Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF4536

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
C0100474-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0100474/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 28 januari 2003,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap CALUNA BEHEER HEYTHUYSEN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Heythuysen,

appellante,

procureur: mr L.R.G.M. Spronken,

t e g e n :

de besloten vennootschap ACCOUNTANTSKANTOOR [GEÏNTIMEERDE] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr L.A.M. van den Eeden,

op het hoger beroep van appellante (Caluna) tegen het vonnis van de rechtbank te Roermond van 26 oktober 2000, onder rolnr. 34085/HA ZA 99-595 gewezen tussen geïntimeerde ([geïntimeerde]) als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en Caluna als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 4 november 1999 een comparitie van partijen had gelast, welke geen doorgang heeft gevonden, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 26 oktober 2000 in conventie Caluna veroordeeld tot betaling van f 64.559,77 met rente en in reconventie het gevorderde afgewezen, met veroordeling van Caluna in de proceskosten in conventie en reconventie.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

Caluna heeft bij exploot van 23 januari 2001 tijdig hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 26 oktober 2000. Bij memorie van grieven heeft zij daartegen onder overlegging van produkties negen grieven aangevoerd en haar eis vermeerderd, met conclusie dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen tot de in reconventie gevorderde schadevergoeding vermeerderd met f 8.775,--, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord onder overlegging van produkties de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis van 4 november 1999 (het hof leest: 26 oktober 2000) zal bevestigen, met veroordeling van Caluna in de kosten van het hoger beroep.

Vervolgens is de zaak mondeling ter zitting van het hof van 3 december 2002 bepleit. Daarbij is voor Caluna aan de hand van een pleitnota die tot de stukken behoort, het woord gevoerd door mr Gommans, en voor [geïntimeerde] door haar procureur.

Vervolgens hebben partijen (naderhand) hun procesdossiers overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van Caluna houden zakelijk weergegeven het volgende in.

De grieven I en II richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat de facturen uitvoerig zijn gespecificeerd en dat niet is aangetoond dat Caluna daartegen heeft geprotesteerd.

Grief III luidt dat de rechtbank ten onrechte de comparitie van partijen geen doorgang heeft laten vinden.

De grieven IV t/m IX betreffen de reconventionele vordering van Caluna en houden in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat [geïntimeerde] slecht werk heeft geleverd of onterechte adviezen heeft gegeven, die bij Caluna tot schade konden leiden. De grieven betreffen achtereenvolgens gemaakte boekhoudkundige fouten, het adviseren van een uitzendconstructie via Dutch Direction, het niet opnemen van naheffingen in de jaarrekeningen 1996 en 1997, de geadviseerde vereveningsconstructie, en het advies de naheffing(en) als niet ontvangen aan te merken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Nu geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank onder 2 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten, gaat ook het hof van die feiten uit.

4.2. Het geschil tussen partijen betreft kort weergegeven, het volgende.

[geïntimeerde] (en vóór 1 april 1994 haar voorgangster Administratie-en Adviesburo Kiers) heeft vanaf 1990 tot eind 1998/begin 1999, toen Caluna de relatie heeft beëindigd, voor Caluna en voor Caluna Bollenteelt & Verwerking B.V., een 100% dochter van Caluna (verder te noemen Bollenteelt), boekhoudkundige en accountantswerkzaamheden verricht. Voor 1994 waren deze werkzaamheden wat beperkter van aard dan na 1994.

[directeur appellant] (verder: [directeur]) is directeur en enig aandeelhouder van Caluna. Bollenteelt is de voortzetting, per 31 maart 1995, van een vroegere eenmanszaak van [directeur].

De aan Caluna gerichte nota's van [geïntimeerde] over de periode januari 1998 t/m maart 1999 ten belope van f 59.164,02 zijn door Caluna niet betaald.

GUO heeft bij Bollenteelt over de jaren 1992 t/m 1995 een boekenonderzoek ingesteld waarvan op 2 december 1996 een rapport is opgemaakt. Daaruit blijkt dat Bollenteelt in de controlejaren Poolse arbeiders heeft ingehuurd voor oogst- en andere werkzaamheden. GUO heeft de werkzame Poolse arbeiders niet aangemerkt als zelfstandige ondernemers of uitzendkrachten, maar als werknemers met een dienstbetrekking als bedoeld in art. 3 van de Sociale Verzekeringswetten en op die grond over de genoemde jaren correcties aangekondigd.

Aan Bollenteelt is op 19 november 1998 door GUO Eindhoven een naheffing over 1993 van f 171.360,33 opgelegd en is (aan "Caluna BV") op 15 december 1999 een beslissing omtrent de gecorrigeerde premies 1994 gezonden ten bedrage van f 76.675,40.

Aan [directeur] is op 15 december 1998 een naheffing loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van f 283.063,-.

De jaarrekeningen 1996 en 1997 zijn gedateerd resp. 6 oktober 1997 en 26 oktober 1998.

Bij brief van de Inspecteur Ondernemingen Roermond van 20 januari 1997 heeft deze aan [geïntimeerde] medegedeeld dat het namens [directeur]/Bollenteelt gedane verzoek tot ontheffing van de vrijstelling wegens verhuur van onroerend goed werd afgewezen.

Notaris [notaris] te [vestigingsplaats] heeft in augustus 1998 mede in overleg met [geïntimeerde] een concept-vaststellingsovereenkomst tussen [directeur] en zijn echtgenote opgesteld waarbij zij overgaan tot vaststelling van hetgeen mevrouw [vrouw directeur] op grond van de huwelijkse voorwaarden van [directeur] te vorderen heeft, ter delging waarvan [directeur] aan zijn vrouw de aandelen in de door hem met het oog op deze kwestie op 27 november 1997 opgerichte vennootschap Leonca Lelies B.V. zal overdragen. De overeenkomst is door het echtpaar [directeur] niet ondertekend en niet uitgevoerd.

4.3. [geïntimeerde] heeft Caluna gedagvaard en, voor zover in hoger beroep nog van belang, betaling van haar onbetaalde facturen gevorderd.

Caluna heeft, stellende dat zij dat al herhaaldelijk tegen [geïntimeerde] heeft geuit, bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de facturen en gesteld dat zij een betere specificatie daarvan verlangt.

Caluna heeft voorts nalatigheden in de uitvoering van het werk door [geïntimeerde] aangewezen. Voorts heeft Caluna gesteld, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat [geïntimeerde] haar ondeugdelijk heeft geadviseerd en op die grond schadevergoeding gevorderd, bestaande uit de bovengenoemde aan Bollenteelt opgelegde naheffingen en verdere schade, op te maken bij staat. [geïntimeerde] heeft deze vordering bestreden.

4.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit niets blijkt dat Caluna binnen een redelijke termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de facturen en heeft het verweer omtrent ongespecificeerdheid van de facturen verworpen, zodat in conventie de vordering van [geïntimeerde] integraal is toegewezen.

In reconventie heeft de rechtbank allereerst overwogen dat Bollenteelt in deze procedure geen procespartij is en niet in enige vordering kan worden ontvangen.

Verder overwoog de rechtbank dat volstrekt onvoldoende was aangetoond dat [geïntimeerde] als accountant onjuist of onrechtmatig had gehandeld en dat de naheffingen, indien terecht, geen schade opleveren en indien onterecht, door bezwaar of beroep kunnen worden gecorrigeerd.

De reconventionele vordering werd mitsdien afgewezen.

4.5. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat Caluna tijdig tegen de facturen waarvan [geïntimeerde] betaling vordert, heeft geprotesteerd, overweegt het hof naar aanleiding van de klachten van Caluna over deze facturen het navolgende.

De facturen, overgelegd bij conclusie van repliek/antwoord, werden kennelijk steeds medio van de maand verzonden en zij vermelden overzichtelijk en inzichtelijk per categorie voor welk bedrag werkzaamheden zijn verricht. Daarnaast heeft [geïntimeerde] aan Caluna factuurspecificaties gezonden, waarop eveneens per maand precies staat vermeld op welke datum, door welke medewerker, aan welke werkzaamheden gedurende welke tijd arbeid is verricht. Het verwijt dat de facturen onvoldoende inzicht geven in de verrichte werkzaamheden moet derhalve worden verworpen. Caluna heeft bovendien niet gesteld dat de vermelde werkzaamheden niet zouden zijn verricht.

De klacht dat [geïntimeerde] de werkzaamheden met betrekking tot het opstellen van de jaarrekening 1997 meerdere malen in rekening zou hebben gebracht gaat evenmin op.

Op factuurnr. 1998015 (d.d. 18 februari 1998) is hiervoor niet ruim f 12.000 maar f 8.680,25 berekend, op factuur 981244 (d.d. 18 december 1998) niet opnieuw f 12.000 maar f 5.815 alsmede voor "balans KvK 1997" f 708,-, en op factuur 981476 d.d. 31 december 1998 voor "fiscale jaarrekening 1997" f 2.435,- en op factuur 990315 d.d. 12 april 1999 daarvoor nog eens f 879,-. Het betreft hier derhalve drie verschillende, niet ongebruikelijke werkzaamheden, terwijl Caluna niet heeft betwist dat in verband met hetgeen de bank van haar eiste door [geïntimeerde] zowel voorlopige, als definitieve cijfers moesten worden aangeleverd en daarna de jaarrekening en de fiscale jaarrekening.

Caluna heeft bovendien niet betwist dat vóór 1998 volgens dezelfde systematiek werd gedeclareerd en dat zij die facturen, zij het naar zij stelt onder bezwaar tegen de hoogte ervan, steeds heeft betaald.

De klacht tenslotte dat [geïntimeerde] de jaarrekening 1997 te laat heeft ingediend faalt eveneens, nu Caluna niet heeft weersproken dat dit met instemming van de aandeelhouder/ bestuurder is geschied, daargelaten dat Caluna niet heeft gesteld dat, en welke, schade zij daarvan heeft kunnen ondervinden.

Grief I moet derhalve worden verworpen. Gelet op de veronderstelling waarvan het hof aan het begin van deze rechtsoverweging is uitgegaan, heeft Caluna geen belang meer bij behandeling van haar tweede grief.

4.6. Grief III wordt eveneens verworpen. Daargelaten dat Caluna geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen werd gelast, en zij in een later stadium van de procedure niet om een comparitie heeft gevraagd, heeft zij niet gesteld welke voor rekening van [geïntimeerde] komende schade zij van het niet doorgaan van de comparitie heeft ondervonden. Bovendien heeft zij in de verdere procedure in eerste en tweede instantie alle mogelijkheden gehad om haar standpunt, inclusief bewijsaanbiedingen, naar voren te brengen.

4.7. Blijkens het door Caluna sub 28 van haar memorie van grieven gestelde voert zij daar als grief tegen het bestreden vonnis aan dat door de rechtbank ten onrechte is geoordeeld dat naheffingen aan Bollenteelt opgelegd niet ontvankelijk zijn in dit geding. Caluna stelt dat aangezien Bollenteelt een 100% dochter van haar is, zij ook 100% materieel schade lijdt.

Deze stelling moet echter als onjuist worden verworpen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat Bollenteelt

- een afzonderlijke besloten vennootschap - in deze procedure geen partij is, zodat schade van Bollenteelt in dit geding niet kan worden gevorderd. Evenmin is juist dat schade die Bollenteelt lijdt, schade van Caluna zou zijn reeds op de enkele grond dat Caluna 100% van de aandelen van Bollenteelt houdt. Dat feit brengt, evenmin als de omstandigheid dat de twee vennootschappen een fiscale eenheid vormen, niet mee dat de vennootschappen zouden mogen worden vereenzelvigd (HR 13 december 1996, NJ 1997, 557).

4.8. Caluna heeft een handgeschreven notitie van haar huidige accountant overgelegd waarin een aantal kritische kanttekeningen worden geplaatst bij de boekhouding zoals die door [geïntimeerde] is verzorgd. [geïntimeerde] heeft daarop gereageerd door overlegging van een uitvoerige notitie van haar medewerker [medewerker], die de kritiek van Caluna punt voor punt gemotiveerd heeft weersproken. Door Caluna is bij pleidooi deze kwestie nog wel aangeroerd, maar de reactie van [medewerker] heeft zij op geen enkele wijze weersproken. Nu Caluna bovendien niet stelt dat, en welke schade, voor haar uit de geconstateerde gebreken zou kunnen voortvloeien, verwerpt het hof de bezwaren van Caluna als onvoldoende onderbouwd en voldoende gemotiveerd weersproken.

De door Caluna opgevoerde schade ten bedrage van f 8.755,- wegens naheffing voor ten onrechte als zelfstandigen opgevoerde Engelse werknemers is niet ten laste gekomen van Caluna maar van Bollenteelt, zodat deze post in deze procedure geen rol speelt.

Grief V wordt mitsdien verworpen.

4.9. Grief VI betreft het inschakelen van het uitzendbedrijf Dutch Direction, hetgeen volgens Caluna op

- onjuist - advies van [geïntimeerde] is geschied en tot hoge naheffingen heeft geleid.

Ook voor deze gestelde schade geldt echter, dat deze is geleden door Bollenteelt en dat, zoals reeds overwogen, schade van Bollenteelt niet vanzelf schade van Caluna is. Reeds op die grond moet de hierop gebaseerde vordering van Caluna worden verworpen. Caluna heeft niet gesteld welke andere schade dan deze naheffingen zij zou (kunnen) hebben geleden door het feit dat [geïntimeerde] het aantrekken van arbeidskrachten langs deze weg heeft aanbevolen, zoals Caluna stelt maar [geïntimeerde] ontkent. Caluna heeft er dus geen belang bij dat deze kwestie nader zou worden onderzocht.

De grief faalt.

4.10. In grief VII voert Caluna aan dat [geïntimeerde] de naheffingen ten onrechte niet heeft vermeld in de jaarrekeningen 1996 en 1997.

Deze grief kan echter niet slagen.

Voor zover zij hierbij doelt op de jaarrekeningen van Bollenteelt wordt de grief verworpen aangezien Caluna niet de schade van Bollenteelt kan vorderen.

Voor zover Caluna doelt op haar eigen jaarrekeningen, overweegt het hof dat niet valt in te zien dat te verwachten belastingverplichtingen van een andere vennootschap op de balans van Caluna zouden moeten worden opgenomen. Vast staat wel dat de naheffingsaanslagen ten laste van Bollenteelt dateren van na het moment van opmaken van de jaarrekeningen 1996 en 1997. Tenslotte heeft Caluna ook hier niet gesteld dat, en welke, schade zij dientengevolge zou hebben geleden.

4.11. Ook de stellingen van Caluna omtrent de door [geïntimeerde] geadviseerde vereveningsconstructie tussen het echtpaar [directeur] kunnen geen doel treffen. Caluna heeft niet gesteld wat haar bemoeienis en haar schade is bij een volgens haar onjuist advies omtrent afwikkeling van huwelijksvoorwaarden van haar aandeelhouder/bestuurder.

Grief VIII wordt derhalve verworpen.

4.12. Ook voor de in grief IX aangevoerde klacht geldt, dat het gestelde onjuiste advies ten aanzien van een aankondiging naheffing niet Caluna, maar Bollenteelt betreft, zodat de klacht in deze procedure niet aan de orde is. Grief IX faalt derhalve.

4.13. Tenslotte kan ook grief IV, die naast de grieven V t/m IX geen zelfstandige klacht bevat, niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

Voor zover met deze grief ook bedoeld zou zijn de kwestie van het te laat ingediende optieverzoek belaste verhuur (vgl. punt 11 conclusie van antwoord/eis) geldt ook weer daarvoor dat uit het gestelde moet worden afgeleid dat dat een zaak van [directeur] en/of Bollenteelt betreft, maar niet van Caluna.

4.14. De conclusie luidt, dat aangezien alle grieven falen, het bestreden vonnis in conventie en in reconventie met verbetering en aanvulling van gronden zal worden bekrachtigd.

Caluna zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. Uitspraak

Het hof:

bekrachtigt met verbetering en aanvulling van gronden het vonnis van de rechtbank te Roermond van 26 oktober 2000, onder rolnr. 34085/HA ZA 99-595 tussen partijen in conventie en reconventie gewezen;

veroordeelt Caluna in de kosten van het geding in hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op € 762,35 voor verschotten en € 3.493 voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs De Groot-van Dijken, Fikkers en Mannaerts en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 januari 2003.