Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6091

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
99/00803
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/28.1.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/00803

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, elfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer dr. X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 31 december 1998 heeft de Inspecteur een definitieve aanslag opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 99.178,-. Na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze aanslag bij uitspraak van 12 februari 1999 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 94.966,-. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof en heeft terzake een griffierecht voldaan van € 38,57 (ƒ 85,-). De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 30 juli 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 13 augustus 2002 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 27 augustus 2002 aan partijen verzonden. Op 2 september 2002 is ter griffie een brief van belanghebbende binnengekomen. De griffier heeft hierop schriftelijk aan belanghebbende gevraagd of diens brief dient te worden verstaan als een verzoek om vervanging van de mondelinge uitspraak door een schriftelijke, hetgeen belanghebbende vervolgens schriftelijk heeft bevestigd. Belanghebbende heeft het ter zake van het verzoek verschuldigde recht van € 68,07 tijdig voldaan.

2. Feiten

Het Hof stelt, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende stelt dat hij ten behoeve van zijn in Hongarije wonende zuster ondersteuningsuitgaven heeft gedaan. Hij heeft hiertoe een aantal bankafschriften en kwitanties van A overgelegd.

Hieruit blijkt dat belanghebbende in Nederland de volgende opnamen en overboeking heeft gedaan (omgerekend naar guldens):

* Opname op 24 februari 1995 bij A

4.000 Duitse Marken 4.600

* Opname op 3 mei 1995 bij A

3.992,90 Duitse Marken 4.500

* Overboeking per bank op 8 september 1995

Begunstigde: "B"

Er is geen tegenrekening vermeld

5.200 Duitse Marken 5.842,38

Totaal 14.942,38

Voorts heeft belanghebbende tijdens zijn verblijven in Hongarije diverse bedragen opgenomen:

* Opname op 18 april 1995 te Hongarije

23.000 Hongaarse Forinten (hierna: HUF) 310,43

* Opname op 6 mei 1995 te Hongarije

HUF 10.000 133,95

* Opname op 23 mei 1995 te Hongarije

HUF 23.000 312,78

* Opnamen op 4 september 1995 te Hongarije

HUF 21.000 en HUF 23.0000 554.76

* Opnamen op 30 september 1995 te Hongarije

3 x HUF 23.000 863,97

* Opnamen op 2 oktober 1995 te Hongarije

9 x HUF 23.000 2.591,91

* Opnamen op 9 oktober 1995 te Hongarije

2 x HUF 23.000 571,36

* Opnamen op 20 november 1995 te Hongarije

3 x HUF 23.000 837,51

* Opnamen op 27 november 1995 te Hongarije

HUF 7.000 en HUF 23.000 368,44

Totaal 6.545,11

Van dit bedrag is volgens belanghebbende ƒ 3.229,- ten goede gekomen aan zijn zuster, doordat dit is gebruikt voor onderhoud en opknappen van haar woning.

2.2. Belanghebbende heeft een overzicht opgesteld van de kosten van levensonderhoud van zijn zuster (op maandbasis in HUF):

* Electriciteit, gas, water en riolering: circa 8.500

* Woonlasten: 15.000

* Omroepbijdrage, kosten kabel TV,

abonnementen op kranten en tijdschriften

alsmede kopen van boeken 15.000

* Eten en drinken 35.000

* Openbaar vervoer en indien noodzakelijk taxi 12.000

* Kleren 4.500

* Ziektekosten 12.000

* Onderhouden van sociale contacten

alsmede onvoorziene uitgaven 7.000

Totaal circa 109.000

Belanghebbende stelt dat dit bedrag in maart 1999 omgerekend circa ƒ 900,- bedroeg.

2.3. Belanghebbende heeft een verklaring van een notaris te C overgelegd, welke is opgesteld in het Hongaars en welke is gedagtekend 26 november 1996. Blijkens belanghebbendes vertaling hiervan heeft de notaris verklaard dat Dr. X en Dr. B broer respectievelijk zuster zijn van elkaar en dat B is gepensioneerd, hetgeen financiële steun voor haar levensonderhoud van haar broer Dr. X noodzakelijk maakt.

2.4. Van de totale ondersteuningsuitgaven die volgens belanghebbende derhalve ƒ 18.171,38 hebben bedragen, heeft hij ƒ 5.800,- opgevoerd in zijn aangifte als buitengewone lasten. Na aftrek van de toepasselijke drempel ad ƒ 800,- heeft hij aldus ƒ 5.000,- op zijn inkomen in aftrek gebracht.

2.5. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 99.178,-. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling diverse correcties toegepast:

ƒ ƒ

Aangegeven belastbaar inkomen 73.452

Correcties:

* minder beroepskosten 3.293

* minder lijfrentepremie 10.434

* meer rente-inkomsten 2.826

* minder rente van schulden 2.213

* minder rentevrijstelling 1.960

* geen buitengewone lasten 5.000

25.726

Vastgesteld belastbaar inkomen 99.178

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 december 1998 een aanslag opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 99.178,-.

2.6. Na tegen de in punt 2.5 genoemde aanslag gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen als volgt verminderd:

ƒ ƒ

Vastgesteld belastbaar inkomen 99.178

* minder rente-inkomsten 2.412

* alsnog aftrek buitengewone lasten 1.800

4.212

Nader vastgesteld belastbaar inkomen 94.966

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 12 februari 1999 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 94.966,-.

2.7. Na uitspraak op bezwaar te hebben gedaan, heeft de Inspecteur met dagtekening 2 juli 1999 de aanslag ambtshalve verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.532,- vanwege een alsnog in aftrek te brengen lijfrentepremie.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil de hoogte van de aftrek voor buitengewone lasten wegens uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van belanghebbendes in Hongarije wonende zuster. De Inspecteur heeft op basis van de resolutie van 11 juli 1977, nr. 277/3749, gepubliceerd in BNB 1977/210, zoals nadien gewijzigd (hierna: de Resolutie) een aftrek toegestaan van ƒ 1.800,- (zijnde ƒ 2.600,- minus het wettelijk drempelbedrag van ƒ 800,-). Belanghebbende is van mening dat ƒ 5.000,- (zijnde ƒ 5.800,- minus het wettelijk drempelbedrag van ƒ 800,-) in aftrek kan worden gebracht.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en door belanghebbende is daaraan ter zitting het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Er is in Hongarije geen andere instantie dan de notaris die een kostwinnersverklaring kan afgeven. Ik ben verwezen naar de notaris om een dergelijke verklaring te verkrijgen. Derhalve acht ik deze verklaring rechtsgeldig.

3.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft belanghebbende jaaropgaven en maandafrekeningen van gas en electra van zijn zuster ter inzage aan het Hof en de Inspecteur overgelegd.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van, naar het Hof verstaat, ƒ 81.332,-. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en handhaving van de aanslag zoals deze luidt na de ambtshalve verleende vermindering.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Door overlegging van een verklaring, opgemaakt ten overstaan van een Hongaarse notaris, maakt belanghebbende voldoende aannemelijk dat hij zich tenminste moreel verplicht kon voelen in het levensonderhoud bij te dragen. Uit de stukken die belanghebbende heeft overgelegd blijkt echter niet dat er bedragen aan zijn zuster zijn overgemaakt of anderszins aan haar ten goede zijn gekomen. Reeds om deze reden acht het Hof geen aftrek mogelijk. Voorts heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, naar de mening van het Hof, niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven tot op de door hem opgevoerde hoogte noodzakelijk waren om zijn zuster in staat te stellen een redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving in Hongarije te voeren.

4.2. De strekking van de Resolutie is om moeilijkheden van bewijsrechtelijke aard te beperken. Daarom wordt van een belastingplichtige geen nader bewijs verlangd indien de betalingen aan de ondersteunde vaststaan en de belastingplichtige een verklaring van kostwinnerschap kan overleggen.

In dat geval bestaat recht op aftrek voor een bedrag van ƒ 2.600,-. Nu echter niet is komen vast te staan dat er bedragen aan de zuster zijn toegekomen, daargelaten de vraag of de door belanghebbende overgelegde verklaring is aan te merken als een kostwinnersverklaring in de zin van de Resolutie, was de Inspecteur niet gehouden de Resolutie toe te passen. De aanslag is dus eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

4.3. Voor zover belanghebbendes beroep mede inhoudt een beroep op het vertrouwensbeginsel, dient het te worden verworpen. Ook al zou de Inspecteur enkele jaren lang (vóór 1992) de geclaimde buitengewone lasten hebben geaccepteerd, dan nog kan belanghebbende hieraan niet een rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat deze aftrekpost voor een volgend jaar niet meer aan een nieuw onderzoek zal worden onderworpen. Dit geldt temeer nu partijen over de jaren 1992 tot en met 1994 een compromis hebben bereikt met betrekking tot de hoogte van de aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud. In dit compromis, hetwelk is neergelegd in een brief de dato 25 april 1995 en door beide partijen is ondertekend, is tevens opgenomen dat voor 1995 alleen aftrek wordt verleend na overlegging van rekeningen en betalingsbewijzen en eventuele andere benodigde bescheiden.

4.4. Gelet op al het vorenstaande, en gezien het feit dat de Inspecteur de aanslag ná de uitspraak op bezwaar nog ambtshalve heeft verminderd, dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

5. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, nu belanghebbende daarom niet heeft verzocht en ook niet is gebleken dat belanghebbende, die zich niet heeft laten bijstaan door een beroepsgemachtigde, kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures heeft gemaakt.

De omstandigheid dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd, brengt voorts met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 38,57 (ƒ 85,-) dient te vergoeden.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- handhaaft de aanslag zoals deze luidt na de ambtshalve verleende vermindering, waarbij het belastbaar inkomen nader werd vastgesteld op ƒ 84.532,-;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het gestorte griffierecht ad € 38,57 vergoedt.

Aldus vastgesteld op 23 januari 2003 door N. van Beelen, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing op die datum in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 23 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.