Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7270

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
14-04-2003
Zaaknummer
C0100668-RO1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0100668/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 12 maart 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT, hierna: de man] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. P.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE, hierna: de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. B.W. Westerveld,

als vervolg op het op 25 september 2002 gewezen tussenarrest op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Roermond onder zaaknummer 41384/HAZA 00-801 gewezen vonnis van 8 of 15 maart 2001 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In het tussenarrest van 25 september 2002 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen zodat de vrouw zich bij akte kan uitlaten omtrent hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.3.8, 4.3.9, 4.3.10 en 4.5 was overwogen.

Van deze gelegenheid heeft de vrouw gebruik gemaakt.

De man heeft een antwoordakte met producties genomen.

De vrouw heeft niet gereageerd op de producties.

Partijen hebben daarna de gedingstukken wederom aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De verdere beoordeling

7.1. Het hof blijft bij hetgeen werd overwogen in het tussenarrest van 25 september 2002.

7.2. In rov. 4.3.5. van het tussenarrest heeft het hof de berekeningsgrondslag van de vordering van de man uiteengezet. Deze is gebaseerd op een toename van de FOR in de verrekenperiode (24 juni 1988 tot 13 mei 1997) met het bedrag van f. 72.787,-, zodat de latente belastingclaim van 45% uitkomt op f. 32.754,-. De man vordert daarvan de helft (f. 16.377,-) als onverschuldigd betaald, namelijk teveel verrekend uit hoofde van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden bij de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen aan het einde van het huwelijk.

Dit bedrag van f. 72.787,- is ontleend aan een berekening vervaardigd door de accountant van de man die is gevoegd bij de conclusie van eis als productie 3.

In punt 2 van de akte van 12 november 2002 betwist de vrouw de hoogte van laatstgenoemd bedrag omdat, zo stelt zij, zij de hoogte van dit bedrag niet kan verifiëren omdat de bijbehorende schriftelijke bescheiden niet zijn overgelegd. De door de accountant uitgevoerde berekening wordt door de vrouw niet betwist.

Het hof heeft de bijbehorende bescheiden aangetroffen gehecht aan het proces-verbaal van comparitie van partijen van 9 februari 2001.

Uit de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 blijkt de stand van de FOR per 01-01-1997 en de toevoeging in 1997 van f. 16.477,-.

Uit de aanslag inkomstenbelasting over 1988 blijkt de stand van de FOR per 01-01-1988 van f. 43.763,- (welk bedrag één gulden verschilt met het bedrag in de genoemde berekening), namelijk de eindstand per 31-12-1988 van

f. 58.172,- verminderd met de FOR-toevoeging in 1988 van f. 14.409,-.

De accountant hanteert op laatstgenoemd bedrag nog een correctie van f. 998,- doch daarvoor heeft het hof geen verificatie gevonden.

Als deze correctie buiten de berekening wordt gelaten (de FOR-stand per datum aangaan huwelijk wordt f. 50.652,55) komt de toename van de FOR-stand gedurende de verrekenperiode op f. 72.309,45 en daarmee de latente belastingclaim van 45% op f. 32.539,25 zodat de helft (f. 16.269,63) teveel verrekend is.

Het hof zal deze gecorrigeerde bedragen hanteren als onvoldoende weersproken. Het hof ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen nu de berekening is gebaseerd op stukken die afkomstig zijn van de belastingdienst die op zich zelf genomen door de vrouw niet zijn betwist.

7.3. In punt 3 van de akte van 12 november 2002 stelt de vrouw dat de FOR-dotaties wel kunnen worden vastgesteld, maar niet de belastingclaim zelf.

Dit betoog faalt.

Waar het hier om gaat is de vraag of op de peildatum 13 mei 1997 een bedrag overeenkomende met de latente belastingclaim over de FOR als verteerd vermogen buiten de verrekening moet worden gelaten (namelijk als gereserveerd om te zijner tijd de belastingclaim te kunnen voldoen). Het hof heeft deze vraag in het tussenarrest reeds positief beantwoord. Het hof tekent hierbij nog aan dat de reservering het "besteedbaar inkomen verlaagt" zodat in zoverre sprake is van het spiegelbeeld van de casus waarover de hoge raad oordeelde op 29 oktober 1993, NJ 1995/ 559. Dit betekent dat partijen, die inmiddels hebben verrekend, zijn uitgegaan van een te hoog bedrag voor het te verrekenen onverteerde vermogen van de man. Daarop dient correctie plaats te vinden.

Wat er te zijner tijd van de belastingclaim terecht komt en de gevolgen van eventuele wijzigingen in het fiscale regime van na de peildatum (13 mei 1997), deze aspecten hebben op de verrekening, en daarmee op de correctie op de verrekening, geen invloed. Een en ander komt voor rekening en risico van degene wiens vermogen het betreft.

7.4. In punt 4 van de akte van 12 november 2002 doet de vrouw een beroep op de stakingsvrijstelling van artikel 8 lid 1 sub d van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Het hof verwerpt dit beroep.

Ten tijde van het aangaan van het huwelijk op 24 juni 1988 gold een stakingsvrijstelling van f. 20.000,-, welk bedrag werd verhoogd met f. 15.000,- ten aanzien van de belastingplichtige die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt (stb. 1987/455).

De op 24 juni 1988 opgebouwde FOR overschreed deze bedragen (en de door de vrouw genoemde hogere bedragen), zodat niet gezegd kan worden dat ten tijde van het huwelijk FOR is opgebouwd dat op grond van de vrijstellingbepaling als onverteerd vermogen in de verrekening krachtens het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden moet worden betrokken.

7.5. In punt 5 van de akte van 12 november 2002 doet de vrouw een beroep op artikel 45a leden 4 en 5 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 waarin, kort gezegd, staat dat de belastingclaim niet behoeft te worden voldaan indien van de gereserveerde FOR een lijfrentepolis wordt gesloten.

Dit betoog faalt.

Gesteld noch gebleken is dat de man ten tijde van de verrekenperiode een lijfrente heeft afgesloten.

Bij het berekenen van de latente belastingclaim per peildatum verrekening kan buiten beschouwing worden gelaten of de man in een later stadium alsnog een lijfrente kan kopen of zal kopen.

7.6. Onder 6 van de akte van 12 november 2002 verwijst de vrouw naar de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 waarin de genoemde stakingsfaciliteiten zijn gehandhaafd.

Over deze kwestie heeft het hof reeds geoordeeld in rov. 4.3.7. van het tussenarrest en hiervoor in de slotalinea van rov. 7.3..

7.7. In punt 7 van de akte van 12 november 2002 stelt de vrouw dat de vordering van de man met een gemiddeld percentage van 4 per jaar moet worden verminderd te berekenen over een periode totdat hij 65 jaar wordt omdat de man eerst dan de belastingclaim behoeft te betalen en zodoende rentevoordeel geniet.

Het hof verwerpt dit betoog op dezelfde gronden als uiteengezet in rov. 7.3.. Rentevoordeel genoten na het einde van de samenleving valt buiten de verrekening.

Voor zover het betoog er op neer komt dat de man tijdens het huwelijk minder hoeft te reserveren omdat de opgebouwde reserve rente kweekt, faalt het reeds omdat niet valt vast te stellen wanneer de man het bedrijf zal staken. Bovendien is de rente die op de reserve valt inkomen dat

- tijdens het huwelijk - voor verrekening in aanmerking komt.

7.8. De vrouw heeft een bewijsaanbod gedaan doch daaraan gaat het hof voorbij. Ten aanzien van het gebrek aan wetenschap met betrekking tot de hoogte van de FOR omdat deze wetenschap blijkt uit de overgelegde stukken en ten aanzien van de hoogte van de belastingclaim als de man 65 jaar wordt, van de stakingsvrijstellingen en het rentevoordeel omdat deze weren geen aanleiding kunnen geven tot een ander oordeel.

7.9. De incidentele grief strekt ertoe de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg te veroordelen.

Nu het vonnis op grond van het principaal appel moet worden vernietigd, dient het hof opnieuw te oordelen omtrent de proceskosten in eerste aanleg.

Het hof ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren op de grond dat partijen gewezen echtgenoten zijn.

8. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 8 of 15 maart 2001

en opnieuw recht doende:

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen het bedrag van (f. 16.269,63) € 7.382,84 (zeven-duizend-drie-honderd-twee-en-tachtig euro en vier-en-tachtig cent);

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 maart 2003.