Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5482

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
10-03-2003
Zaaknummer
20.003374.02 O.W.V.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.003374.02 O.W.V. - 1 -

uitspraakdatum : 25 februari 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

A R R E S T

op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak ex art. 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de rechtbank te Breda van 20 augustus 2002 onder parketnummer 02/00121230-02, tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

thans UAH gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

hierna te noemen: veroordeelde.

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tijdig tegen genoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

De beroepen beslissing zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

De beoordeling

Veroordeelde is bij arrest van dit hof van 25 februari 2003 veroordeeld ter zake:

1. Primair:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van [pleegdatum] in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. Primair:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk ongeveer 7.423,84 gram van een materiaal bevattende cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. Primair:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij in de periode van [pleegdatum] in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie samen met [mededader 1] en [mededader 2] en [mededader 3] en [mededader 4] en [mededader 5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk de uitvoer van harddrugs naar Italië.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel -waaronder begrepen besparing van kosten- heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde.

Blijkens het rapport van de Regiopolitie Midden- & West-Brabant, Divisie Recherche, Bureau Financiële Recherche, met rapportnummer PL 2005-156-225, opgemaakt, gesloten en getekend op 7 juni 2002 door C.N. Oomen, inspecteur van politie Midden- & West-Brabant, werkzaam bij de Unit Recherche Expertise, Bureau Financiële Ondersteuning, is bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rapporteur voornoemd uitgegaan van de verklaringen zoals deze door de verschillende betrokkenen zijn afgelegd.

Aangezien [veroordeelde] geen verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn verdiensten bij de cocaïnetransporten, is de rapporteur voornoemd bij de bepaling van het door hem, [veroordeelde], verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de veronderstelling dat, nu de koeriers van de cocaïnetransporten in totaal fl. 10.000,- per transport kregen (fl. 5.000,- per persoon), het aannemelijk is dat [veroordeelde] eveneens een bedrag van fl. 10.000,- per transport heeft gekregen.

Deze stelling wordt echter niet gestaafd met enig wettig bewijsmiddel, zodat het hof niet in staat is tot een schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het vorenstaande dient de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te worden afgewezen.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt de uitspraak waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijst af de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus beslist door mr. Huurman-van Asten, als voorzitter, en mrs. De Vries-Leemans en Valkenburg, als raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Kroes, als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 februari 2003.

parketnummer : 20.003374.02O.W.V.

datum uitspraak: 25 februari 2003

Wijst af de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

parketnummer : 20.003374.02O.W.V.

datum uitspraak: 25 februari 2003

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter

Mrs. De Vries-Leemans en Valkenburg, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 februari 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 10.30

rolnummer: 20.003374.02O.W.V.

verdachte:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te , ,

thans UAH gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 20 augustus 2002 ter zake van:

veroordeeld tot:

verplichting tot betaling aan de staat van vijfenveertigduizenddriehonderdachtenzeventig euro subsidiair eenhonderdzestig dagen, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;