Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6088

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
98/04554
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO9506
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/23.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/04554

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar zonder verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 april 1997 tot en met 30 juni 1997, aanslagnummer A.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 22.129,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, en is na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur van 31 juli 1998 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is namens belanghebbende tijdig beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 17 juli 2001 te 's-Her-togenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 31 juli 2001 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 3 augustus 2001 aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; ter zake van dit verzoek heeft de Inspecteur een recht van fl. 150,= voldaan.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende is bij notariële akte van 29 augustus 1996 opgericht. Artikel 2 van haar statuten bepaalt omtrent haar doel:

"De stichting heeft ten doel:

het organiseren van een publieksavond met de heer B ter verwerving van fondsen ten behoeve van een therapeutisch zwembad voor de Stichting C, gevestigd te D (gemeente E) en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.",

terwijl artikel 12 met betrekking tot haar ontbinding en vereffening bepaalt:

"1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden en zal dit doen zodra het B-project is afgesloten. (...)

2. De stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is.

3. (...)

4. (...)

5. (...)

6. Een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting wordt zoveel mogelijk besteed ten behoeve van de Stichting C voornoemd.

7. (...).".

Belanghebbende is in afwachting van de definitieve uitkomst van de onderhavige procedure nog niet ontbonden. In verband hiermee heeft zij een bedrag van fl. 22.000,= gereserveerd.

2.2. Uit bijlage 11 bij het vertoogschrift, een kopie van een aankondiging, blijkt dat F potentiële deelnemers een avondvullende workshop van B (hierna: de publieksavond) in zaal G te P heeft aangeboden voor fl. 195,= per persoon. De voorbereidingen voor de publieksavond zijn in juli/augustus 1996 aangevangen. De kaartverkoop is gestart eind februari, begin maart 1997. De publieksavond heeft op 27 mei 1997 plaatsgevonden en is bezocht door ruim 900 betalende deelnemers.

2.3. Op haar aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal 1997 heeft belanghebbende ter zake van door haar verrichte leveringen/ diensten fl. 151.613,= aan omzet en fl. 26.532,= omzetbelasting vermeld en een bedrag van fl. 4.403,= aan voorbelasting.

2.4. Met betrekking tot de door haar over het tweede kwartaal 1997 verrichte diensten heeft belanghebbende geen omzetbelasting afgedragen, zich daarbij op het standpunt stellende dat er geen sprake is van ondernemerschap in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat belanghebbende als ondernemer in vorenbedoelde zin dient te worden aangemerkt en heeft in verband daarmee bij de onderhavige naheffingsaanslag een bedrag van fl. 22.129,= aan belasting nageheven. Het bedrag van fl. 22.129,= is als zodanig niet in geschil.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Nadat belanghebbende tijdens de mondelinge behandeling haar grief met betrekking tot de competentie van de Inspecteur heeft laten varen, betreft het geschil de volgende vragen:

I. Is belanghebbende ter zake van het door haar organiseren van de onder 2.2 bedoelde publieksavond aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet?

Bij bevestigende beantwoording van deze vraag:

II. Brengt het gelijkheidsbeginsel met zich dat de litigieuze naheffingsaanslag dient te worden vernietigd?

III. Dient de naheffingsaanslag op grond van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel te worden vernietigd?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede en derde vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door belanghebbende tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Zij hebben hieraan tijdens de mondelinge behandeling, kort weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende

Uitdrukkelijk wordt verklaard dat niet langer wordt gesteld dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op de enkele grond dat deze door een onbevoegde inspecteur zou zijn opgelegd.

Belanghebbende is nog niet ontbonden. Dat zal pas gebeuren na afloop van de onderhavige beroepszaak. In verband hiermee heeft belanghebbende een bedrag van fl. 22.000,= gereserveerd.

Belanghebbende streeft niet naar voordeel. Getracht wordt nadeel te voorkomen.

Belanghebbende dient niet als een eenheid met F te worden gezien.

Er zijn geen discussies met de belastingdienst geweest over de vennootschapsbelasting.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Inspecteur

Voorbereidende handelingen moeten wel meegenomen worden bij het oordeel over het ondernemerschap.

Er zijn ongeveer 900 mensen naar de publieksavond gekomen. Als er maar tien mensen naar de avond waren gekomen, had dat niet tot een andere uitkomst geleid.

Voor zaken als de onderhavige bestaat geen beleid; er vindt een individuele beoordeling plaats in alle zich voordoende gevallen.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het Hof stelt voorop dat voor ondernemerschap in de zin van artikel 7 van de Wet, zoals deze bepaling in het licht van artikel 4, lid 1 en lid 2, van de Zesde richtlijn moet worden uitgelegd, vereist is dat de betrokkene door zijn werkzaamheden duurzaam, dat wil zeggen geregeld, ernaar streeft door deelneming aan het maatschappelijk verkeer maatschappelijke behoeften te bevredigen.

Nu vaststaat dat belanghebbende zich uitsluitend richtte op de organisatie van een éénmalige publieksavond, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van duurzaamheid in bovenbedoelde zin. Daaraan doet niet af dat de voorbereidingen voor de publieksavond zich over enige maanden hebben uitgestrekt.

4.2. Op grond van hetgeen het Hof onder 4.1 heeft overwogen is belanghebbende geen ondernemer in de zin van de omzetbelasting, zodat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.

4.3. De onder II en III van de onder 3.1 vermelde vragen behoeven derhalve geen beantwoording meer.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is fl. 2.130,= (€ 966,55).

5.2. Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een

bedrag van € 966,55 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de

rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door

deze betaalde griffierecht ad € 36,30 wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 23 januari 2003 door P. Fortuin, voorzitter, M.W.C. Feteris en M.E. van Hilten, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.