Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
00/01168
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01168

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking van 9 november 1999, kenmerk 1, heeft de Inspecteur verklaard dat uit zijn gegevens per 1 oktober 1999 gebleken is dat belanghebbende "als zelfstandige niet voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000". Na daartegen door belanghebbende tijdig gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur vanwege het voortijdig gedaan hebben van die beschikking bij zijn uitspraak van 18 februari 2000 de door belanghebbende bestreden in die beschikking gedane verklaring herroepen en in de plaats daarvan in die uitspraak een nieuwe beschikking genomen. In die uitspraak heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen het voor het jaar 2000 niet ziekenfondsverzekerd zijn afgewezen en de in genoemde beschikking door hem gedane verklaring bevestigd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,= (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsvonden op 27 november 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord, de Inspecteur, terwijl zonder bericht noch belanghebbende noch haar gemachtigde, is verschenen.

De Griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende bij op 21 oktober 2002 naar diens adres verzonden oproeping, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, kennis gegeven van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling. Blijkens de door de PTT Post teruggezonden retourkaart is de oproeping op 22 oktober 2002 aan de gemachtigde van belanghebbende uitgereikt. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende op regelmatige wijze is opgeroepen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende drijft met ingang van 1 januari 1996 in maatschapsverband een varkensbedrijf en geniet als zodanig winst uit onderneming.

2.2. Het belastbaar inkomen van belanghebbende bedroeg naar de situatie per 1 oktober 1999 voor ieder van de jaren 1996 en 1997 respectievelijk fl. 26.769,- en fl. 62.808,-.

2.3. Belanghebbendes aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998, gedagtekend 2 november 1999, op de genoemde eenheid van de rijksbelastingdienst ingekomen op 3 november 1999, vermeldde een negatief belastbaar inkomen van fl. 197.729,-. Het gemiddelde inkomen over de jaren 1995, 1996 en 1997 bedroeg fl. 32.804.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag of voor het jaar 2000 belanghebbende voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet (hierna: ZFW), dat haar inkomen in de zin van die wetsbepaling niet meer bedraagt dan fl. 41.200,-.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan niets toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot het afgeven van een verklaring inhoudende dat belanghebbende in 2000 voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 3d van de ZFW en mitsdien in dat jaar ziekenfondsverzekerd is. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 3d, eerste, derde en vierde lid, van de ZFW bepalen het navolgende:

"1. Verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan f 41 200.

3. Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten beschouwing wijzigingen in het inkomen die door de inspecteur van de rijksbelastingen na 1 oktober worden vastgesteld.

4. Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt onder inkomen verstaan de som van het belastbare inkomen uit werken en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met de correctieposten bedoeld in artikel 3c, zesde lid, onderdelen a tot en met g, met dien verstande dat indien de berekening van het belastbare inkomen uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot een negatief bedrag leidt, dat inkomen op nul wordt gesteld. Bij ministeriële regeling wordt bepaald over welke tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen en kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid.".

4.2. De in artikel 3d, vierde lid ZFW bedoelde ministeriële regeling is de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekeringen zelfstandigen van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 248 (hierna: de Regeling).

Ingevolge artikel 1, letter d, van de Regeling wordt onder basisreferteperiode verstaan: de periode van het derde tot en met het vijfde jaar vóór het kalenderjaar waarvoor de beoordeling ingevolge de ZFW plaatsvindt.

Artikel 2 van de Regeling bepaalt het navolgende:

"1. Voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid, van de ZFW

voor enig jaar wordt ten aanzien van een zelfstandige die gedurende de basisreferteperiode en daarna zelfstandige is gebleven, in aanmerking genomen het gemiddelde van de definitief vastgestelde inkomens over de jaren van de basisreferteperiode.

2. In afwijking van het eerste lid wordt op aanvraag van de zelfstandige voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid, van de ZFW het gemiddelde van zijn inkomens over twee jaren in de basisreferteperiode in aanmerking genomen. De aanvraag wordt slechts in aanmerking genomen indien deze is gedaan binnen twee weken na dagtekening van de in artikel 3d, tweede lid, van de ZFW bedoelde verklaring.

3. Indien over enig jaar het inkomen nog niet definitief is vastgesteld, wordt het voorlopig vastgestelde inkomen in aanmerking genomen.

4. Indien over enig jaar het inkomen nog niet voorlopig is vastgesteld, wordt het inkomen volgens de aangifte voor dat jaar in aanmerking genomen.

5. Indien over enig jaar nog geen aangifte is gedaan, wordt voor dat jaar het laatste door de belastingplichtige aan de Inspecteur opgegeven geschatte inkomen voor dat jaar in aanmerking genomen.

6. Indien over enig jaar door de belastingplichtige geen schatting van zijn inkomen aan de Inspecteur is opgegeven, wordt voor dat jaar het door de Inspecteur te schatten inkomen in aanmerking genomen."

Artikel 4, eerste lid van de Regeling bepaalt:

"Voor de beoordeling van de ziekenfondsverzekering van een zelfstandige voor het jaar 2000 wordt in aanmerking genomen:

a. voor een zelfstandige die vanaf 1996 en daarna zelfstandige is

gebleven: het gemiddelde inkomen dat hij heeft genoten over de jaren 1996 en 1997;

b. voor een zelfstandige die vanaf 1997 en daarna zelfstandige is gebleven : het inkomen over 1997;

c. voor een zelfstandige die vanaf 1998 en daarna zelfstandige is gebleven: het inkomen over 1998;

d. voor een zelfstandige die in 1999 voor het eerst verzekerd is geworden ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen: het geschatte inkomen over 1999.".

4.3. Belanghebbende beroept zich, naar het Hof verstaat, op de bepalingen van artikel 2, van de Regeling, op grond waarvan de zelfstandige één jaar van de basisreferteperiode buiten beschouwing mag laten (lid 2), dan wel, indien over enig jaar het inkomen nog niet (definitief) vaststaat, mag werken met voorlopige vaststellingen respectievelijk schattingen van dat inkomen (leden 3 tot en met 6). Indien belanghebbende een van de hier genoemde bepalingen zou mogen inroepen, zou zij voor het jaar 2000 verplicht ziekenfondsverzekerd zijn.

4.4. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet zelfstandigen in de ziekenfondswet (hierna: ZZFW), zoals behandeld in de bijlage bij de conclusies van A-G Wattel van 28 december 2001 in de zaken 36 558, 36 621 en 36 642 (V-N 2002/14.23, 2002/14.22 en 2002/14.24), blijkt, dat de bedoeling van de ZZFW is om zelfstandigen met een bescheiden inkomen toegang te garanderen tot een betaalbaar en volledig verzekeringspakket terwijl voorkomen moet worden dat een zelfstandige zich regelmatig op een andere wijze tegen ziektekosten zou moeten verzekeren (zie onder meer Nota naar aanleiding van het Verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 553, nr. 5, blz. 7). Uit deze doelstelling vloeit geenszins voort, dat, zoals in casu het geval is, een zelfstandige met een bescheiden inkomen gedwongen wordt zich eerst particulier te verzekeren, om korte tijd daarna deze particuliere verzekering weer te verlaten.

4.5. De Regeling gaat voor de bepaling van de verzekeringsplicht in jaar "n" in beginsel uit van een gemiddelde inkomen over de jaren n-5 tot en met n-3 op grond van de overwegingen, dat aldus (i) een "jojo-effect" (ziekenfonds in - ziekenfonds uit) wordt voorkomen door inkomensmiddeling en (ii) dat uitgegaan wordt van betrouwbare inkomensgegevens. Voor "startende" ondernemers zonder een (zo lang) zelfstandigenverleden, is voor de bepaling van de verzekeringsplicht het inkomen van soms slechts één jaar beslissend, ook indien dat inkomen geenszins representatief is, want behaald in het startjaar, en ook indien dat inkomen door de Inspecteur nog niet is vastgesteld, dus in de ogen van de wetgever onbetrouwbaar is. Voor deze "startende" ondernemers bestaat voorts niet de mogelijkheid om gebruik te maken van de keuzemogelijkheid die andere ondernemers wel hebben, namelijk om naar eigen inzicht één jaar buiten aanmerking te laten.

4.6. Belanghebbende valt onder de bepaling van artikel 4, lid 1, letter a van de Regeling, op grond waarvan voor de beoordeling van de ziekenfondsverzekering haar gemiddeld inkomen over de jaren 1996 en 1997 in aanmerking wordt genomen, welk inkomen hoger is dan de in artikel 3d ZFW genoemde grens, terwijl blijkens haar aangifte over het jaar 1998, welke aangifte reeds vóór de dagtekening van de beschikking bedoeld in 1.1 bij de Inspecteur was binnengekomen, duidelijk is, dat indien zij de mogelijkheid had om gebruik te maken van het bepaalde in artikel 2, leden twee tot en met 6 dan wel van het bepaalde in artikel 4, lid 1, letters b, c of d van de Regeling, haar (gemiddeld) inkomen wel onder de hierboven genoemde grens zou vallen en zij dus wel overeenkomstig haar wens voor een verplichte ziekenfondsverzekering in aanmerking zou zijn gekomen.

4.7. Het Hof is van oordeel, dat de Regeling in belanghebbendes geval zodanig uitwerkt, dat van een onredelijk en willekeurig resultaat moet worden gesproken, dat de wetgever niet voor ogen kan hebben gestaan en dat niet beantwoordt aan de doelstelling van de ZZFW, terwijl bovendien een ongelijkheid tussen startende en niet startende ondernemers wordt gecreëerd, waarvoor geen rechtvaardiging bestaat. De Regeling bevat naar het oordeel van het Hof een zodanige gebrekkige uitwerking van de formele wet dat die Regeling in belanghebbendes geval buiten toepassing moet worden gelaten.

4.8. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd en aan belanghebbende een verklaring moet worden afgegeven inhoudende dat belanghebbende in 2000 voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punt) x € 322,= (waarde per punt) is € 322,-.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak,

verklaart dat belangebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 27,23,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 322,-, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 30 januari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 30 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.