Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
C0100629-MA1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0100629/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 13 februari 2003,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid BOUWBEDRIJF [APPELLANTE] B.V.,

hierna: [appellante],

gevestigd te [Vestigingsplaats], gemeente [Gemeente],

appellante,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

wonende te [woonplaats],

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

wonende te [woonplaats],

hierna tezamen: [geïntimeerde] c.s. en ieder afzonderlijk:

[geïntimeerde 1] resp. [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

procureur: mr. G.D. Noordijk,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 juni 2002 in het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Maastricht onder nummer 1999/50073 gewezen vonnis van 5 april 2001.

6. Het tussenarrest van 27 juni 2002

Bij genoemd arrest is iedere beslissing aangehouden totdat ook de hoofdzaak met rolnummer C01/00628 in staat van wijzen zal zijn.

7. Het verdere verloop van de procedure

Partijen hebben tegelijk met de zaak met rolnummer C01/00628 (opnieuw) de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

In de zaak met rolnummer C01/00628 is heden eindarrest gewezen, waarbij het vonnis waarvan beroep is bekrachtigd (zie 4.4.1.).

8. De verdere beoordeling

8.1. feiten

Tegen de door de rechtbank onder 2. van het beroepen vonnis vastgestelde feiten is geen grief gericht. Het hof gaat daarom van dezelfde feiten uit, die kort gezegd op het volgende neerkomen.

[zoon geïntimeerden] (hierna: [de zoon]), geboren op [geboortedatum], verbleef op 26 mei 1996 (eerste pinksterdag) als dertienjarige bij zijn vriend [vriend zoon], wonende aan de [adres] te [woonplaats]. De jongens speelden buiten en zijn op een gegeven moment het direct achter de woning gelegen bouwterrein opgelopen. [de zoon] heeft op het bouwterrein aan een rubber strip getrokken die aan één kant aan een steiger bevestigd was. De strip is daardoor losgeschoten en in het linkeroog van [de zoon] gekomen, waardoor ernstig letsel aan zijn oog is ontstaan waaraan [de zoon] in het Oogziekenhuis te Rotterdam is geopereerd (prod. bij dagvaarding in vrijwaring).

Aan deze feiten wordt nog het volgende toegevoegd.

[de zoon] is de zoon van [geïntimeerden], die van echt gescheiden zijn. [geïntimeerde 1] was ten tijde van het ongeval op 26 mei 1996 voogdes en wettelijk vertegenwoordigster van [de zoon], die toen bij [geïntimeerde 1] woonde. Op 26 mei 1996 verbleef [de zoon] bij zijn vader [geïntimeerde 2] in het kader van een bezoekregeling. Tijdens dat verblijf is [de zoon] alleen naar zijn bovengenoemde vriend [vriend zoon] gegaan.

8.2. [appellante] legt aan de vordering in vrijwaring kort gezegd ten grondslag dat het ongeval te wijten is aan [geïntimeerden]. Zij hebben als ouders onrechtmatig gehandeld jegens [de zoon] doordat zij in ernstige mate tekort zijn geschoten in hun verplichting jegens [de zoon] om voldoende zorg te betrachten met het oog op het welzijn van [de zoon]. Van een goede en zorgzame ouder mag worden verwacht dat deze zijn kind niet - zeker niet indien dit kind slechts 13 jaar oud is - op een bouwterrein laat spelen, althans niet zal toestaan dat het kind het bouwterrein betreedt. Het enkele feit dat [geïntimeerden] niet eens in de nabijheid van [de zoon] waren ten tijde van het ongeval levert een schending op van hun zorgplicht. Een ouder dient onder alle omstandigheden zijn minderjarige kind te verbieden om een bouwterrein als het onderhavige te betreden en dient zulks te voorkomen. In elk geval hadden de ouders van [vriend zoon] geïnstrueerd moeten worden dat [de zoon] het bouwterrein niet mocht betreden.

Eventuele schadeplichtigheid van [appellante] jegens [de zoon] valt op basis van art. 6:102 jo. 6:101 BW bij de schadeplichtigheid van [geïntimeerde] c.s. in het niet, althans dient veel geringer gewaardeerd te worden, aldus [appellante].

8.2.1. Uit bovenvermelde stellingen van [appellante] leidt het hof af dat [appellante] haar vordering in vrijwaring baseert op de door haar gestelde verplichting van [geïntimeerden] jegens haar de gehele schade te dragen die zij - [appellante] - aan [de zoon] zou moeten vergoeden, zulks op de voet van art. 6:102 lid 1 jo. 6:101 BW.

8.3. [appellante] onderbouwt haar vordering met overwegingen uit het arrest HR 12 mei 1995, NJ 1996/118.

Hetgeen de Hoge Raad in dat arrest heeft overwogen ten aanzien van het uit te oefenen toezicht op een wegens een geestelijke stoornis opgenomen 13-jarig kind door de toezichthouder, een kinder- en jeugdpsychiatrisch ziekenhuis, moet naar het oordeel van het hof geheel worden bezien tegen de achtergrond van de feiten in die zaak, zoals de Hoge Raad ook heeft overwogen (in r.o. 3.6.2.) Dit door de Hoge Raad onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht berechte geval is in het geheel niet vergelijkbaar met het onderhavige, niet in de laatste plaats omdat het anders dan in dat geval thans uitdrukkelijk niet gaat om aansprakelijkheid van de toezichthouder jegens een derde voor aan die derde toegebrachte schade. In casu gaat het immers om de aansprakelijkheid van de ouder-voogdes en/of toeziend voogd als toezichthouder jegens het eigen kind voor de door dat kind geleden schade en in verband daarmee de mogelijke bijdrageplicht van die ouder(s) in de door een ander ([appellante]) aan het kind te vergoeden schade. Dat de Hoge Raad tussen haakjes geplaatst in het kader van het toezicht ook heeft gedacht aan door het kind aan zichzelf toegebrachte schade, moet worden bezien in het licht van de omvang van het toezicht dat de toezichthouder volgens de Hoge Raad in het algemeen in een geval als daar aan de orde dient te houden.

8.4. Het hof verwerpt dat betoog.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat in de relatie ouders/kind voor ogen moet worden gehouden dat aan het kind een zekere mate van vrijheid moet worden gegeven teneinde het kind te doen opgroeien tot een maatschappelijk aangepast individu, dat niet iedere gevaarscheppende situatie voor een kind door de ouders moet worden vermeden en ook dat indien het kind toch iets overkomt niet te snel een onrechtmatige daad van de ouders jegens het kind mag worden aangenomen, gelet op de bijzondere relatie kind/ ouders.

In het onderhavige geval betreft het een 13-jarige jongen, die - naar aangenomen mag worden - de leeftijd heeft bereikt dat hij naar het voortgezet onderwijs gaat en dus geacht mag worden zich geheel zelfstandig te kunnen begeven naar school en andere gelegenheden ook op enige afstand van zijn woon- of verblijfplaats gelegen. Van ouders, of dit nu de moeder-voogdes of de vader-toeziend voogd in zijn hoedanigheid van toezichthouder is, kan niet worden verwacht dat zij hun zoon daarbij wijzen op de 'gevaren' - als zij daar al van op de hoogte zijn of zouden moeten zijn - die hij onderweg kan tegenkomen, laat staan dat zij hem daarvoor zouden moeten behoeden door hem te begeleiden.

Het hof onderschrijft overigens hetgeen de rechtbank in de aangevallen overweging heeft overwogen in verband met de omstandigheden van dit geval. De rechtbank behoefde bij haar oordeel geen leeftijdsgrens aan te geven, daar zij immers - evenals het hof - recht dient te doen in het haar ter berechting voorgelegde geval.

Aldus kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] hun zorgplicht jegens [de zoon] hebben geschonden. Zij hebben niet onrechtmatig jegens [de zoon] gehandeld en zijn niet aansprakelijk voor de door hem geleden schade. Derhalve doet zich niet de situatie voor dat twee of meer personen ([appellante] en de ouders) jegens [de zoon] aansprakelijk zijn voor dezelfde schade als bedoeld in art. 6:102 lid 1 BW. Voor een bijdrageplicht of draagplicht van [geïntimeerde] c.s. in de door [appellante] aan [de zoon] te vergoeden schade bestaat reeds daarom geen grond.

8.5. De slotsom luidt dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellante] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordeeld te worden.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 215,55 aan griffierecht en € 771,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Kranenburg en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 februari 2003.