Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
10-04-2003
Zaaknummer
20.001711.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

82 x overtreding van artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer. (te weinig rusttijd werknemer/chauffeur)

Straf: 82 x € 300, waarvan telkens € 150,= voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001711.02

uitspraakdatum : 28 maart 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

economische kamer

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 november 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/070274-01 en 01/070943-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als niet te zijn gericht tegen de beslissing van de eerste rechter ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn strafvervolging van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten voor zover die feiten niet eerder als ad informandum gevoegde feiten zijn genoemd op de dagvaarding met parketnummer 01/070274-01.

Het hof verstaat vorenbedoelde beslissing van de eerste rechter aldus, dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging ten aanzien van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, voor zover die feiten betrekking hebben op werknemers die niet eerder zijn genoemd in de ad informandum gevoegde feiten op de dagvaarding met parketnummer 01/070274-01. Dit betreft alleen de werknemers [betrokkene 1] (2 x), [betrokkene 2] (2 x), [betrokkene 3] (1 x), [betrokkene 4] (1 x) en [betrokkene 5] (1 x) in het onder parketnummer 01/070943-01 onder 2 ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -voor zover thans nog aan de orde- ten laste gelegd, dat:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 01/070274-01:

1. [besloten vennootschap] in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, in ieder geval in Nederland, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 6] op 26 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 24 uur, aanvangende op 26 juli 1999 te 10.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, hebbende hij, verdachte, tot dit feit opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

(artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

2. [besloten vennootschap] in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, in ieder geval in Nederland, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 7] op 25 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 24 uur, aanvangende op 24 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, hebbende hij, verdachte, tot dit feit opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

(artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

3. [besloten vennootschap] in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, in ieder geval in Nederland, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 8 ] op 4 juli 1999 en/of 5 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uren, hebbende hij, verdachte, tot dit feit opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

(artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

4. [besloten vennootschap] in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, in ieder geval in Nederland, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 9 ] op 24 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uren, hebbende hij, verdachte, tot dit feit opdracht gegeven, althans feitelijk leiding geven aan voormelde

verboden gedraging;

(artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

5. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, althans in Nederland, als werkgever (telkens) in of op een controlemiddel, te weten een registratieblad gedateerd 24 juli 1999, onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen heeft doen stellen en/of heeft toegelaten dat in of op een controlemiddel, te weten een registratieblad gedateerd 24 juli 1999, onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen gesteld werden, immers, heeft zij, verdachte, door de werknemer(s) [betrokkene 10] en/of [betrokkene 11], op bovengenoemd registratieblad, bij het gebruik van dat registratieblad, een onjuiste naam ([naam]), laten stellen en/of toegelaten dat door de werknemer(s) [betrokkene 10] en/of [betrokkene 11], op bovengenoemd registratieblad, bij het gebruik van dat registratieblad, een onjuiste naam ([naam]) werd gesteld, hebbende hij, verdachte, opdracht gegeven tot dit feit, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

(artikel 2.4:4 lid 1 onder a Arbeidstijdenbesluit vervoer)

6. in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel een of meer bestuurder(s) van (een) bus(sen), te weten [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15], die geboren zijn na 30 juni 1955, niet een door de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkend getuigschrift van vakbekwaamheid, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, bij zich had(den) waaruit bleek dat genoemde [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15], met goed gevolg een opleiding voor bestuurder van een autobus had(den) gevolgd, hebbende [besloten vennootschap] alstoen aldaar als werkgever niet op het bezit van genoemd(e) getuigschrift(en) of (het) gewaarmerkte afschrift(en) daarvan toegezien, aan welk(e) feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven, althans feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 2.7:2 lid 2 juncto lid 1 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 01/070943-01:

1. [besloten vennootschap] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, in ieder geval in Nederland, als werkgever de arbeid (telkens) niet zodanig heeft georganiseerd dat een of meer van de hierna te noemen werknemer(s) een rusttijd had(den) overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had(den) een of meer van de hierna te noemen werknemer(s) die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte(n) met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, immers

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 24 uur, aanvangende op 16 juli 1999 te 08.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 24 uur, aanvangende op 30 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 17] in een periode van 24 uur, aanvangende op 16 juli 1999 te 02.20 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 18] in een periode van 24 uur, aanvangende op 15 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 19] in een periode van 24 uur, aanvangende op 11 juli 1999 te 18.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 19] in een periode van 24 uur, aanvangende op 22 juli 1999 te 04.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 20] in een periode van 24 uur, aanvangende op 11 juli 1999 te 23.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 25 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 21] in een periode van 24 uur, aanvangende op 16 juli 1999 te 04.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 21] in een periode van 24 uur, aanvangende op 23 juli 1999 te 05.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 22] in een periode van 24 uur, aanvangende op 4 juli 1999 te 07.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 22] in een periode van 24 uur, aanvangende op 15 juli 1999 te 09.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 22] in een periode van 24 uur, aanvangende op 22 juli 1999 te 09.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 23] in een periode van 24 uur, aanvangende op 22 juli 1999 te 22.40 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 23] in een periode van 24 uur, aanvangende op 30 juli 1999 te 05.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 13] in een periode van 24 uur, aanvangende op 13 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 24 uur, aanvangende op 6 juli 1999 te 17.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 24] in een periode van 24 uur, aanvangende op 4 juli 1999 te 13.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 25] in een periode van 24 uur, aanvangende op 5 juli 1999 te 06.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 26] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 05.25 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 27] in een periode van 24 uur, aanvangende op 14 juli 1999 te 02.20 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 27] in een periode van 24 uur, aanvangende op 29 juli 1999 te 12.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 28] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 09.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 28] in een periode van 24 uur, aanvangende op 19 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 29] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 05.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 24 uur, aanvangende op 12 juli 1999 te 03.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 24 uur, aanvangende op 18 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 24 uur, aanvangende op 24 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 32] in een periode van 24 uur, aanvangende op 23 juli 1999 te 07.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 33]n in een periode van 24 uur, aanvangende op 15 juli 1999 te 18.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 33]n in een periode van 24 uur, aanvangende op 30 juli 1999 te 06.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 34] in een periode van 24 uur, aanvangende op 2 juli 1999 te 05.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 24 uur, aanvangende op 6 juli 1999 te 17.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 35] in een periode van 24 uur, aanvangende op 25 juli 1999 te 07.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 24 uur, aanvangende op 26 juli 1999 te 08.40 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 37] in een periode van 24 uur, aanvangende op 13 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur,

hebbende hij, verdachte, tot dit/deze feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

(artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

2. [besloten vennootschap] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, in ieder geval in Nederland, als werkgever de arbeid (telkens) niet zodanig heeft georganiseerd dat een of meer van de hierna te noemen werknemer(s) een rusttijd had(den) overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had(den) een of meer van de hierna te noemen werknemer(s) die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte(n) met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Verordening genoten, immers

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 23.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 38] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 39] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 39] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 10.25 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 39] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 09.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 21.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 41] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 41] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 10.25 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 41] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 09.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 6 juli 1999 te 18.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 9 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 18.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 08.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 19.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 18.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 18] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 43] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 09.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 43] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 10.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 43] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 17.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 43] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 09.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 19] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 41] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 11.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 44] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 2 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur en 25 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 14.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 45] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 46] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 09.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 46] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 10.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 46] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 17.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 46] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 09.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 11.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 07.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 13.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 12.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 12.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 24] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 6 juli 1999 te 18.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 9 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 18.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 25 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 08.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 19.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 9 ] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 18.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 47] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 2 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 47] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur en 25 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 47] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 08.40 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 48]r in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 48]r in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 49] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 9 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 49] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 49] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 5 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 16.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 17.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 51] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 28] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 2 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 52] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 52] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 52] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 4 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 62] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 62] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 62] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 11.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 19.10 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 53] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 9 juli 1999 te 10.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 53] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 23.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 54] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 9 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 54] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 55] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 55] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 56] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 56] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 56] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 09.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 11.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 07.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 13.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 58] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 4 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 11.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 12.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 12.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode vanuur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 09.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 09.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 60] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 60] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 61] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 61] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 14.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 11.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 19.10 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 63] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 19 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 16.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 17.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 9 juli 1999 te 10.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 35 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 23.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 23.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur,

hebbende hij, verdachte, tot dit/deze feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

(artikel 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer)

3. [besloten vennootschap] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, althans in Nederland, als werkgever (telkens) in of op een of meer hieronder nader aangeduid(e) controlemiddel(en), onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen heeft doen stellen en/of heeft toegelaten dat zij daarin of daarop gesteld werden, immers heeft [besloten vennootschap],

- door werknemer [betrokkene 43] en/of [betrokkene 46] op een registratieblad gedateerd 31 juli 1999, bij het gebruik van dit registratieblad, een onjuiste naam ([naam]) doen stellen en/of toegelaten dat een onjuiste naam in of op bovengenoemd registratieblad werd gesteld en/of

- door werknemer [betrokkene 45] en/of [betrokkene 47] op een registratieblad gedateerd 24 juli 1999, bij het gebruik van dit registratieblad, een onjuiste naam ([naam]) doen en/of toegelaten dat een onjuiste naam in of op bovengenoemd registratieblad werd gesteld, hebbende hij, verdachte, tot dit/deze feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

(artikel 2.4:4 lid 1 onder a Arbeidstijdenbesluit vervoer).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Op de dagvaarding met parketnummer 01/070943-01 zijn onder 1 van de werknemer [betrokkene 66] en onder 2 van de werknemers [betrokkene 39], [betrokkene 41], [betrokkene 42], [betrokkene 43], [betrokkene 45], [betrokkene 46], [betrokkene 11], [betrokkene 9 ], [betrokkene 47], [betrokkene 49], [betrokkene 31] en [betrokkene 36] meer feiten ten laste gelegd dan eerder ad informandum waren gevoegd op de dagvaarding met parketnummer 01/070274-01.

Het hof kan niet vaststellen welke van deze ten laste gelegde feiten eerder ad informandum waren gevoegd op voormelde dagvaarding.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Alle op de dagvaarding met parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999. Op grond van artikel 71, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht vangt de termijn van verjaring aan -uitzonderingen daargelaten- op de dag na die waarop het feit is gepleegd, in het onderhavige geval derhalve op 2 juli 1999.

De genoemde ten laste gelegde feiten zijn telkens als overtreding voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 2.5:1 (oud), vierde lid van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8:1 (oud), eerste lid van dat besluit juncto artikel 5:12, eerste lid, aanhef en onder a van de Arbeidstijdenwet juncto artikel 1 (oud), aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten junctis de artikelen 2, vierde lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van die wet juncto artikel 51, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge artikel 70, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering in twee jaren voor alle overtredingen. Elke daad van vervolging, waaronder het uitbrengen van een dagvaarding met daarop ad informandum gevoegde feiten, stuit evenwel krachtens artikel 72, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij.

Aangezien het hof ten aanzien van de hiervoor genoemde werknemers in de onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet kan vaststellen welke feiten eerder ad informandum waren gevoegd op de dagvaarding met parketnummer 01/070274-01, kan het hof evenmin vaststellen ten aanzien van welke feiten de verjaring is gestuit door het uitbrengen van de laatstgenoemde dagvaarding.

Gelet op het vorenstaande moet het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn strafvervolging ten aanzien van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 ten laste gelegde feiten, voor zover die feiten betrekking hebben op werknemer [betrokkene 66] (2 x) en ten aanzien van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 2 ten laste gelegde feiten, voor zover die feiten betrekking hebben op de werknemers [betrokkene 39] (3 x), [betrokkene 41] (3 x), [betrokkene 42] (14 x), [betrokkene 43] (4 x), [betrokkene 45] (7 x), [betrokkene 46] (4 x), [betrokkene 11] (5 x), [betrokkene 9 ] (13 x), [betrokkene 47] (3 x), [betrokkene 49] (3 x), [betrokkene 31] (5 x) en [betrokkene 36] (7 x).

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 01/070274-01 onder 5 en onder parketnummer 01/070943-01 onder 3 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan één of meer van de aldaar bedoelde gedragingen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en het onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 01/070274-01:

1. [besloten vennootschap] in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 6] op 26 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 24 uur, aanvangende op 26 juli 1999 te 10.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

2. [besloten vennootschap] in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 7] op 25 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 24 uur, aanvangende op 24 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

3. [besloten vennootschap] in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 8 ] op 4 juli 1999 en/of 5 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uren, hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

4. [besloten vennootschap] in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel, als werkgever de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de werknemer genaamd [betrokkene 9 ] op 24 juli 1999 een rusttijd had overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die werknemer die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtte met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, in de periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uren, hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding geven aan voormelde verboden gedraging;

6. in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel bestuurders van bussen, te weten [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en [betrokkene 14] en [betrokkene 15], die geboren zijn na 30 juni 1955, niet een door de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkend getuigschrift van vakbekwaamheid, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, bij zich hadden waaruit bleek dat genoemde [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en [betrokkene 14] en [betrokkene 15], met goed gevolg een opleiding voor bestuurder van een autobus hadden gevolgd, hebbende zij, verdachte, alstoen aldaar als werkgever niet op het bezit van genoemde getuigschriften of gewaarmerkte afschriften daarvan toegezien, aan welke feiten hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 01/070943-01:

1. [besloten vennootschap] op tijdstippen in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel als werkgever de arbeid telkens niet zodanig heeft georganiseerd dat de hierna te noemen werknemers een rusttijd hadden overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers hadden de hierna te noemen werknemers die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtten met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, immers

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 24 uur, aanvangende op 16 juli 1999 te 08.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 24 uur, aanvangende op 30 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 17] in een periode van 24 uur, aanvangende op 16 juli 1999 te 02.20 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 18] in een periode van 24 uur, aanvangende op 15 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 19] in een periode van 24 uur, aanvangende op 11 juli 1999 te 18.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 19] in een periode van 24 uur, aanvangende op 22 juli 1999 te 04.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 20] in een periode van 24 uur, aanvangende op 11 juli 1999 te 23.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 25 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 21] in een periode van 24 uur, aanvangende op 16 juli 1999 te 04.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 21] in een periode van 24 uur, aanvangende op 23 juli 1999 te 05.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 22] in een periode van 24 uur, aanvangende op 4 juli 1999 te 07.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 22] in een periode van 24 uur, aanvangende op 15 juli 1999 te 09.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 22] in een periode van 24 uur, aanvangende op 22 juli 1999 te 09.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 23] in een periode van 24 uur, aanvangende op 22 juli 1999 te 22.40 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 23] in een periode van 24 uur, aanvangende op 30 juli 1999 te 05.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 11] in een periode van 24 uur, aanvangende op 6 juli 1999 te 17.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 25] in een periode van 24 uur, aanvangende op 5 juli 1999 te 06.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 26] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 05.25 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 27] in een periode van 24 uur, aanvangende op 14 juli 1999 te 02.20 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 27] in een periode van 24 uur, aanvangende op 29 juli 1999 te 12.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 29] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 05.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 24 uur, aanvangende op 18 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 24 uur, aanvangende op 24 juli 1999 te 18.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 31] in een periode van 24 uur, aanvangende op 9 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 32] in een periode van 24 uur, aanvangende op 23 juli 1999 te 07.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 33]n in een periode van 24 uur, aanvangende op 15 juli 1999 te 18.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 34] in een periode van 24 uur, aanvangende op 2 juli 1999 te 05.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 24 uur, aanvangende op 6 juli 1999 te 17.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 35] in een periode van 24 uur, aanvangende op 25 juli 1999 te 07.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 55 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 36] in een periode van 24 uur, aanvangende op 26 juli 1999 te 08.40 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 9 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 37] in een periode van 24 uur, aanvangende op 13 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uur,

hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedragingen;

2. [besloten vennootschap] op tijdstippen in de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 juli 1999 te Boxtel als werkgever de arbeid telkens niet zodanig heeft georganiseerd dat de hierna te noemen werknemers een rusttijd hadden overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers hadden de hierna te noemen werknemers die als bestuurder buitenlands vervoer verrichtten met een voertuig waarop voornoemde Verordening van toepassing was, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van voornoemde Verordening genoten, immers

- had werknemer [betrokkene 16] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 40] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 21.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 18] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 41] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 11.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 07.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 13.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 42] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 24] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 48]r in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 19.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 48]r in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 16.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 50] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 17.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 51] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 10.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 28] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 2 juli 1999 te 07.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 20 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 52] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 30] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 4 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 62] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 3 juli 1999 te 17.45 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 62] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 62] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 53] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 23.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 54] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 11.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 07.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 2 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 57] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 1 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 58] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 4 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 10 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 11.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 12 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 13 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 7 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 23 juli 1999 te 12.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 10] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 12.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 26 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 15 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 59] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 40 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 60] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 16 juli 1999 te 09.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 60] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 17 juli 1999 te 17.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 61] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 30 juli 1999 te 08.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 61] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 31 juli 1999 te 19.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 63] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 20 juli 1999 te 18.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 6 uur, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 24 juli 1999 te 16.15 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 3 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer [betrokkene 64] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 27 juli 1999 te 17.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 4 uur en 30 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 5 juli 1999 te 08.30 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

- had werknemer van [betrokkene 65] in een periode van 30 uur waarin het voertuig werd bemand door ten minste twee bestuurders, aanvangende op 10 juli 1999 te 23.05 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, een langst achtereenvolgende rusttijd van 5 uur en 5 minuten, in elk geval minder dan 8 uur en/of

hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedragingen;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 niet bewezen geachte feiten acht het hof in het bijzonder niet bewezen het tijdstip waarop de desbetreffende werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

1a. Blijkens het proces-verbaal van de Rijksverkeersinspectie, zoals door verbalisant Kusters nader toegelicht ter terechtzitting in hoger beroep, is bij de bepaling van de rij- en rusttijden rekening gehouden met de tijd gemoeid met het woon- en werkverkeer. Bij de vennootschap bestond immers de gewoonte dat de chauffeurs aansluitend op hun diensttijd voor het woon- en werkverkeer gebruik maakten van dezelfde bus waarin zij gedurende hun diensttijd zouden gaan rijden of hadden gereden.

Verdachte daarentegen heeft zich op het standpunt gesteld dat de tijd gemoeid met het woon- en werkverkeer ten onrechte in beschouwing is genomen bij het bepalen van het begin en einde van de rusttijd.

1b. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voorop wordt gesteld dat, gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 9 juni 1994 (strafzaak tegen Michielsen en Geybels Transport Service NV) "de dagelijkse werktijd" in de zin van artikel 15, tweede lid van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 naast de rijtijd ook omvat alle andere werktijden, de tijd dat de bestuurders beschikbaar zijn, de werkonderbrekingen en de dagelijkse rusttijd, voor zover deze niet langer dan een uur duurt, wanneer de bestuurder deze rusttijd in twee of drie perioden verdeelt.

Die dagelijkse werktijd begint op het moment waarop de bestuurder, na een periode van wekelijkse of dagelijkse rust, de tachograaf in werking stelt of, in geval van splitsing van de dagelijkse rust, aan het einde van de rustperiode die minimaal acht uur heeft geduurd. Hij eindigt aan het begin van een periode van dagelijkse rust of, in geval van splitsing van de dagelijkse rust, aan het begin van een rustperiode van minimaal acht opeenvolgende uren.

Voorts wordt in aanmerking genomen dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 18 januari 2001 (strafzaak tegen Skills Motor Coaches Ltd, B.J. Farmer, C.J. Burley en B. Denman) heeft overwogen dat het begrip werktijd in de zin van artikel 15 van Verordening (EEG) nr. 3821/85 ziet op de momenten van daadwerkelijke activiteit van de bestuurder die het rijden kunnen beïnvloeden, de rijtijd daaronder begrepen. Verder heeft het hof in dat arrest overwogen dat indien een bestuurder die zich naar een bepaalde plaats begeeft die door zijn werkgever is aangeduid en niet zijn woonplaats betreft en niet het exploitatiecentrum van de onderneming is, om er een voertuig over te nemen en te besturen, een verplichting tegenover zijn werkgever nakomt en tijdens dit traject dus niet over vrije tijd beschikt.

In het licht van het doel de verkeersveiligheid te verbeteren, moet deze tijd bijgevolg worden beschouwd als deel uitmakend van alle andere werktijden in de zin van artikel 15 van Verordening (EEG) nr. 3821/85.

Gelet op het bovenstaande is het hof, anders dan verdachte, van oordeel dat bij de bepaling van de omvang van de rij- en rusttijden, de tijd gemoeid met het woon- en werkverkeer in de zin zoals hierboven onder 1a aangegeven, moet worden betrokken.

2a. De raadsman van verdachte heeft op de gronden als nader verwoord in zijn ter terechtzitting van dit hof van 16 januari 2003 overgelegde pleitnota en in zijn mondelinge aanvulling daarop op de terechtzitting van 14 maart 2003 -kort samengevat- het navolgende betoogd.

De ten laste gelegde overtredingen van de rij- en rusttijden kunnen niet wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien in het proces-verbaal van de Rijksverkeersinspectie niet per individuele werknemer is aangegeven of bij de bepaling van de aanvangstijd is uitgegaan van het registratieblad of van een andere "bron", zoals de ritopdracht.

Naar aanleiding van het tussenarrest van dit hof van 30 januari 2003 heeft verbalisant M. Drijer, daarbij bijgestaan door J.A. Kusters, weliswaar een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin alsnog per ten laste gelegde overtreding is aangegeven of bij de bepaling van de aanvangstijd is uitgegaan van het registratieblad of van een andere "bron", zoals de ritopdracht, maar uit een steekproefsgewijze controle ("at random") van dit aanvullend proces-verbaal, blijkt dat bij zes van de dertien gecontroleerde overtredingen verschil bestaat tussen de aanvangstijd in het proces-verbaal en de aanvangstijd op het betreffende registratieblad. Ervan uitgaande dat deze steekproef representatief is, betekent dat, dat bij 45% van de ten laste gelegde overtredingen een dergelijk verschil bestaat, zodat deze alsnog niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

2b. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Bij tussenarrest van 30 januari 2003 heeft het hof de advocaat-generaal opdracht gegeven om een nader onderzoek in te stellen naar de verschillen tussen de in de tenlastelegging genoemde tijdstippen waarop de bestuurder de tachograaf in werking stelde en de in het proces-verbaal met nummer VR/191199/1600/7021 bij de beoordeling van de rij- en rusttijden door de verbalisant gehanteerde aanvangstijdstippen.

Hierop is door de verbalisant M. Drijer, senior-inspecteur bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat (voorheen de Rijksverkeersinspectie geheten), divisie vervoer, sector handhaving, afdeling personenvervoer, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, daarbij bijgestaan door J.A. Kusters, thans persvoorlichter en voormalig inspecteur en buitengewoon opsporingsambtenaar bij voormelde inspectie, een aanvullend proces-verbaal opgemaakt met nummer 17022003/1000/3067, waarin alsnog per ten laste gelegde overtreding is aangegeven of bij de bepaling van de aanvangstijd is uitgegaan van het registratieblad of van een andere "bron", zoals de ritopdracht.

Zoals de raadsman terecht heeft geconstateerd, bestaan er bij een aantal feiten verschillen tussen de in de tenlastelegging genoemde tijdstippen waarop de bestuurder de tachograaf in werking zou hebben gesteld en de aanvangstijdstippen op de desbetreffende registratiebladen.

De steller van de tenlastelegging heeft kennelijk reeds rekening gehouden met de mogelijkheid dat de aanvangstijden in de tenlastelegging niet geheel overeenkomen met de aanvangstijden op de registratiebladen, door in de tenlastelegging na de genoemde aanvangstijden uitdrukkelijk de zinsnede op te nemen "of daaromtrent". Kleine onnauwkeurigheden zijn nu eenmaal inherent aan het aflezen van dergelijke registratiebladen.

Zolang het verschil tussen de aanvangstijd op het registratieblad en de aanvangstijd als genoemd in de tenlastelegging binnen redelijke grenzen blijft, staat dit verschil een bewezenverklaring van het betreffende feit naar het oordeel van het hof daarom niet in de weg.

Weliswaar heeft dit tot gevolg dat bij sommige feiten de werkelijke rusttijd enigszins langer is geweest dan in de tenlastelegging is vermeld, maar daar staat tegenover dat bij andere feiten de werkelijke rusttijd aanzienlijk korter is geweest dan is toegestaan.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 bewezen verklaarde is telkens als overtreding voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 2.5:1 (oud), vierde lid van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8:1 (oud), eerste lid van dat besluit juncto artikel 8, eerste lid van de Verordening(EEG) nr. 3820/85 juncto artikel 5:12, eerste lid, aanhef en onder a van de Arbeidstijdenwet juncto artikel 1 (oud), aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten junctis de artikelen 2, vierde lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van die wet juncto artikel 51, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder parketnummer 01/070274-01 onder 3 en 4 en het onder parketnummer 01/070943-01 onder 2 bewezen verklaarde is telkens als overtreding voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 2.5:1 (oud), vierde lid van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8:1 (oud), eerste lid van dat besluit juncto artikel 8, tweede lid van de Verordening (EEG) nr. 3820/85 juncto artikel 5:12, eerste lid, aanhef en onder a van de Arbeidstijdenwet juncto artikel 1 (oud), aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten junctis de artikelen 2, vierde lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van die wet juncto artikel 51, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder parketnummer 01/070274-01 onder 6 bewezen verklaarde is telkens als overtreding voorzien bij artikel 2.7:2, eerste lid juncto het tweede lid van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8:1 (oud), eerste lid van dat besluit juncto artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a van de Arbeidstijdenwet juncto artikel 1 (oud), aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten junctis de artikelen 2, vierde lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van die wet juncto artikel 51, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 bewezen verklaarde moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboetes heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van gedeeltelijk voorwaardelijke straffen terzake van het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3 en 4 en onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 bewezen verklaarde wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Terzake van de vier onder parketnummer 01/070274-01 onder 6 bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel niet worden volstaan met geldboetes als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin onvoldoende de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking komt.

Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om, in geval van oplegging van een of meer geldboetes, de hoogte van de geldboetes te matigen en betaling in termijnen toe te staan.

Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de geldboetes reeds rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. In hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd vindt het hof onvoldoende aanleiding om te bepalen dat de verdachte de bedragen in gedeelten mag voldoen.

Het verzoek moet derhalve worden verworpen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 5.12 en 11.4 van de Arbeidstijdenwet en de artikelen 2.4:4 (oud), 2.5:1 (oud), 2.7:2 en 8:1 (oud) van het Arbeidstijdensbesluit vervoer.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging ten aanzien van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 ten laste gelegde feiten, voor zover die feiten betrekking hebben op werknemer [betrokkene 66] (2 x) en ten aanzien van de onder parketnummer 01/070943-01 onder 2 ten laste gelegde feiten, voor zover die feiten betrekking hebben op de werknemers [betrokkene 39] (3 x), [betrokkene 41] (3 x), [betrokkene 42] (14 x), [betrokkene 43] (4 x), [betrokkene 45] (7 x), [betrokkene 46] (4 x), [betrokkene 11] (5 x), [betrokkene 9 ] (13 x), [betrokkene 47] (3 x), [betrokkene 49] (3 x), [betrokkene 31] (5 x) en [betrokkene 36] (7 x).

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 01/070274-01 onder 5 en het onder 01/070943-01 onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en het onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde oplevert:

“Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”.

Verklaart dat het onder parketnummer 01/070274-01 onder 6 bewezen verklaarde oplevert:

“Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, vier maal gepleegd”.

Verklaart dat het onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 bewezen verklaarde oplevert:

“Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, dertig maal gepleegd”.

Verklaart dat het onder parketnummer 01/070943-01 onder 2 bewezen verklaarde oplevert:

“Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, achtenveertig maal gepleegd”.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Terzake van het onder parketnummer 01/070274-01 onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 300,- (Eur. driehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete een deel, groot ? 150,- (Eur. honderdvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Terzake van het onder parketnummer 01/070274-01 onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 300,- (Eur. driehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete een deel, groot ? 150,- (Eur. honderdvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Terzake van het onder parketnummer 01/070274-01 onder 3 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 300,- (Eur. driehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete een deel, groot ? 150,- (Eur. honderdvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Terzake van het onder parketnummer 01/070274-01 onder 4 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 300,- (Eur. driehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete een deel, groot ? 150,- (Eur. honderdvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Terzake van het onder parketnummer 01/070274-01 onder 6 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot vier geldboetes van elk ? 200,- (Eur. tweehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van vier dagen.

Terzake van het onder parketnummer 01/070943-01 onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot dertig geldboetes van elk ? 300,- (Eur. driehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete telkens een deel, groot ? 150,- (Eur. honderdvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Terzake van het onder parketnummer 01/070943-01 onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot achtenveertig geldboetes van elk ? 300,- (Eur. driehonderd), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete telkens een deel, groot ? 150,- (Eur. honderdvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. Van de Loo en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 maart 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 09

tijd : 15.00

rolnummer: 20.001711.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 november 2001 ter zake van:

t.a.v. parketnummer 01/070274-01:

feit 5: "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging",

feit 6: "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, vier keer gepleegd",

t.a.v parketnummer 01/070943-01:

feit 3: "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, twee keer gepleegd",

veroordeeld tot:

ten aanzien van parketnummer 070274-01:

feit 5: een geldboete ten bedrage van eenduizend gulden subsidiair twintig dagen hechtenis,

feit 6: een geldboete ten bedrage van tweeduizend gulden subsidiair veertig dagen hechtenis,

ten aanzien van parketnummer 01/070943-01:

feit 3: een geldboete ten bedrage van tweeduizend gulden subsidiair veertig dagen hechtenis;