Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
01/01112
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/01112

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Douane P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Ontvanger) op het (administratief) beroepschrift betreffende de beschikking vervolgingskosten van 22 januari 2001, nummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vervolgingskosten bedragen ƒ 15.000,--. Na administratief beroep heeft de Ontvanger het bedrag van de in rekening gebrachte kosten van vervolging bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van ƒ 60,-- (= € 27,23). De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 6 november 2002 medegedeeld af te zien van het recht op een mondelinge behandeling en een kopie van deze brief gestuurd naar de Ontvanger. De Ontvanger heeft telefonisch aan de griffier medegedeeld dat hij de brief van 6 november 2002 heeft ontvangen en dat hij het Hof voldoende voorgelicht acht zodat zonder mondelinge behandeling uitspraak kan worden gedaan. Het Hof heeft voornoemde brief tot de gedingstukken gerekend.

Met toestemming van partijen heeft een mondelinge behandeling niet plaatsgevonden.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Bij een op 11 januari 2001 gehouden controle is vastgesteld dat belanghebbende betrokken was bij het inladen van 4.200.000 stuks sigaretten, die niet waren voorzien van de wettelijk voorgeschreven accijnszegels. Op 15 januari 2001 is naar aanleiding daarvan aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns opgelegd en uitgereikt, ten bedrage van ƒ 764.301,--, met het verzoek binnen 14 dagen te betalen, is een dwangbevel tot onmiddellijke betaling uitgereikt en is een aantal beslagen onder belanghebbende gelegd. Bij de berekening van vorengenoemde naheffingsaanslag is de Inspecteur evenwel uitgegaan van 4.440.000 stuks sigaretten.

2.2. Op 22 januari 2001 is aan belanghebbende te dezer zake de hier in geschil zijnde beschikking vervolgingskosten toegezonden.

2.3. Op 20 maart 2001 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat bij daadwerkelijke opname een hoeveelheid van 4.200.000 sigaretten is aangetroffen in plaats van de onder 2.1 genoemde 4.440.000 stuks en dat het belastingbedrag bij zijn uitspraak op het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaar verminderd zal worden tot ƒ 747.108,--.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de vervolgingskosten 'ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag in rekening zijn gebracht', welke vraag belanghebbende bevestigend en de Ontvanger ontkennend beantwoordt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de beschikking vervolgingskosten dan wel vermindering van de daarmee in rekening gebrachte vervolgingskosten.

De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot ongegrond- verklaring van het beroep.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het wetsvoorstel Verhoging tarieven Kostenwet invordering rijksbelastingen, Handelingen Tweede kamer, zittingsjaar 1991-1992, kamerstuknummer 22237, werd gedaan omdat gebleken was dat de kosten van vervolging in de jaren 1989-1990 hoger waren dan de opbrengst.

4.2. Belanghebbende stelt dat uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot dat wetsvoorstel kan worden afgeleid dat 'belanghebbende betaalt voor kosten die hij niet veroorzaakt heeft'. Dat is volgens belanghebbende 'niet juist en in strijd met de eis van de eerbiediging van het eigendom van belanghebbende zoals opgenomen in het EVRM en het IVBPR'.

4.3. Aanleiding voor de voorgestelde tariefsverhoging was de toename van de kosten bij invordering van onroerende-zaakbelastingen. Belanghebbende stelt, naar het Hof verstaat, dat sinds de invoering van die tariefsverhoging met ingang van 1992 daarom steeds te veel wordt betaald wanneer de vervolgingskosten op iets anders betrekking hebben dan de invordering van onroerende-zaakbelastingen.

4.4. In nr. 3 van het in 4.1 genoemde wetsvoorstel (de Memorie van Toelichting) is uitdrukkelijk aangegeven dat het ongewenst is in de tarieven onderscheid te maken tussen rijk en gemeenten. Dat is door de wetgever aanvaard. Aanvaard werd dat het tarief geen onderscheid maakt naar belastingsoort.

4.5. Anders dan belanghebbende kan het Hof uit de wetsgeschiedenis niet afleiden dat steeds teveel wordt betaald wanneer de invordering niet de onroerende-zaakbelastingen betreft. Er staat slechts dat de toename van het aantal gevallen bij gemeenten leidde tot een toename van de onderdekking. Hetgeen belanghebbende stelt kan naar het oordeel van het Hof onmogelijk precies worden vastgesteld.

Het standpunt van belanghebbende is dus naar het oordeel van het Hof gebaseerd op een verkeerde lezing van de wetsgeschiedenis en ook feitelijk niet te bepalen.

Nu belanghebbende verder niets daaromtrent heeft gesteld en het Hof ook overigens niet is gebleken dat belanghebbende te veel heeft betaald, is het beroep van belanghebbende naar het oordeel van het Hof ook overigens feitelijk niet onderbouwd.

4.6. Een en ander heeft tot gevolg dat belanghebbende te weinig heeft gesteld om toe te kunnen komen aan de vraag of de onderhavige beschikking vervolgingskosten in strijd is met mensenrechten en in het bijzonder de eis van eerbiediging van de eigendom van belanghebbende, wat er verder ook zij van die stelling.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J.W. van der Voort en J. Swinkels, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 20 januari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 20 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.