting verklaard dat afwikkeling van het uitgeleende bedrijfskapitaal door de gemeente conform het oude recht heeft plaatsgevonden. Tevens heeft hij verklaard dat de gemeente verplicht is om op het bedrag van de omzetting om niet het bijstandstarief toe te passen en dat in de wet niet duidelijk staat of en hoe heffing dient plaats te vinden.

Inspecteur

De Inspecteur heeft desgevraagd gesteld dat de omzetting om niet van een gedeelte van de verstrekte lening ten bedrage van fl. 24.663,24 op grond van artikel 34, aanhef, onderdeel a van de Wet op de loonbelasting 1964 j° artikel 11, eerste lid, onderdeel k van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 tot het belastbaar inkomen van de belanghebbende dient te worden gerekend. Tevens verwijst hij ter onderbouwing van deze stelling naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 26 juni 1996, nr. DB96/56M.

4. Conclusies van partijen

De belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot vernietiging van de navorderingsaanslag en subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de navorderingsaanslag naar een belastbaar inkomen van - naar het Hof verstaat - fl. 31.506,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Vaststaat, dat de gemeente Z op 18 mei 1995 de belanghebbende een geldlening als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal ad fl. 300.000,= heeft verstrekt. Voorts staat vast, dat de belanghebbende directeurgrootaandeelhouder is van meerdere vennootschappen. Tevens staat vast, dat de gemeente Z op 10 september 1996 op de voet van artikel 12 Bijstandsbesluit Zelfstandigen, welk artikel de gemeente aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd klaarblijkelijk op basis van artikel 4, vierde lid Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, deze geldlening voor een bedrag van fl. 24.663,24 heeft omgezet in een bedrag om niet. Daarbij is als norm gehanteerd, dat de bedrijfsresultaten over 1994 nihil waren. Voor het overige deel van geldlening is, na rekening te hebben gehouden met een aflossing van fl. 10.000,= en een terugbetaling van de rijksbelastingdienst van fl. 108.278,64, bij beslissing van het kantongerecht d.d. 7 oktober 1996 bepaald dat de gemeente Z een bedrag ad fl. 157.058,= kan terugvorderen ingevolge de Algemene Bijstandswet en is voorts voor dit laatste bedrag en een bedrag ad fl. 15.477,98 aan rente een aflossingsregeling vastgesteld. Het bedrag ad fl. 24.663,24 betreft de zogenaamde jaarnorm, die in artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel d Bijstandsbesluit Zelfstandigen is omschreven als volgt:

'd. jaarnorm: het in een jaar van toepassing zijnde bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II, § 1 van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132), verhoogd met het bedrag van de ten laste van de zelfstandige komende premie van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, voor zover deze premie uit een oogpunt van bijstandsverlening aanvaardbaar is;'.

De gemeente heeft het vorenbedoelde bedrag gebruteerd en daarop loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden. De Inspecteur heeft de helft van het gebruteerde bedrag, fl. 15.082,=, in het belastbare inkomen begrepen en fl. 2.751,= aan loonbelasting/premie volksverzekeringen als voorheffing verrekend. De andere helft heeft de Inspecteur begrepen in het belastbaar inkomen van belanghebbendes echtgenote.

5.2. Artikel 34 van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) luidt als volgt:

'Ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die:

a. termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten;

b. uitkeringen genieten ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen.'

5.3. Artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel k van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: Uitv. Besl. 1965) luidt, voor zover van belang, als volgt:

'De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende tot het belastbare inkomen (...)in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behorende inkomsten genieten:

(...)

k. uitkeringen ingevolge de Algemene Bijstandswet alsmede (...)'.

5.4. Uit de tekst van artikel 34 Wet LB 1964 blijkt, dat ter vergemakkelijking van de heffing van inkomstenbelasting van periodieke uitkeringen of verstrekkingen of van uitkeringen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld. Artikel 11, eerste lid, aanhef Uitv. Besl. 1965 bepaalt, dat loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die inkomsten genieten die tot het belastbare inkomen (...)in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behoren.

5.5. Uit het onder punt 5.4 overwogene volgt, dat de omzetting van de door de gemeente als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal verstrekte geldlening in een bedrag om niet, een bedrag ter grootte van de zogenaamde jaarnorm, slechts dan in de heffing van loon- en inkomstenbelasting kan worden betrokken, indien dit bedrag kan worden aangemerkt als een periodieke uitkering of verstrekking of als een uitkering ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen, nu voor wat betreft de inkomstenbelasting in het onderhavige geval geen sprake is van winst uit onderneming.

5.6. Het Hof is van oordeel, dat de door de gemeente als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal verstrekte geldlening, klaarblijkelijk op de voet van artikel 9 en 10 Bijstandsbesluit Zelfstandigen, éénmalig, althans incidenteel, van karakter is en derhalve niet kan worden aangemerkt als een periodieke uitkering of verstrekking. Evenmin kan de omzetting van een deel van vorenbedoelde geldlening in een bedrag om niet op de voet van artikel 12 Bijstandsbesluit Zelfstandigen worden aangemerkt als een periodieke uitkering of verstrekking, omdat deze omzetting eveneens éénmalig, althans incidenteel, van karakter is. Ingevolge artikel 5, tweede lid Bijstandsbesluit Zelfstandigen is het mogelijk dat de door gemeente als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal verstrekte geldlening mede ziet op de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De wetgever heeft met artikel 4 Algemene Bijstandswet (oud) en de regelgever heeft met de bepaling in artikel 5, tweede lid Bijstandsbesluit Zelfstandigen ervoor gekozen de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te laten plaatsvinden door de éénmalige, althans incidentele, verstrekking van een geldlening en door de éénmalige, althans incidentele, omzetting van die geldlening in een bedrag, ter grootte van de jaarnorm, om niet. De belanghebbende had derhalve rechtens geen aanspraak op een voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in de vorm van een periodieke uitkering of verstrekking, zodat de bovenbedoelde verstrekking van een geldlening en bovenbedoelde omzetting van de geldlening in een bedrag om niet evenmin als een uitkering ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen kunnen worden aangemerkt.

5.7. Voor zover de Inspecteur heeft willen betogen, dat op grond van het gebruik van het woord uitkering, in plaats van periodieke uitkering, in artikel 11, eerste lid, onderdeel k Uitv. Besl. 1965 over het onderhavige bedrag van fl. 15.082,= loon- en inkomstenbelasting moet worden geheven overweegt het Hof het volgende. Ten eerste strijdt de in vorige volzin bedoelde uitleg met de aanhef van het eerste lid van artikel 11 Uitv. Besl. 1965, waarin is bepaald dat loonbelasting alleen wordt geheven van inkomsten die ingevolge de Wet IB 1964 tot het belastbare inkomen behoren. Nu in het onderhavige geval het vorenbedoelde bedrag ad fl. 15.082,= terzake van de omzetting van de geldlening in een bedrag om niet niet behoort tot het belastbare inkomen, omdat het vorenbedoelde bedrag niet behoort tot winst uit onderneming of kan worden aangemerkt als een periodieke uitkering of verstrekking of een vervanging daarvan en evenmin onder enige andere bron van inkomen kan worden gerangschikt, is geen sprake van inkomsten die ingevolge de Wet IB 1964 tot het belastbare inkomen behoren. Ten tweede is het Hof van oordeel, dat een uitleg als bedoeld in de eerste volzin niet als juist kan worden aanvaard, omdat in dat geval de regelgever met artikel 11, eerste lid, onderdeel k Uitv. Besl. 1965 zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 34 Wet LB 1964 te buiten zou zijn gegaan. Artikel 34 Wet LB 1964 bepaalt immers, dat slechts regels worden gesteld ter zake van periodieke uitkeringen of verstrekkingen of uitkeringen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen.

5.8. Aan het vorenoverwogene in punt 5.4 tot en met 5.7 doet niet af, dat de staatssecretaris van Financiën met betrekking tot het Bijstandsbesluit Zelfstandigen in een resolutie van 20 november 1990, V-N 1990, blz. 3773-3783 en met betrekking tot het per 1 januari 1996 in werking getreden Besluit Bijstandverlening Zelfstandigen in een besluit van 26 juni 1996, V-N 1996, blz. 2686-2695 aan de gemeenten en de rijksbelastingdienst heeft voorgeschreven dat de omzetting van een door een gemeente als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal verstrekte geldlening in een bedrag om niet in de loon- en inkomstenbelasting moet worden betrokken.

5.9. Uit vorenoverwogene vloeit voort, dat het gelijk met betrekking tot de eerste vraag aan de belanghebbende is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd en dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De overige vragen behoeven geen beantwoording.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu de belanghebbende daarom niet heeft verzocht en ook niet is gebleken dat de belanghebbende, die zich niet heeft laten bijstaan door een beroepsgemachtigde, kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6.2. De omstandigheid dat het beroep van de belanghebbende gegrond wordt verklaard, brengt met zich dat de Staat der Nederlanden, gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 60,= (€ 27,23) dient te vergoeden

7. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond;

* vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de navorderingsaanslag; en

* gelast dat door de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door hem voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 27,23 (fl. 60,=) wordt vergoed.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 3 maart 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 3 maart 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.