Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7452

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
17-04-2003
Zaaknummer
00/00467
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 768
FutD 2003-0792
Belastingadvies 2003/16.12
V-N 2003/37.18

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00467

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de Stichting X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 1 over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag aan enkelvoudige belasting van fl. 9.251,=, zonder boete. Na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl.450,=.(€ 204,20).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 18 december 2002 te ´s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

Belanghebbende heeft op de zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren hiervan aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is in juli 1979 notarieel opgericht krachtens een besluit van de algemene vergadering van de vereniging R.K. Voetbalvereniging X te Y (hierna: de voetbalvereniging) van 13 november 1978.

2.2. Belanghebbende heeft, als in artikel 2 van haar statuten beschreven, het volgende ten doel:

"De stichting heeft ten doel het beheren en exploiteren van een

clubhuis ten behoeve van de te Y gevestigde R.K. Voetbalvereniging X (...).

Tot dit doel behoort mede het uitkeren aan gemelde vereniging van de netto-opbrengsten van de exploitatie na het toepassen van zodanige afschrijvingen en reserveringen als het bestuur van de stichting nodig zal oordelen, van welk een en ander zal blijken uit de na afloop van ieder boekjaar door het bestuur van de stichting op te maken en aan het bestuur van de vereniging binnen zes maanden na afloop van het betreffende boekjaar in te zenden jaarstukken.

Het boekjaar loopt van een juli tot en met dertig juni.".

2.3. Het gebouw waarin en de inventaris waarmee belanghebbende haar werkzaamheden verricht behoren in eigendom toe aan de voetbalvereniging. De reserveringen en de afschrijvingen hierop zijn opgenomen in de jaarrekening van de voetbalvereniging. De voetbalvereniging brengt voor het gebruik van dit gebouw en deze inventaris belanghebbende een vast bedrag aan huur in rekening.

2.4. Het in de statuten van belanghebbende genoemde clubhuis (hierna: het clubhuis) is alleen geopend tijdens en rondom de voetbalwedstrijden voor de bezoekers hiervan alsmede tijdens de op de voetbalvereniging betrekking hebbende festiviteiten.

Al haar activiteiten geschieden in hoofdzaak op vrijwillige basis.

2.5. Het bestuur van belanghebbende bestaat uit vijf leden, die allen worden benoemd door de algemene vergadering van de voetbalvereniging en waarvan ten minste één lid tevens lid is van het bestuur van die vereniging.

2.6. Het lidmaatschap van een bestuurslid van belanghebbende eindigt onder meer door het eindigen van het bestuurslidmaatschap van de voetbalvereniging voor zoveel dat lid als zodanig tot lid van de stichting werd benoemd, alsmede door ontslag van de betrokken bestuurder door de algemene vergadering van de voetbalvereniging.

2.7. Met betrekking tot een door het bestuur van belanghebbende genomen besluit tot statutenwijziging dan wel ontbinding bepaalt artikel 9 van haar statuten onder meer dat zulk een besluit eerst rechtskracht verkrijgt indien daaraan in een daartoe speciaal bijeengeroepen algemene vergadering van de voetbalvereniging goedkeuring wordt gehecht.

Artikel 10 van de statuten van belanghebbende bepaalt voor het geval van liquidatie dat alsdan een eventueel batig saldo wordt afgedragen aan de voetbalvereniging.

2.8. Sinds haar oprichting in 1979 kreeg belanghebbende een maal per twee jaar een formulier "Verzoeken om inlichtingen omzetbelasting verenigingen/ stichtingen" (OB6) toegestuurd, welke formulier belanghebbende telkens heeft ingevuld en geretourneerd. De eerste reactie van de belastingdienst op deze formulieren was een boekenonderzoek omzetbelasting in 1999, naar aanleiding van welk boekenonderzoek de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd. Bij belanghebbende zijn in de jaren 1979 en volgende diverse controles loonbelasting uitgevoerd.

2.9. Als bijlage 13 bij het verweerschrift van de Inspecteur is een van belanghebbende afkomstig brief opgenomen van de Belastingdienst Ondernemingen Q d.d. 15 april 1993, gericht aan de Stichting V te Z, waaruit blijkt, dat in een vergelijkbare situatie (stichting verzorgt kantine voor twee voetbalverenigingen) de zogenaamde kantineregeling zoals genoemd in resolutie 27 juni 1980, nr. 080-1088, wordt goedgekeurd.

2.10. Belanghebbende is in 1999 ontbonden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende over de opbrengst uit de exploitatie van het clubhuis over het onderhavige tijdvak omzetbelasting verschuldigd is.

Deze vraag beantwoordt belanghebbende ontkennend, de Inspecteur daarentegen bevestigend. Belanghebbende doet hierbij tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel en op het gelijkheidsbeginsel.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de pleitnota van belanghebbende, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan, voor zover hiervóór niet vermeld, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende

Belanghebbende moet worden gezien als ware zij een dochter van de voetbalvereniging die voor haar ouders boodschappen gaat doen. Belanghebbende is verantwoording schuldig aan het bestuur van de vereniging.

Vanwege de overzichtelijkheid zijn de activiteiten van belanghebbende met betrekking tot de andere activiteiten van de voetbalvereniging apart gehouden.

De Inspecteur

Belanghebbende spreekt er over dat zij is opgericht uitsluitend vanwege de overzichtelijkheid van de administratie. Belanghebbende had echter ook kunnen kiezen voor twee gescheiden administraties.

Belanghebbende treedt in het economische verkeer zelfstandig op. Zoals blijkt uit het hebben van bankrekeningen, het in dienst hebben van werknemers, het inhoudingsplichtig zijn voor de loonheffing en het doen van verkopen en inkopen.

De controles waarop belanghebbende haar beroep op het vertrouwensbeginsel baseert, hadden nimmer betrekking op de omzetbelasting maar op de loonbelasting.

De Inspecteur heeft met betrekking tot het onderhavige onderwerp nimmer tegenover belanghebbende een specifiek standpunt ingenomen.

In alle aan de Inspecteur bekend zijnde met belanghebbende overeenkomende gevallen heeft de Inspecteur nageheven.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur daarentegen concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Artikel 13, A, lid 1, aanhef en onderdeel m, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna: de Zesde richtlijn) luidt als volgt:

"Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de

Lid-Staten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

m) sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend aan personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen;"

en

Artikel 13, A, lid 2, onder a, eerste gedachtestreepje, van de Zesde richtlijn luidt:

"De Lid-Staten kunnen de verlening van elk der in lid 1, sub b,

g, h, i, l, m, en n, bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval, afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:

- de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; wordt er wel winst gemaakt, dan mag deze niet worden uitgekeerd, maar moet zij worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verleend;".

4.1.2. De vrijstelling bedoeld in het onder 4.1.1. aangehaalde artikel 13 is opgenomen in artikel 11, lid 1, letters e en v en lid 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968, alsmede nader uitgewerkt in de Resolutie van 27 juni 1980, nr. 080-1088, herdrukt d.d. 11 december 1989, nr. VB89/2131.

4.2. Op grond van de hiervóór onder 2.2 tot en met 2.7 vermelde feiten, tezamen en in onderling verband beschouwd, is het Hof van oordeel, dat belanghebbende in fiscale zin zozeer dient te worden vereenzelvigd met de voetbalvereniging, dat de door haar genoten baten aan de voetbalvereniging dienen te worden toegerekend en in die zin als baten dienen te worden beschouwd als door de voetbalvereniging verkregen.

Anders gezegd: Uit vorenvermelde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, volgt, naar het oordeel van het Hof, dat belanghebbende en de voetbalvereniging zo nauw financieel, economisch en organisatorisch met elkaar zijn verbonden, dat belanghebbendes diensten als nauw samenhangend met de beoefening van sport in de zin van artikel 13, A, lid 1, aanhef en onderdeel m, van de Zesde richtlijn moeten worden aangemerkt, waarvoor in het kader van het onderhavige geschil de vraag moet worden beantwoord of voor haar de vrijstelling van artikel 13, A, lid 1, aanhef en onderdeel m, van de Zesde richtlijn, als onder 4.1.1. vermeld, van toepassing is.

4.3. In zijn arrest van 21 maart 2002, C-174/00, BNB 2003/30 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: het Hof van Justitie) op de aan hem door de Hoge Raad der Nederlanden gestelde prejudiciële vragen onder meer het volgende voor recht verklaard:

1. Artikel 13, A, lid 1, sub m, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat bij de kwalificatie van een instelling als "instelling zonder winstoogmerk" alle activiteiten van die instelling in aanmerking moeten worden genomen en

2. Artikel 13, A, lid 1, sub m, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat een instelling als "instelling zonder winstoogmerk" kan worden gekwalificeerd ook indien zij systematisch streeft naar overschotten die zij vervolgens aanwendt ten dienste van haar prestaties. Het eerste deel van de facultatieve voorwaarde in artikel 13, A, lid 2, sub a, eerste streepje, van de Zesde richtlijn moet op dezelfde wijze worden uitgelegd.

4.4. In beginsel mag gelet op de statuten van belanghebbende en van de voetbalvereniging en op de door hen verrichte activiteiten ervan worden uitgegaan, dat door belanghebbende geen winst wordt beoogd in de zin van genoemd arrest van het Hof van Justitie, dat wil zeggen dat geen uitkeringen plaatsvinden anders dan voor het doel van de voetbalvereniging, ook niet indien systematisch naar exploitatieoverschotten wordt gestreefd.

De Inspecteur heeft niets aangevoerd waaruit zou volgen dat in casu exploitatieoverschotten als winst zijn of zullen worden uitgekeerd

anders dan uitkeringen voor het doel van de voetbalvereniging.

4.5. Reeds op grond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel, dat voormelde vrijstelling op belanghebbende van toepassing is.

4.6. Bovendien dient ook, op grond van na te melden overwegingen, belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel te worden gehonoreerd.

Zoals uit de onder 2.8 vermelde feiten blijkt, heeft belanghebbende gedurende een twintigtal jaren periodiek de aan haar door de Inspecteur toegezonden verzoeken om inlichtingen ingevuld en geretourneerd. Belanghebbende heeft dit als stichting gedaan en naar aannemelijk is en door de Inspecteur ook niet is bestreden, de voor het onderhavige onderwerp van belang zijnde gegevens telkenmale naar waarheid verstrekt. Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, als onder de feiten vermeld, waaruit naar voren komt

- dat belanghebbende als stichting een kantine exploiteert voor de voetbalvereniging en

- dat de Inspecteur periodiek aan haar verzoeken heeft gedaan tot het verstrekken van inlichtingen over de feitelijke gang van zaken,

mocht belanghebbende aannemen, dat de onderhavige aangelegenheid op haar fiscale merites door de Inspecteur was beoordeeld, zodat, mede gelet op de niet te verwaarlozen gevolgen die het standpunt van de Inspecteur op de belastingheffing van belanghebbende heeft, belanghebbende terecht een beroep op een in rechte te beschermen vertrouwen heeft gedaan.

4.7. De stelling van de Inspecteur gedaan in zijn verweerschrift, dat niet ieder formulier direct nadat het is ingediend, wordt beoordeeld in verband met de wettelijke naheffingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan het Hof niet volgen. Immers in het hier aan de orde zijnde geval gaat het om een gedurende twintig jaren geldende situatie, waarbij de Inspecteur, doordat hij gedurende een zo lange tijd geen actie heeft ondernomen, waar handelen uit het oogpunt van rechtszekerheid geboden was, bij belanghebbende de rechtens te honoreren indruk heeft doen ontstaan, dat de door de Inspecteur gevolgde gedragslijn op een bewuste standpuntbepaling berustte.

4.8. Dit geldt te meer, nu de Inspecteur tevens uit de bij belanghebbende in de jaren 1979 en volgende ingestelde boekenonderzoeken loonbelasting op de hoogte was van de feitelijke gang van zaken. Sinds de invoering op 1 januari 1990 van de geïntegreerde werkwijze van de belastingdienst moet het er in beginsel voor worden gehouden, dat de Inspecteur, die als gevolg van deze geïntegreerde werkwijze optreedt namens het hoofd van de eenheid, die als zodanig belast is met de heffing, de controle en de inning van verschillende belastingen (zie in dit verband Hoge Raad 20 oktober 1999, nr. 34 636,V-N 1999/49.6), de tijdens het boekenonderzoek vergaarde informatie breed toegankelijk maakt voor alle medewerkers van andere onderdelen van de belastingdienst. Bij belanghebbende kon op grond van deze geïntegreerde aanpak dan ook naar het oordeel van het Hof de rechtens te honoreren indruk ontstaan, dat nu de belastingdienst op de hoogte was van de feitelijke gang van zaken bij belanghebbende, de Inspecteur bewust het standpunt had ingenomen, dat belanghebbendes omzet voor de omzetbelasting was vrijgesteld.

4.9. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat belanghebbende, op wie ten aanzien hiervan de bewijslast rust, naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk heeft gemaakt, dat in de hier aan de orde zijnde jaren een landelijk goedkeurend beleid bestond als door belanghebbende gesteld. Het beroep op een incidentele goedkeuring ten aanzien van slechts één belastingplichtige is daartoe onvoldoende.

4.10. Op grond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat voormelde vrijstelling op belanghebbende van toepassing is en dat mitsdien in de door haar voorgestane zin moet worden beslist.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond is, dient de Staat der Nederlanden, als de rechtspersoon in de zin van artikel 8:74, Awb, het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 450,= (€ 204,20) ingevolge het bepaalde in genoemd artikel 8:74 aan belanghebbende te vergoeden.

Daar geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en belanghebbende geen opgave heeft gedaan van reis-, verblijf- en verletkosten, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75, Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag;

gelast dat de Inspecteur belanghebbende het geheven griffierecht ad € 204,20 (fl. 450,=) vergoedt.

Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 28 februari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 28 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.