Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5814

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2003
Datum publicatie
14-03-2003
Zaaknummer
99/00449
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/32.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/00449

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 18 januari 1999 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995, aanslagnummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De belanghebbende heeft over het jaar 1995 een aangifte inkomstenbelasting ingediend naar een belastbaar inkomen van fl. 49.228,=. De Inspecteur heeft bij aanslag met dagtekening van 31 oktober 1998 het belastbaar inkomen van de belanghebbende gecorrigeerd en verhoogd met fl. 4.436,= wegens het niet aangeven van de bijtelling voor privé-gebruik personenauto tot fl. 53.664,=. In deze aanslag is door de Inspecteur bij het berekenen van het te betalen bedrag een vergissing gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd met dagtekening 20 november 1998. Nadat belanghebbende tijdig in bezwaar is gekomen, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 18 januari 1999, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is namens de belanghebbende tijdig beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 85,= (€ 38,57). De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 19 juni 2002 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 3 juli 2002 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 8 juli 2002 aan partijen verzonden. Belanghebbende heeft tijdig verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; ter zake van dit verzoek heeft belanghebbende een recht van € 68,07 voldaan.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende heeft in 1995 een dienstbetrekking bij X Beheer B.V., van welke vennootschap zij tevens 49% van de aandelen in bezit heeft. Deze vennootschap is in hetzelfde jaar in het bezit van alle aandelen in A B.V. en vormt samen met deze vennootschap vanaf 28 december 1991 een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en in de zin van artikel 7, vierde van de Wet op de omzetbelasting 1968.

2.2. Aan belanghebbende is in 1995 door haar werkgever een personenauto ter beschikking gesteld van het merk Ford Fiesta met kenteken 1 met een cataloguswaarde van fl. 22.180,=. Van het gebruik van deze personenauto in 1995 is geen kilometeradministratie bijgehouden.

2.3. Op 25 januari 1990 is bij A B.V. een boekenonderzoek ingesteld met betrekking tot controle omzetbelasting over de jaren 1985 tot en met 1987. Hiervan is op 19 april 1990 rapport (hierna: controlerapport omzetbelasting 1990) uitgebracht aan A B.V. Voorts is op 21 oktober 1991 een boekenonderzoek ingesteld bij A B.V. betreffende de controle loonbelasting over de jaren 1986 tot en met 1990. Hiervan is op 18 december 1991 rapport (hierna: controlerapport loonbelasting 1991) uitgebracht aan A B.V. In dit rapport is geconstateerd dat aan personeel, onder anderen aan belanghebbende, een personenauto voor privé-gebruik ter beschikking is gesteld.

2.4. Op 13 maart 1997 heeft bij de fiscale eenheid X Beheer B.V. een boekenonderzoek plaatsgevonden. Dit boekenonderzoek had betrekking op controle van de omzetbelasting over de jaren 1992 tot en met 1996. Op dezelfde datum heeft bij X Beheer B.V. een boekenonderzoek plaatsgevonden met betrekking tot controle van de loonbelasting over de jaren 1992 tot en met 1995. Tevens heeft op 13 maart 1997 een boekenonderzoek bij A B.V. plaatsgevonden welke betrekking had op controle van de loonbelasting over de jaren 1992 tot en met 1995. Uit het controlerapport d.d. 22 augustus van dit laatste boekenonderzoek is de Inspecteur gebleken dat aan belanghebbende een personenauto, merk Ford Fiesta ter beschikking is gesteld, welke zij ook voor privé-doeleinden gebruikt.

2.5. Bij schrijven van 15 september 1997 is door de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat zij, nu tijdens het bovengenoemde boekenonderzoek van 13 maart 1997 bij A B.V. is gebleken dat aan de belanghebbende door haar werkgever een personenauto ter beschikking is gesteld gedurende de periode 1 januari 1992 t/m 31 december 1996, ten aanzien waarvan zij verzuimd heeft het privé-gebruik aan te geven, aangiften inkomstenbelasting vanaf het jaar 1994 krijgt toegezonden.

2.6. Nadat belanghebbende haar aangifte voor het onderhavige jaar op 11 december 1997 had ingediend, heeft de Inspecteur bij brief van 9 september 1998 belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens was van deze aangifte af te wijken. De voorgenomen afwijking betreft het privé-gebruik van de auto. Voor een toelichting op deze afwijking verwijst de Inspecteur in deze brief naar de correspondentie inzake de aangifte van belanghebbende voor het jaar 1994. Tot de stukken van het geding behoort de briefwisseling tussen belanghebbende en de Inspecteur aangaande de correctie ter zake van het privé-gebruik van de auto voor het jaar 1994. Deze briefwisseling bestaat uit brieven van de Inspecteur van 15 september 1997, 19 december 1997, 13 januari 1998, 19 mei 1998, 11 juni 1998, 20 augustus 1998 en 8 september 1998 en uit brieven van belanghebbende van 24 september 1997, 2 januari 1998 (de dagtekening van deze brief is 2 januari 1997 maar dit is kennelijk een verschrijving), 9 februari 1998 en 12 juni 1998.

2.7. Voordat belanghebbende de primitieve aanslag ontving heeft de Inspecteur bij schrijven van 23 oktober 1998 belanghebbende ervan op de hoogte gesteld dat bij vergissing de aanslag voor het jaar 1995 met dagtekening 31 oktober 1998 is vastgesteld op nihil. Als oorzaak van deze vergissing schrijft de Inspecteur dat geen rekening was gehouden met het feit dat artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet van toepassing diende te zijn. De Inspecteur heeft de belanghebbende medegedeeld deze fout te zullen herstellen door middel van het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 1995 zonder boete.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.1. Het geschil betreft ten eerste de vraag of de navorderingsaanslag door de Inspecteur had morgen worden opgelegd. Indien deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord is in geschil het antwoord op de volgende vraag:

Kan de bijtelling van fl. 4.436,= op grond van artikel 42 derde lid, Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) ter zake van het privé-gebruik door de belanghebbende van de door de werkgever aan haar in verband met het verrichten van arbeid ter beschikking gestelde personenauto gehandhaafd blijven of brengt het vertrouwensbeginsel met zich mee dat de Inspecteur niet tot deze bijtelling had mogen overgaan?

3.1.2. Indien het vorenstaande geschilpunt in het voordeel van de Inspecteur moeten worden beantwoord is niet in geschil dat het belastbaar inkomen fl. 53.664,= bedraagt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door belanghebbende ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Zij hebben hieraan ter zitting kort weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende

De belanghebbende heeft ter zitting bevestigd haar beroep op het controlerapport omzetbelasting 1990, betreffende een op 25 januari 1990 bij A B.V. ingesteld boekenonderzoek, geen zelfstandige betekenis heeft, maar slechts dient ter ondersteuning van haar beroep op het vertrouwen dat zij heeft ontleend aan het controlerapport loonbelasting 1991.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de aanslag en tot vaststelling van haar belastbaar inkomen op een bedrag van fl. 49.228,=.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil.

5.1. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslag niet kon worden opgelegd, omdat er sprake is van ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Belanghebbende was echter, op grond van de uitgebreide correspondentie die voorafging aan de aanslagregeling, er zeer goed van op de hoogte dat het de Inspecteur voor ogen stond voor het privé-gebruik van de auto een aanslag in de inkomstenbelasting over het onderhavige jaar op te leggen. De voor belanghebbende kenbare vergissing die is gemaakt toen belanghebbende werd bericht dat een aanslag achterwege zou blijven, is door de Inspecteur ontdekt en belanghebbende, althans haar gemachtigde, is via de aankondiging van de navorderingsaanslag van 23 oktober 1998 en de zojuist bedoelde correspondentie met voldoende scherpte op de hoogte gesteld van de vergissing van de Inspecteur.

5.2. Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van opgewekt vertrouwen van de kant van de Belastingdienst. Een gedurende een aantal jaren gevolgde gedragslijn van de fiscus op grond van een tweetal boekenonderzoeken heeft volgens belanghebbende bij haar de indruk gewekt dat de fiscus ten aanzien van het privé-gebruik van de personenauto bewust een standpunt heeft ingenomen.

5.3. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat haar beroep op het controlerapport omzetbelasting 1990, betreffende een op 25 januari 1990 bij A B.V. ingesteld boekenonderzoek, geen zelfstandige betekenis heeft, maar slechts dient ter ondersteuning van haar beroep op het vertrouwen dat belanghebbende heeft ontleend aan het controlerapport loonbelasting 1991.

5.4. Het controlerapport loonbelasting 1991 betreft een boekenonderzoek van 21 oktober 1991 dat is uitgevoerd bij A B.V. Het controlerapport is tevens uitgebracht aan A B.V. Daarin is geconstateerd dat aan personeel, onder anderen aan belanghebbende, een personenauto voor privé-gebruik ter beschikking is gesteld.

5.5. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende aan dit rapport en de omstandigheid dat de Inspecteur haar over latere jaren geen aangiftebiljetten heeft toegezonden, niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur zich bewust op het standpunt had gesteld dat in de inkomstenbelasting geen bijtelling voor privé-gebruik personenauto op de voet van artikel 42 derde lid Wet IB zou plaatsvinden.

5.6. In het bijzonder kan belanghebbende dit vertrouwen niet aan het rapport ontlenen, omdat daarin door de Inspecteur niets is vermeld over de omvang van het privé-gebruik, tevens is niets over de eventuele gevolgen van het privé-gebruik door belanghebbende voor de inkomstenbelasting vermeld, en bovendien is het rapport niet uitgebracht aan belanghebbende, maar aan de B.V.

5.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 23 januari 2003 door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing op die datum in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.