Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
20.000660.01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0186
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.000660.01

uitspraakdatum : 24 maart 2003

tegenspraak;

aangezegd

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 februari 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/029022/99 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

thans UAH gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep heeft, blijkens de opgave van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, uitsluitend betrekking op de tenlastegelegde feiten waarvoor hij in eerste aanleg is veroordeeld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit

Uit het dossier blijkt van een aantal feiten en omstandigheden (zoals onder meer de aanvankelijke ontkenning van verdachte dat de in het heuptasje aangetroffen handboeien van hem waren, de aanwezigheid van een schaamhaar van verdachte op het dekbed van het bed van [slachtoffer 1], de aanwezigheid van bloed van [slachtoffer 1] op de handboeien, het in het heuptasje van verdachte aangetroffen zijn van soortgelijk sisaltouw als waarmee het slachtoffer [slachtoffer 1] op haar bed was vastgebonden, de relatie van verdachte met het slachtoffer en zijn daardoor te verklaren toegang tot het appartement van [slachtoffer 1]) welke sterke aanwijzingen opleveren voor betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde feit.

Het hof acht deze feiten en omstandigheden echter, ook in onderling verband en samenhang bezien, ontoereikend voor het wettig bewijs dat verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat de ouderdom van het op de handboeien aangetroffen bloed niet kan worden vastgesteld, niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de handboeien bij of voorafgaande aan de dood van [slachtoffer 1] een rol hebben gespeeld, niet kan worden vastgesteld op welk tijdstip de schaamhaar van verdachte op het dekbed terecht is gekomen en het in het heuptasje van verdachte aangetroffen sisaltouw onvoldoende specifiek is om daaraan enige doorslaggevende betekenis te verbinden.

Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 1 aan hem ten laste gelegde feit.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

3. op [pleegdatum] te [pleegplaats] door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn penis in de anus en de vagina en de mond van voornoemde [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte voornoemde [slachtoffer 2] met een stok/staaf (van haar fiets) heeft geslagen en voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd "kom van die fiets af of ik sla je kapot", en voornoemde [slachtoffer 2] de bosjes in heeft getrokken/geduwd en voornoemde [slachtoffer 2] met handboeien de armen achter de rug heeft vastgemaakt en voornoemde [slachtoffer 2] een prop in de mond heeft gedaan/geduwd en haar aan haar haren heeft getrokken en voornoemde [slachtoffer 2] (met behulp van een lap stof/doek) de ogen heeft bedekt/afgedekt en voornoemde [slachtoffer 2] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd "fiets achter mij aan" en "draai je om met je ogen dicht" en "doe je broek uit" en "ga vooroverstaan met je benen wijd" en "pijp me", en aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en in stand gehouden.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de verdediging is ten aanzien van het bewezen verklaarde feit het verweer gevoerd dat wellicht door een samenloop van omstandigheden, of door een fout in het onderzoek het DNA-materiaal van de verdachte, het DNA-materiaal van het slachtoffer, dan wel het DNA-materiaal van beiden zich op het condoom heeft afgezet.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 10 september 1999 werd in de woning waar de verdachte toentertijd regelmatig verbleef tijdens de huiszoeking een zwarte rugzak aangetroffen in welke zich een zwart heuptasje bevond. In het zwarte heuptasje werd een paar latex handschoenen aangetroffen met daarin een gebruikt condoom. Het aangetroffen heuptasje was blijkens de bewijsmiddelen van verdachte.

Voornoemd condoom is door de politie verzonden ten behoeve van onderzoek aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Blijkens de verklaring van [betrokkene] bij de rechter-commissaris d.d. 11 september 2002 is van meet af aan de nodige zorgvuldigheid betracht en heeft de aanbieding van de handschoenen -met het later daarin aangetroffen condoom- conform de FT normen aan het NFI plaatsgevonden.

De rechter-commissaris heeft op 11 september 2002 dhr. Brouwn, onderzoeksassisent bij het NFI gehoord. Blijkens zijn verklaring heeft hij onderzoek verricht aan de handschoen met het condoom. Hiertoe heeft hij de handschoen aan de binnen- en buitenzijde separaat afgepoetst met verschillende wattenstaafjes welke vervolgens zijn veiliggesteld. Het condoom is tevens aan de binnen- en buitenzijde separaat bemonsterd met verschillende wattenstaafjes welke vervolgens zijn veiliggesteld. Aan de binnenzijde van het condoom zijn nul tot één spermakoppen aangetroffen. Uit een op een later tijdstip uitgevoerd onderzoek van het NFI is gebleken dat het aangetroffen sperma in het condoom van de verdachte afkomstig kan zijn en dat de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte sperma minder bedraagt dan één op de miljard. Aan de buitenzijde van het condoom is celmateriaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer, waarbij de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte materiaal vele malen minder is dan één op de miljoen.

De procedure van het primaire onderzoek waarbij het DNA-materiaal van -naar later is gebleken- verdachte en het slachtoffer is aangetroffen op het condoom, is vastgelegd op het waarnemingsblad d.d. 22 november 1999, zaaksnummer 990823017, bladnummer 13. Voornoemd primair onderzoek betreffende de handschoen en het condoom vindt bevestiging in de verklaring van mevr. Eerhart-Waslander, forensisch adviseur bij het NFI, afgelegd op 12 november 2002 bij de rechter-commissaris.

Het aangetroffen DNA-materiaal van het condoom is tevens onderzocht door het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek/Leids Universitair Medisch Centrum te Leiden. Uit de verklaring van dhr. De Knijff, antropogeneticus bij het LUMC te Leiden, afgelegd op 4 juli 2002 bij de rechter-commissaris blijkt dat alleen extracten door Rijswijk geïsoleerd materiaal en restant ruw materiaal door het LUMC zijn ontvangen ten behoeve van het onderzoek.

Het hof acht, gelet op de verklaring van [betrokkene], betreffende de wijze waarop met het sporenmateriaal is omgegaan, alswel de verklaringen van Brouwn, Eerhart-Wasbinder en De Knijff betreffende de gevolgde werkwijze van onderzoek het niet aannemelijk dat het op of in het condoom aangetroffen DNA-materiaal van [slachtoffer 2] en van de verdachte op enigerlei wijze eerst later op/in het condoom terecht zouden zijn gekomen en zich daarop/daarin niet reeds bevonden zouden hebben ten tijde van de inbeslagneming.

Het feit dat [slachtoffer 2] heeft verklaard als dader een man te hebben waargenomen van wie de benen zeer behaard waren met donker haar terwijl het hof ter terechtzitting in hoger beroep bij verdachte minder -met donker haar- behaarde benen heeft waargenomen leidt het hof niet tot een ander oordeel.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het sub 3 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake strafbare feiten is veroordeeld waarbij hij geweld heeft toegepast;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Het hof overweegt meer in het bijzonder dat het bewezen verklaarde feit een zeer ernstig feit betreft. Verdachte heeft een jonge vrouw met toepassing van bruut geweld op de openbare weg overmeesterd en vervolgens in de bossages verkracht. Hij heeft er niet voor teruggedeinsd zich bij deze verkrachting te bedienen van handboeien en het slachtoffer na afloop te bedreigen met een vuurwapen. De verdachte heeft het slachtoffer in eerste instantie letterlijk voor de keuze gesteld op welke wijze zij verkracht zou worden, waarna hij haar vervolgens gedurende een lange tijd op verschillende wijzen heeft verkracht. Zijn handelen heeft een dermate grote angst teweeg gebracht bij het slachtoffer dat zij het beroep dat zij wilde gaan uitoefenen heeft moeten opgeven. De ervaring leert dat een slachtoffer van een dergelijk misdrijf daarvan nog lange tijd psychische en lichamelijke gevolgen pleegt te ondervinden.

Het hof acht dit alles des te ernstiger nu verdachte blijkens het uitreksel uit zijn documentatieregister zich in het verleden al meermalen aan geweldsdelicten schuldig heeft gemaakt en daarvoor tot tweemaal toe tot langdurige gevangenisstraffen (respectievelijk 10 en 9 jaren) is veroordeeld.

Het hof overweegt ambtshalve nog als volgt:

Het hoger beroep is in deze zaak ingesteld op 28 februari 2001, derhalve meer dan twee jaar vóór de uitspraak op het hoger beroep. In aanmerking genomen dat dit tijdsverloop voornamelijk is toe te schrijven aan de diverse onderzoekswensen van de verdediging, acht het hof in het tijdsverloop tussen de instelling van het hoger beroep en de uitspraak geen schending van de redelijke termijn gelegen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [slachtoffer 2], wonende [adres], als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden.

Het hof stelt de materiële schade op Eur. 382,49.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op Eur. 3403,35.

Het hof stelt de als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit de geleden schade op een bedrag van Eur. 3785,84.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 3785,84 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2], wonende [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Het hof verenigt zich met hetgeen de eerste rechter omtrent deze vordering heeft overwogen en beslist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het sub 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte sub 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Verkrachting".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], wonende [adres], te betalen een bedrag van Eur. 3785,84 (zegge: drieduizendzevenhonderdvijfentachtig euro en vierentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfenzeventig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [slachtoffer 2], wonende [adres], een bedrag van Eur. 3785,84 (zegge: drieduizendzevenhonderdvijfentachtig euro en vierentachtig eurocent).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van Schaik-Veltman, als voorzitter

Mrs. Lo-Sin-Sjoe en De Vries-Leemans, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mw. Visser, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

rolnummer: 20.000660.01

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te , ,

thans UAH gedetineerd in [penitentiaire inrichting]

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 februari 2001 ter zake van:

sub 1 subsidiair: "Doodslag",

sub 3: "Verkrachting",

veroordeeld tot:

twintig jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,

met oplegging aan verdachte van de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van fl. 8.342,89, subsidiair 80 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft,

met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 2] en veroordeling van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende [adres] van een bedrag van fl. 8.342,89, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot de datum van de uitspraak gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uitspraak alsnog te maken, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil; het immateriële deel van de vordering ad fl. 7.500,-- wordt toegewezen bij wijze van voorschot,

met bepaling dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij is gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte heeft voldaan aan een van de hiervoor opgelegde wijzen van vergoeding van de schade,

met vrijspraak van hetgeen onder 1 primair en 2 is tenlastegelegd en van hetgeen onder 1 subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard.