Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7211

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
20.002500.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.002500.01

uitspraakdatum : 8 april 2003

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te [pleegplaats] van 18 oktober 2001 in de strafzaak onder parketnummer 19441/99 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, nu de eerste rechter onvoldoende expliciet tot uitdrukking heeft laten komen dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak, in die zin dat is nagelaten te vermelden of en zo ja, in welke mate het tijdsverloop invloed heeft gehad op de strafmaat.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

PRO MEMORIE.

parketnummer : 20.002500.01 -2-

datum uitspraak: 8 april 2003

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

1.a.

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in tweede aanleg, zou zijn geschonden.

1.b.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 26 mei 1999, zijnde de datum van inverzekeringstelling van verdachte.

1.c.

In verband met het tijdsverloop in eerste aanleg overweegt het hof als volgt.

Het vonnis van de eerste rechter is gewezen op 18 oktober 2001, oftewel ongeveer twee jaar en vier maanden na de aanvang van vorenbedoelde termijn. Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier inderdaad geschonden.

1.d.

Wat betreft het tijdsverloop in tweede aanleg overweegt het hof als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten 18 oktober 2001, en de datum waarop het hof uitspraak doet, 8 april 2003, een periode van nog geen twee jaren is verstreken, hetgeen geen schending van bedoelde termijn oplevert

1.e.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat alleen in eerste aanleg sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en wel van vier maanden. Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting enerzijds en anderzijds het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie echter geen passende reactie vormen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

parketnummer : 20.002500.01 -3-

datum uitspraak: 8 april 2003

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 mei 1999 tot en met 18 mei 1999 te [pleegplaats], opzettelijk heeft geteeld 1973 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 18 mei 1999 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 2250 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 1 februari 1999 tot en met 29 april 1999 te [pleegplaats] opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, ongeveer 1900 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, onder 2 en onder 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.

Het bewezen verklaarde onder 3 is als misdrijf voorzien in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.

Het hof is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten onder 2 en onder 3 als een voortgezette handeling moeten worden aangemerkt, zodat ze moeten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

parketnummer : 20.002500.01 -4-

datum uitspraak: 8 april 2003

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de omvang en de professionaliteit van de door verdachte opgezette hennepkwekerij en de tijdsduur waarin verdachte bezig is geweest met de hem verweten en bewezen feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend. Echter, in verband met de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn zal het hof aan de verdachte een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van het na te melden aantal uren opleggen.

Met oplegging van daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

parketnummer : 20.002500.01

datum uitspraak: 8 april 2003

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22d, 22c, 27, 56, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en 3, 11 van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, onder 2 en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1: "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod";

2 en 3: " Voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee maanden.

Beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd en veertig uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht.

Bepaalt dat deze taakstraf zal bestaan uit een werkstraf.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uur per dag.

parketnummer : 20.002500.01

datum uitspraak: 8 april 2003

Dit arrest is gewezen door Mr. Van de Loo, als voorzitter

Mrs. Harmsen en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Van der Velden, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 06

tijd : 11.35

rolnummer: 20.002500.01

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Breda van 18 oktober 2001 ter zake van:

sub 1 en sub 3 telkens: "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, lid 1,aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod", sub 2: "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, lid 1, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod";

veroordeeld tot:

een taakstraf, te weten een werkstraf gedurende honderdvijftig uren, subsidair vijfenzeventig dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht naar rato van twee uur per dag,de termijn binnen welke de taatkstraf moet worden voltooid bedraagt een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis, met dien verstande dat de termijn wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, alsmede de tijd dat hij zich aan een zodanige vrijheidsontneming heeft ontrokken, vrijspraak van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen is verklaard;