Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF3987

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
20.005311.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.005311.02

uitspraakdatum : 4 februari 2003

verstek

dip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Roermond van 12 juli 2002 in de strafzaak onder parketnummers 04/057239-01 en 04/057285/01 (ttz.gev.) tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep

De dagvaarding in hoger beroep is op de voet van artikel 408a van het Wetboek van Strafvordering aanstonds bij het instellen van hoger beroep uitgereikt.

Het hof stelt vast dat op de akte van uitreiking niet met behulp van een kruisje is aangegeven aan wie de dagvaarding om in hoger beroep te verschijnen is uitgereikt. Wel is ingevuld de naam van de raadsman van verdachte, mr. M. Heuvelmans.

Het hof stelt voorts vast dat de handtekening op de akte rechtsmiddel bij de naam van mr. Heuvelmans en de handtekening voor ontvangst op de akte van uitreiking aan elkaar gelijk zijn.

Hieruit leidt het hof af dat de dagvaarding is uitgereikt aan mr. Heuvelmans, zijnde een daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering en de bewijsvoering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt mede te berusten op de hierna volgende bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De tenlastelegging en de bewezenverklaring

Nu ten aanzien van de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet opnieuw recht wordt gedaan, kan worden volstaan met de omschrijving zoals in het beroepen vonnis vervat.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

In deze zaak gaat het om een zogenaamde verblijfsontzegging. Burgemeester en wethouders van Venlo hebben op de voet van art. 3:8 van de Algemene plaatselijke verordening Venlo (verder: APV) een gebied aangewezen - kort gezegd: het centrum van Venlo - voor welk gebied de burgemeester aan degene die overlast veroorzaakt in verband met drugs een verbod kan opleggen zich in dit gebied te bevinden. Het kan gaan om een verbod voor de duur van ten hoogste acht uur (art. 3:8 leden 1-3 van de APV) dan wel, indien aan betrokkene eerder een in lid 1 bedoeld verbod is opgelegd en hij zich binnen zes maanden opnieuw misdraagt, om een verbod van ten hoogste veertien dagen (art. 3:8 leden 4 en 5 van de APV).

Aan verdachte is (kennelijk) op 14 oktober 2001 een bevel van de burgemeester uitgereikt waarin hem een verblijfsontzegging wordt opgelegd voor de periode van 14 oktober 2001 tot 28 oktober 2001. Dit bevel zou verdachte hebben overtreden op 24 oktober 2001 (parketnr. 04/057239-01).

Voorts is aan verdachte een bevel van de burgemeester uitgereikt waarin hem een verblijfsontzegging wordt opgelegd voor de periode van 28 oktober 2001 tot 11 november 2001. Dit bevel zou verdachte hebben overtreden op 7 november 2001 (parketnr. 04/057285-01)

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, door overtreding van voornoemde bevelen van de burgemeester, art. 184 Sr heeft overtreden.

De raadsman heeft in eerste aanleg de volgende verweren gevoerd:

A. Het verblijfsverbod is onbevoegd gegeven, nu het is gegeven door een politieambtenaar en niet door de burgemeester zelf. De burgemeester kan zijn bevoegdheid niet mandateren aan de politie nu zulk een mandaat in strijd is met art. 172 jo. 177 van de Gemeentewet.

B. De burgemeester is geen ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht, als bedoeld in art. 184 Sr.

C. Om te kunnen bellen met een munttelefoon of voor bezoek aan zijn raadsman moest verdachte in het in de verblijfsontzegging aangewezen gebied zijn. Verdachte is beperkt in zijn bewegingsvrijheid en in zijn recht op rechtsbijstand. Het beperken van de bewegingsvrijheid door een materiële wet is in strijd met de Grondwet.

D. Het is niet duidelijk of de Koninginnesingel te Venlo behoort tot het gebied waarvoor de verblijfsontzegging geldt, nu volgens de plattegrond bij het ene bevel de Koninginnesingel binnen dit gebied valt en volgens de plattegrond bij het andere bevel niet.

In hoger beroep zijn deze verweren, die door de politierechter zijn verworpen, niet herhaald. Het hof heeft de zaak bij verstek behandeld. Het hof vindt echter aanleiding in te gaan op de in eerste aanleg gevoerde verweren.

Het hof overweegt dan naar aanleiding van deze verweren als volgt.

A.

Voor een veroordeling ter zake van art. 184 Sr is vereist dat komt vast te staan dat van een rechtmatig bevel sprake is. Nu de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het bevel van de burgemeester niet is benut, moet de strafrechter de rechtmatigheid van het bevel beoordelen (HR 24 september 2002, ro. 3.5 en 3.6, LJN AE2126).

Het verweer dat de burgemeester zijn bevoegdheid niet kan mandateren, miskent dat het in deze zaak niet gaat om de toepassing van de in art. 172 en art. 177 van de Gemeentewet bedoelde bevoegdheden, doch om bevelen van de burgemeester die zijn gegrond op art. 3:8 van de APV (vgl. HR 24 september 2002, ro. 5.2, LJN AE 2126).

Uit art. 10:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

Naar het oordeel van het hof wordt het mandateren van de onderhavige bevoegdheid door de burgemeester niet uitgesloten door art. 3:8 van de APV noch door enige andere wetsbepaling.

Evenmin verzet de aard van de bevoegdheid zich tegen (iedere vorm van) mandatering. Hierbij neemt het hof in aanmerking de Gebruiksinstructie verblijfsontzeggingen welke door de burgemeester is vastgesteld op 29 augustus 2000 ter bepaling van de voorwaarden waaronder de burgemeester zijn bevoegdheden mandateert aan bepaalde politiefunctionarissen. Blijkens deze Gebruiksinstructie wordt niet het beleid ter zake, maar de toepassing in nauwkeurig in de Gebruiksinstructie omschreven gevallen gemandateerd aan politiefunctionarissen.

B.

Het gaat hier om een door de gemeenteraad vastgestelde verordening waarin aan de burgemeester bepaalde bevoegdheden zijn gegeven, te weten het geven van een verblijfsontzegging voor een bepaalde duur betreffende een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied.

Hieruit volgt dat de burgemeester door de gemeenteraad is belast met het toezicht op de uitvoering van art. 3:8 van de APV ten aanzien van de personen die zich in het aangewezen gebied bevinden.

Derhalve is, wat betreft de uitvoering van art. 3:8 van de APV, de burgemeester een ambtenaar met de uitvoering van enig toezicht belast, als bedoeld in art. 184 Sr.

C.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het recht op bewegingsvrijheid in de Grondwet wordt beschermd en niet kan worden beperkt door een wet die geen wet in formele zin is, moet dit verweer reeds worden verworpen op de grond dat de Grondwet niet een (algemeen) recht van bewegingsvrijheid toekent.

Voorts kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat art. 3:8 van de APV in strijd is met het recht op bewegingsvrijheid als toegekend in art. 12 IVBPR en art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM.

Art. 12 lid 3 IVBPR staat toe dat het recht om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen wordt beperkt, mits bij de wet voorzien, in het belang van onder meer de openbare orde.

Dezelfde beperkingsmogelijkheid geldt voor het recht op verplaatsingsvrijheid voorzien in art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM (artikel 2, lid 3, van dit Protocol).

Art. 3:8 van de APV Venlo is zulk een wettelijke voorziening die is gegeven in het belang van de openbare orde.

Overigens is het hof van oordeel dat de mogelijkheden van verdachte om te telefoneren of om contact te hebben met zijn raadsman niet op onaanvaardbare wijze zijn beperkt door de onderhavige bevelen tot verblijfsontzegging. Hierbij neemt het hof in aanmerking enerzijds de beperkte duur (veertien dagen) van de bevelen en anderzijds het bestaan van legio mogelijkheden om op andere wijze dan door het aangewezen gebied te betreden, te telefoneren of contact met de raadsman te hebben.

D.

Het hof constateert dat op beide plattegronden de Koninginnesingel binnen het aangewezen gebied valt waarvoor de verblijfsontzegging geldt. Voorts wordt telkens boven de plattegrond omschreven dat dit gebied wordt begrensd door (onder meer) de Koninginnesingel "met inbegrip van deze wegen". Plattegrond en bijbehorende omschrijving zijn aan verdachte uitgereikt.

Derhalve moest voor verdachte kenbaar en duidelijk zijn dat ook de Koninginnesingel viel onder het bevel tot verblijfsontzegging.

Op vorenstaande gronden worden alle verweren (A, B, C en D) verworpen.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, alsmede op de straf die in gelijksoortige gevallen pleegt te worden opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 23, 24, 24c, 57, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van Eur. 600,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 12 dagen.

Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige.

Dit arrest is gewezen door Mr. Venhuizen, als voorzitter

Mrs. Claassens en De Vries-Leemans, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Bouwer, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 04

tijd : 10.30

rolnummer: 20.005311.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Roermond van 12 juli 2002 ter zake van:

t.a.v. parketnummer 04/057239-01 primair en parketnummer 04/057285-01 primair telkens:"Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast";

veroordeeld tot:

ten aanzien van parketnummer 04/057239-01 primair en parketnummer 04/057285-01 primair: een gevangenisstraf voor de tijd van een week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, een geldboete van vierhonderdvijftig euro subsidiair negen dagen hechtenis onvoorwaardelijk, het onvoorwaardelijke gedeelte van de geldboete mag worden voldaan in negen achtereenvolgende maandelijkse termijnen, elk groot vijftig euro;