Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6150

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
C0200068-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2003, 27

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0200068/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 26 februari 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT, hierna: de man],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 4 januari 2002,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. J.H.H. Theuws,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE, hierna: de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 81894/HA ZA 00-492 gewezen vonnis van 13 november 2001 tussen de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de man 6 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, opnieuw recht doende, tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitaantekeningen nader uiteengezet ter gelegenheid van het pleidooi gehouden op 15 januari 2003. Bij deze gelegenheid heeft de advocaat van de man het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 november 2002, rolnummer 1207/98, overgelegd (dit arrest is besproken in EchtscheidingsBulletin nov./dec. 2002 p. 153 e.v.).

2.4. Arrest is bepaald op heden.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het bestreden vonnis is een tussenvonnis (er is een deskundigenbericht gelast naar de actuele waarde van de voormalige echtelijke woning).

Ingevolge lid 2 van artikel VII van de Wet tot herziening van het procesrecht, Stb. 2001/580, geldt ten aanzien van de mogelijk van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing van de arrondissementsrechtbank die voor de datum van inwerkingtreding van die wet (1 januari 2002) tot stand is gekomen het recht zoals dat gold vóór die inwerkingtreding. Nu het vonnis is gewezen op 13 november 2001 geldt dus het oude recht. Ingevolge dit oude recht staat hoger beroep van een tussenvonnis open tenzij de rechtbank zulks heeft uitgesloten. In casu heeft de rechtbank hoger beroep niet uitgesloten, zodat hoger beroep open staat. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

Ten aanzien van de behandeling van de zaak is, ingevolge lid 1 van de genoemde bepaling, alleen dan het oude recht van toepassing indien de zaak vóór de datum van inwerkingtreding aanhangig was. De appeldagvaarding dateert van 4 januari 2002 waarmee de zaak aanhangig werd (art. 125 Rv). Het nieuwe, sinds 1 januari 2002 geldende procesrecht is dus van toepassing.

4.2. Partijen zijn op 15 juli 1988 gehuwd onder huwelijksvoorwaarden die, kort samengevat, uitsluiting van elke gemeenschap van goederen inhouden en tevens (onder meer) voorzien (in artikel 11) in een verrekenbeding. Het huwelijk is op 28 september 1999 ontbonden door inschrijving van het tussen partijen gewezen echtscheidingsvonnis.

4.3. In conventie heeft de vrouw, kort samengevat, gevorderd de man te veroordelen tot betaling van hetgeen hij uit hoofde van de afrekening van de huwelijkse voorwaarden (niet beperkt tot artikel 11) aan haar verschuldigd is.

In reconventie heeft de man dienaangaande ook een aantal vorderingen ingesteld.

In dit hoger beroep zijn nog twee onderwerpen aan de orde: de echtelijke woning (de grieven 1 tot en met 5) en de ontbindingsvergoeding (grief 6).

4.4. De echtelijke woning

4.4.1. Het hof zal de grieven 1 tot en met 5 gezamenlijk behandelen.

4.4.2. Artikel 7, eerste alinea, van de huwelijkse voorwaarden luidt:

Indien tijdens het huwelijk een of meer onroerende zaken worden gekocht, welke door de echtgenoten bestemd worden te dienen als echtelijke woning of op andere wijze aan de samenwoning der echtgenoten dienstbaar zijn, worden die zaken door de echtgenoten gezamenlijk, ieder voor de helft, in eigendom verworven, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen.

Deze situatie doet zich hier voor. Tijdens het huwelijk is de echtelijke woning [adres] door beide partijen gekocht (gesloopt en weer opgebouwd). De onroerende zaak is alleen aan de man geleverd en staat in de openbare registers alleen op zijn naam gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarom alleen de man als eigenaar kan worden aangemerkt. Dit oordeel wordt door de grieven niet bestreden.

4.4.3. De vrouw vordert de helft van de overwaarde van de woning, dit is de waarde na aftrek van het door de man geïnvesteerde nominale bedrag.

In de slotalinea van rov. 3.11 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank dit investeringsbedrag bepaald op f. 935.641,34. Daartegen is geen grief aangevoerd. Dit aspect van de geschillen valt derhalve buiten de rechtsstrijd van partijen in dit hoger beroep.

De rechtbank heeft in rov. 3.10 van het vonnis overwogen dat voor het bepalen van de overwaarde ook de hypotheekschuld per 28 september 1999 in mindering op de waarde van de onroerende zaak strekt. Dit aspect valt om dezelfde reden buiten de rechtsstrijd van partijen in dit hoger beroep.

De grieven (1 tot en met 3) hebben betrekking op de vraag óf de vrouw een aanspraak heeft op de helft van de overwaarde en, bij bevestigende beantwoording, naar welke peildatum de waarde van de onroerende zaak dient te worden vastgesteld (grieven 4 en 5).

De rechtbank heeft de aanspraak van de vrouw gehonoreerd en bepaald dat als peildatum de actuele waarde geldt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.4.4. Grief 1

De man doet een beroep op de toepasselijkheid van de woorden uit artikel 7: tenzij de echtgenoten anders overeenkomen.

Hij voert daartoe aan dat de vrouw ermee heeft ingestemd met c.q. erin heeft berust dat de woning ten name van de man is gesteld. Zij heeft daartegen ook nooit geprotesteerd. Zij heeft bovendien geen financiële bijdrage geleverd.

Het beroep op instemming door de vrouw met de tenaamstelling, waarop de man het anders-overeenkomen stoelt, kan niet worden aanvaard. Ingevolge artikel 3:33 BW is voor dit anders-overeenkomen een op een rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard, vereist. Deze wil kan niet worden afgeleid uit de gestelde wetenschap van tenaamstelling. De man kon aan die wetenschap ook niet in redelijkheid de betekenis toekennen die hij er thans aan wil toekennen.

Naar vaste jurisprudentie heeft de vrouw door berusting, in de betekenis van enkel stilzitten, door niet of niet tijdig te protesteren, haar rechten op enige aanspraak uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden niet verwerkt.

Voor het aannemen van berusting waarin afstand van recht op mede-eigendom of de toepassing van de huwelijkse voorwaarden besloten ligt, is alleen dan plaats indien de vrouw jegens de man een houding zou hebben aangenomen waaruit, in het licht van de omstandigheden van het geval, ondubbelzinnig blijkt dat zij zich welbewust bij de gegeven situatie heeft neergelegd.

De gestelde wetenschap van de tenaamstelling is daarvoor ontoereikend, immers onvoldoende ondubbelzinnig en welbewust. Er kunnen talrijke redenen zijn geweest waarom de vrouw niets, althans tijdens het huwelijk niets met deze wetenschap heeft ondernomen, zoals bijvoorbeeld onwetendheid of het op een beloop laten, dwaling (de koopovereenkomst staat op beider naam), vertrouwen in de kundigheid van de notaris, enz. In dit verband is van belang dat de vrouw niet juridisch geschoold is.

Bijzondere omstandigheden die kunnen nopen tot een ander oordeel worden niet gesteld. Er wordt in het bijzonder niet aangegeven waarom indertijd geen overleg tussen man, vrouw en notaris over de tenaamstelling heeft plaatsgevonden, noch waarom de man (mogelijk in overleg met de notaris) is afgeweken van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden (en het koopcontract). Het moet er daarom voor worden gehouden dat ten tijde van het transport van de woning en nadien tot de echtscheidingsprocedure, zowel partijen als de notaris geen acht hebben geslagen op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Onder deze omstandigheid kan afstand van recht op de enkele grond van wetenschap ten aanzien van de tenaamstelling niet worden aangenomen.

De omstandigheid dat de vrouw geen financiële bijdrage heeft geleverd doet een en ander niet anders zijn.

De conclusie is dat de niet kan worden aangenomen dat tussen partijen anders is overeengekomen in de zin van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden.

4.4.5. Grief 2

Betoogd wordt dat de rechtbank een bewijsopdracht, met betrekking tot de vraag of er sprake is geweest van wilsovereenstemming, had dienen te geven en voor zover nodig wordt in hoger beroep uitdrukkelijk bewijs aangeboden.

Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd. De door de man gestelde gedragingen zijn, zelfs als ze bewezen zijn, zoals overwogen, niet toereikend om aan te nemen dat de vrouw haar aanspraken uit artikel 7 heeft verloren.

Het bewijsaanbod is bovendien onvoldoende gespecificeerd, in aanmerking nemende dat het nieuwe procesrecht van toepassing is (vergelijk artikel 111 lid 3 Rv).

Ter gelegenheid van het pleidooi daarnaar gevraagd heeft de raadsman te kennen gegeven dat hij bewijs van andere feiten en omstandigheden niet kan bijbrengen.

4.4.6. Grief 3

Deze grief verwijt de rechtbank te hebben aangenomen dat artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden voor de man de verplichting met zich brengt om er zorg voor te dragen dat de vrouw mede-eigenaar van de voormalige echtelijke woning zou worden. De man betwist het bestaan van deze verplichting.

De grief wordt toegelicht met de stelling dat artikel 7 niet een wederkerige overeenkomst of een eenzijdige verplichting van de man formuleert om de voormalige echtelijke woning mede op naam van de vrouw in te schrijven in de openbare registers. Er bestaat, zo betoogt de man, geen grondslag van een vordering tot schadevergoeding.

Deze grief berust op een verkeerde lezing van het vonnis voor zover daarin wordt gesteld dat er voor de man een verplichting bestaat om er voor zorg te dragen dat de echtelijke woning mede op naam van de vrouw wordt gesteld. De rechtbank heeft niet meer overwogen (rov. 3.8) dan: Het voorgaande brengt mee dat de vrouw recht heeft op vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van de niet-nakoming van artikel 7.

Het betoog van de man faalt voor het overige.

Weliswaar heeft de rechtbank terminologie gebruikt die is ontleend aan het contractenrecht, zoals nakoming en schadevergoeding, maar dit maakt het oordeel van de rechtbank niet onjuist.

Inderdaad is nakoming niet aan de orde, maar afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zulks in het licht van de huwelijkse voorwaarden, noch is sprake van schadevergoedingsplicht, maar van een plicht tot vergoeding (betaling) van hetgeen verschuldigd is uit hoofde van de afwikkeling van genoemde gevolgen.

Het hof is van oordeel (de rechtbank bedoelt niet anders) dat een redelijke, op de onderhavige zaak toegespitste afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk meebrengt dat moet worden afgerekend met voorbijgaan aan de omissie in de tenaamstelling, dus op zodanige wijze dat de vrouw (alsnog) wordt geplaatst in een situatie waarin zich zou hebben bevonden indien artikel 7 was nageleefd. Die situatie is onmiskenbaar deze dat de vrouw tijdens het huwelijk voor de helft mede-eigenaresse zou zijn geworden van de woning, dat die helft van de woning na het huwelijk aan de man zal worden toebedeeld en dat de man deswege aan de vrouw verschuldigd wordt de helft van de overwaarde, te meten naar de peildatum van de verdeling, zulks na aftrek van de investeringskosten en hypotheekschuld.

4.4.7. Grieven 4 en 5

In de toelichting op de grieven 4 en 5 wordt bepleit dat, als er een aanspraak van de vrouw op de helft van de overwaarde bestaat, deze wordt berekend naar de peildatum ein-de samenleving c.q. moment van het einde van het huwelijk, en bestrijdt dat moet worden afgerekend naar de actuele waarde.

Het betoog wordt gegrond op de stelling dat de vrouw deze aanspraak ontleent aan (artikel 7 van) de huwelijkse voorwaarden en zij na eerstgenoemde tijdstippen aan de huwelijkse voorwaarden geen aanspraken meer kan ontlenen.

Dit betoog faalt.

Niet aan de orde is tot welk tijdstip de vrouw aanspraken aan de huwelijkse voorwaarden kan ontlenen, maar op welke wijze bestaande aanspraken moet worden afgerekend. Daarbij dient als uitgangspunt, zoals hiervoor is overwogen, dat de vrouw zoveel mogelijk in een situatie moet worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien artikel 7 (tijdig) was nageleefd. Dit brengt overeenkomstig vaste jurisprudentie mee dat de overwaarde moet worden berekend naar het tijdstip dat partijen dienaangaande zijn overeengekomen dan wel, zoals hier bij gebreke van zo'n afspraak, het tijdstip waarop de overwaarde in rechte wordt vastgesteld, een en ander behoudens afwijking op grond van de redelijkheid en billijkheid.

In de huwelijkse voorwaarden ligt geen regeling besloten die voorziet in de afwijking van de regel dat de afwikkeling van de verdeling van gemeenschappelijk eigendom naar een ander tijdstip moet plaatsvinden dan naar het tijdstip van de verdeling. De omstandigheid dat de plicht om de onverteerde inkomsten te verrekenen eindigt op het moment van de samenleving leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat zodanige verrekening hier niet aan de orde is.

Dat partijen in het kader van de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk een afspraak over het verdelingstijdstip hebben gemaakt, wordt niet gesteld en is niet gebleken.

De redelijkheid en billijkheid nopen in het onderhavige geval evenmin tot het aannemen van een ander tijdstip.

4.4.8. De conclusie is dat het vonnis voor zover daarin is geoordeeld over de echtelijke woning moet worden bekrachtigd, zij het met verbetering van gronden voor wat de gebruikte terminologie betreft.

4.5. Grief 6

4.5.1. In rov. 3.18 onder d van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de ontbindingsvergoeding van bruto groot f. 265.000,- die door de kantonrechter bij beschikking van 21 maart 1996 aan de man is toegewezen ten laste van de werkgever [werkgever], voor verrekening in aanmerking komt. Daartegen keert zich de grief. De man betoogt, kort gezegd, dat geen sprake is van inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de man een beroep gedaan op het arrest Hof Amsterdam 7 november 2002 (rolnummer 1207/98), meer in het bijzonder het oordeel in rov. 4.14 van dat arrest, waarin de stelling dat de gehele ontslagvergoeding als inkomen moet worden aangemerkt in het jaar waarin deze is uitbetaald, als onredelijk wordt bestempeld en dat een spreiding moet worden aangenomen.

Tegen deze wijziging van de grondslag van het verweer heeft de vrouw zich niet verzet, zodat het hof daarop zal oordelen.

4.5.2. Aan de beschikking van de kantonrechter ontleent het hof het volgende.

De man is in 1964 begonnen te werken bij [eerste werkgever] Van die onderneming was hij uiteindelijk statutair directeur. Per 4 januari 1987 heeft de man de onderneming overgedragen aan [tweede werkgever], een 100% dochter van [werkgever]. Daarbij kwam hij in dienst bij [tweede werkgever] als (niet statutair) bedrijfsdirecteur. Hij is per 2 december 1994 overgegaan in dienst van [werkgever].

De kantonrechter heeft overwogen dat bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding de periode vanaf 1964 tot begin 1987 in beginsel buiten beschouwing moet blijven, maar tevens dat er redenen zijn om in casu van dit beginsel af te wijken, kort gezegd, omdat bij de verkoop van de onderneming geen goodwill is betaald, noch voor hem als directeur een bepaalde regeling is getroffen. Dit bracht de kantonrechter ertoe ten dele rekening te houden met de arbeidsperiode 1964 tot begin 1987.

De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat de vergoeding is bedoeld als suppletie op sociale (verzekerings-) uitkeringen subsidiair als toeslag op ander loon.

4.5.3. Tot een uitbetaling aan de man van de netto-tegen- waarde is het niet gekomen. De man heeft kort na de beëindiging van het dienstband een andere betrekking tegen vrijwel hetzelfde salaris aanvaard, zodat de suppletiegedachte waar de kantonrechter van uitging, niet meer aan de orde was.

De ontbindingsvergoeding is ingebracht in een stamrecht-B.V., naar het hof aanneemt een B.V. van de man. Daarmee is het recht op de ontbindingsvergoeding (som ineens) geconverteerd in een recht jegens de B.V. Deze aanspraak voorziet, voornamelijk op grond van de fiscale voorwaarden die daaraan worden gesteld, in een toekomstige periodieke uitkering die niet later ingaat dan in het jaar waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt. Een zodanige periodieke uitkering kan in beginsel op een lijn worden gesteld met een pensioenvoorziening.

Ter gelegenheid van het pleidooi hebben de advocaten van partijen desgevraagd meegedeeld dat de man, in ieder geval over de periode 1964 tot en met 1986 geen pensioen heeft opgebouwd. Of in de periode 1987-1996 pensioen is opgebouwd, is hen nog onbekend. In eerste aanleg heeft de man gesteld geen pensioenrechten te hebben opgebouwd (rov. 3.20 van het bestreden vonnis).

De man is geboren op 18 december 1946 en is dus begonnen te werken op ongeveer 18-jarige leeftijd en hij was ten tijde van het verwerven van de ontbindingsvergoeding dus 49 jaar.

4.5.4. De man voert eerst aan dat de ontslagvergoeding niet kan worden aangemerkt als inkomen uit arbeid. Deze opvatting kan de man niet baten omdat het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden niet beperkt is tot verrekening van inkomen uit arbeid. Alle inkomsten moeten worden verrekend.

Dan voert de man aan dat de ontslagvergoeding een compensatie c.q. schadevergoeding vormt voor het feit dat hij de onderneming voor een te lage prijs heeft verkocht en dat de vrouw niet gerechtigd is tot de waarde van de onderneming die de man voor het huwelijk verkocht. Ook dit betoog kan het hof niet volgen. De kantonrechter heeft weliswaar in aanmerking genomen dat de man het bedrijf goedkoop heeft verkocht, maar zulks heeft hem ertoe gebracht de hoogte van de vergoeding te relateren aan een langere termijn. De vergoeding zelf heeft hij aangemerkt als suppletie voor toekomstige inkomensderving.

De man voert ook aan, met een beroep op HR 22 maart 1996, NJ 1996/640, dat de ontbindingsvergoeding geen inkomen is, maar vermogen. Het hof kan een zodanige beslissing, en in het bijzonder de beslissing dat zo'n vergoeding geen inkomen is, niet lezen in dit arrest. In de daar aan de orde zijnde casus was sprake van een verdeling van een gemeenschap van goederen. In die situaties wordt onverteerd inkomen vermogen dat voor verdeling in aanmerking komt (behoudens verknochtheid).

Het hof is van oordeel dat de ontbindingvergoeding in beginsel moet worden aangemerkt als te verrekenen inkomen. Het feit dat de man na de beëindiging van het dienstverband met [werkgever] zijn arbeidsinkomen op hetzelfde peil heeft gehouden, staat daar niet aan in de weg.

4.5.5. Hiermee is nog niet gezegd dat de ontbindingsvergoeding in het onderhavige geval ook voor verrekening in aanmerking komt. Het hof dient nog te oordelen op het verweer ontleend aan genoemd arrest van het Hof Amsterdam en kan bovendien niet voorbij gaan aan het feit dat de ontbindingsvergoeding niet daadwerkelijk ter beschikking van de man is gekomen, maar is ondergebracht in een stamrecht-B.V.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat de handelwijze van de man, om de ontbindingsvergoeding in een stamrecht-B.V. in te brengen, in het maatschappelijk verkeer bepaald niet ongebruikelijk is, en mede gelet op het ontbreken van een pensioenvoorziening over de periode vóór 1987 in het onderhavige geval ook alleszins gerechtvaardigd was. Tegen deze handelwijze zijn door de vrouw ook geen bezwaren aangevoerd, noch ten tijde van de inbreng, noch in de onderhavige procedure.

De constructie van een stamrecht-B.V. wordt in de regel mede ingegeven door de fiscale aspecten die daaraan verbonden zijn. Is voor deze constructie gekozen dan wordt niet de ontbindingsvergoeding fiscaal als inkomen (of loon) aangemerkt, maar alleen de toekomstige (periodieke) uitkering. Ook de huwelijkse voorwaarden knopen aan bij de fiscale realiteit door te bepalen dat voor verrekening in aanmerking komt het netto inkomen, dat wil zeggen het inkomen na aftrek van belasting en heffingen. Van zodanig inkomen is geen sprake in het geval van inbreng in een stamrecht-B.V.

Het hof neemt voorts in overweging dat het onderbrengen van de vergoeding in een stamrecht-B.V. in beginsel op één lijn kan worden gesteld met het betalen van de pensioenpremies door werkgevers ten behoeve van hun werknemers. Deze premiebetalingen, die mogelijk naar de letter als inkomen zijn aan te merken, worden nimmer in de verrekening betrokken en niet valt in te zien dat hier anders geoordeeld moet worden. Het enkele feit dat het hier om een aanzienlijke som ineens gaat is daartoe ontoereikend mede in het licht van de omstandigheid dat de man in de periode 1964-1986 geen pensioen heeft opgebouwd.

Gelet op een en ander ligt het het meest voor de hand om in het geval van inbreng van een ontbindingsvergoeding in een stamrecht-B.V. eerst verrekenbaar (netto) inkomen aan te nemen indien en zodra het stamrecht tot uitkering komt en dan voor zover de man daarover feitelijk de beschikking krijgt (of kan krijgen) over de vergoeding (dus zodra de uitkering aan inkomstenbelasting onderhevig wordt). Daarvan is nog geen sprake.

De ontbindingsvergoeding kan dus niet als (overgespaard) inkomen worden aangemerkt dat zich leent voor verrekening in het kader van het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden.

4.5.6. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat de vordering van de vrouw ter zake moet worden afgewezen.

Artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden begint aldus:

Ingeval van ontbinding van het huwelijk anders dan tengevolge van overlijden zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen en hetgeen daarvoor is opgeofferd onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op grondslag van de opbouw van die aanspraak gedurende het bestaan van het huwelijk (...)

Deze bepaling is onderwerp van debat tussen partijen in hun procedure bij de rechtbank (rov. 3.20 en 3.21).

Dienaangaande heeft de rechtbank nog niet beslist en de zaak is in zoverre nog niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Het is aldus nog aan de rechtbank om te oordelen over de vraag of en hoeverre het gevormde stamrecht op een lijn moet worden gesteld met een in de bepaling bedoeld pensioen en, bij bevestigende beantwoording, welke consequenties daaraan verbonden zijn.

4.5.7. De conclusie is dat het vonnis niet in stand kan blijven voor zover daarin is geoordeeld dat de ontbindingsvergoeding voor verrekening uit hoofde van het verrekeningsbeding uit de huwelijkse voorwaarden in aanmerking komt.

Na verwijzing zal de rechtbank nog dienen te onderzoeken of de vrouw uit hoofde van deze andere grondslag aanspraak heeft op enige vergoeding.

4.6. Het hof zal de proceskosten compenseren nu partijen gewezen echtelieden zijn.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Breda van 13 november 2001 doch enkel in zoverre daarin is geoordeeld dat de in 1996 aan de man toegekende ontbindingsvergoeding voor verrekening op grond van artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden in aanmerking komt;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst af de vordering van de vrouw voor zover deze strekt tot veroordeling van de man om aan de vrouw een vergoeding te betalen uit hoofde van verrekening op grond van artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden van de ontbindingsvergoeding vastgesteld bij beschikking van de kantonrechter van 21 maart 1996;

bekrachtigt het vonnis voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld omtrent de echtelijk woning in verbinding met artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden;

verwijst de zaak naar de rechtbank voor verdere behandeling en afdoening;

compenseert de kosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 februari 2003.