Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6848

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
20.001499.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001499.02 - 1 -

uitspraakdatum : 28 maart 2003

onip (aan adres curator, [naam])

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

economische kamer

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 november 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/070930-00 tegen:

de besloten vennootschap [verdachte],

per adres van haar curator, [naam],

[adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij akte van 28 juni 2002 heeft de officier van justitie het hoger beroep weer tijdig en rechtsgeldig ingetrokken.

Het hoger beroep van de verdachte richt zich mede tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -voor zover thans nog aan de orde- ten laste gelegd, dat:

5. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [pleegdatum] te [pleegplaats], althans in Nederland, als werkgever (telkens) in of op een controlemiddel, te weten een registratieblad gedateerd 24 juli 1999, onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen heeft doen stellen en/of heeft toegelaten dat in of op een controlemiddel, te weten een registratieblad gedateerd 24 juli 1999, onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen gesteld werden, immers, heeft zij, verdachte, door de werknemer(s) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], op bovengenoemd registratieblad, bij het gebruik van dat registratieblad, een onjuiste naam ([naam]), laten stellen en/of toegelaten dat door de werknemer(s) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], op bovengenoemd registratieblad, bij het gebruik van dat registratieblad, een onjuiste naam ([naam]) werd gesteld;

(art. 2.4:4, eerste lid, onder a van het Arbeidstijdenbesluit vervoer)

6. in of omstreeks de periode van [pleegdatum] te [pleegplaats] een of meer bestuurder(s) van (een) bus(sen), te weten [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6], die geboren zijn na 30 juni 1955, niet een door de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkend getuigschrift van vakbekwaamheid, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, bij zich had(den) waaruit bleek dat genoemde [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6], met goed gevolg een opleiding voor bestuurder van een autobus had(den) gevolgd, hebbende zij, verdachte, alstoen aldaar als werkgever niet op het bezit van genoemd(e) getuigschrift(en) of (het) gewaarmerkte afschrift(en) daarvan toegezien;

(art. 2.7:2, tweede lid juncto het eerste lid van het Arbeidstijdenbesluit vervoer)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

5. zij op een tijdstip in de periode van [pleegdatum] te [pleegplaats], als werkgever heeft toegelaten dat op een controlemiddel, te weten een registratieblad gedateerd 24 juli 1999, onjuiste gegevens gesteld werden, immers, heeft zij, toegelaten dat door de werknemers [betrokkene 1] en [betrokkene 2], op bovengenoemd registratieblad, bij het gebruik van dat registratieblad, een onjuiste naam ([naam]) werd gesteld;

6. in de periode van [pleegdatum] te [pleegplaats] bestuurders van bussen, te weten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6], die geboren zijn na 30 juni 1955, niet een door de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkend getuigschrift van vakbekwaamheid, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, bij zich hadden waaruit bleek dat genoemde [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6], met goed gevolg een opleiding voor bestuurder van een autobus hadden gevolgd, hebbende zij, verdachte, alstoen aldaar als werkgever niet op het bezit van genoemde getuigschriften of gewaarmerkte afschriften daarvan toegezien.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 en 6 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 5 bewezen verklaarde is als overtreding voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 2.4:4 (oud), eerste lid, aanhef en onder a van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8:1 (oud), eerste lid van dat besluit juncto artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a van de Arbeidstijdenwet junctis de artikelen 1 (oud), aanhef en onder 4, 2, vierde lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 51, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 6 bewezen verklaarde is telkens als overtreding voorzien bij artikel 2.7:2, eerste lid juncto het tweede lid van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8:1 (oud), eerste lid van dat besluit juncto artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a van de Arbeidstijdenwet junctis de artikelen 1 (oud), aanhef en onder 4, 2, vierde lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 51, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 5 en 6 bewezen verklaarde moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboetes heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan terzake van het onder 5 bewezen verklaarde niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking komt.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 5:12 en 11:4 van de Arbeidstijdenwet en de artikelen 2.4:4 (oud) en 2.7:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep zich mede richt tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste werd gelegd.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 5 bewezen verklaarde oplevert:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon".

Verklaart dat het onder 6 bewezen verklaarde oplevert:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, vier keer gepleegd".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Terzake van het onder 5 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 1.000,- (Eur. éénduizend).

Terzake van het onder 6 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot vier geldboetes van elk ? 200,- (Eur. tweehonderd).

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. Van de Loo en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 maart 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 11

tijd : 15.00

rolnummer: 20.001499.02

verdachte:

[verdachte],

Tav [naam]

gevestigd te [adres],

Is bij vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 november 2001 ter zake van:

t.a.v. pkn. 01/070930-00:

t.a.v. feit 5: "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon",

t.a.v. feit 6: "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, vier keer gepleegd";

veroordeeld tot:

t.a.v. pkn. 01/070930-00:

ten aanzien van feit 5: een geldboete ten bedrage van éénduizend gulden,

ten aanzien van feit 6: een geldboete ten bedrage van tweeduizend gulden, opgelegd ter zake vier overtredingen waarvan voor elk een geldboete van vijfhonderd gulden is opgelegd;