Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF3484

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
C0100820-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0100820/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 16 januari 2003,

gewezen in de zaak van:

DE GEMEENTE UDEN,

waarvan de zetel is te Uden,

principaal appellante,

incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

t e g e n :

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

beiden wonende te [woonplaats],

principaal geïntimeerden,

incidenteel appellanten,

procureur: mr. J.A.M. van Heijningen,

op het bij exploot van 25 juni 2001 en herstelexploot van 12 juli 2001 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, op 14 augustus 1998, 12 maart 1999, 29 oktober 1999, 1 september 2000 en 30 maart 2001 onder rolnummer 12097/ HA ZA 97-0296 gewezen tussen principaal appellant als gedaagde, hierna: de gemeente en principaal geïntimeerden als eisers, hierna: [geïntimeerden].

1. De eerste aanleg

Het hof verwijst hiervoor naar de vonnissen waarvan beroep.

2. Het geding in hoger beroep

in het principaal appel

Bij memorie van grieven heeft de gemeente tegen de beroepen vonnissen onder overlegging van producties zes grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof:

de beroepen vonnissen zal vernietigen en bij arrest opnieuw recht zal doen en daarbij [geïntimeerden] niet ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hun vorderingen zal afwijzen, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel tevens akte vermeerdering van eis hebben [geïntimeerden] onder overlegging van producties de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof:

de gemeente niet ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans de grieven ongegrond zal verklaren en de beroepen vonnissen zal bekrachtigen, behoudens vernietiging zoals en voor zoveel hierna in het incidenteel appel te concluderen en te vorderen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.

in het incidenteel appel

Bij voormelde memorie hebben [geïntimeerden] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof:

1. zal vernietigen het tussenvonnis d.d. 14 augustus 1998 voor wat betreft het oordeel dat het beroep op verjaring door de gemeente wordt gehonoreerd;

2. zal vernietigen het eindvonnis van 30 maart 2001, voor zover zij oordeelt:

a. dat de eis in de inleidende dagvaarding niet integraal wordt toegewezen met in begrip van de eis zoals telkens vermeerderd bij de aktes wijziging (vermeerdering) van de eis in eerste aanleg;

b. dat [geïntimeerden] ingedeeld moeten worden in categorie B1 van de vaststellingsovereenkomst en voor wat betreft de wettelijke rente onder categorie N2, dan wel N3 van de vaststellingsovereenkomst, hetgeen tot renteaanspraken zou leiden vanaf 1 januari 1990 op zijn vroegst;

c. dat aan [geïntimeerden] slechts een gedeelte van de kosten van rechtsbijstand wordt toegewezen, te weten een bedrag van ƒ 6.947,34;

en opnieuw rechtdoende:

- zal verklaren voor recht dat de vordering van [geïntimeerden] niet is verjaard;

bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente zal veroordelen aan [geïntimeerde 2] in geval de vordering van [geïntimeerde 2] wordt afgewezen, aan [geïntimeerde 1] te voldoen, waarbij door voldoening aan [geïntimeerde 2] geïntimeerde aan [geïntimeerde 1] bevrijdend heeft betaald:

- primair: een bedrag van € 30.813,62, zijnde de tegenwaarde van ƒ 67.904,28;

- subsidiair: 80% van het bedrag van € 30.813,62, zijnde de tegenwaarde van ƒ 67.904,28;

- meer subsidiair: 50% van het bedrag van € 30.813,62, zijnde de tegenwaarde van ƒ 67.904,28;

- primair: de wettelijke rente vanaf 9 augustus 1978 over € 30.813,62, zijnde de tegenwaarde van ƒ 67.904,28, althans over 80%, althans over 50% van het hiervoor vermelde bedrag tot aan de dag der algehele voldoening;

- subsidiair: de wettelijke rente over € 30.813,62, zijnde de tegenwaarde van ƒ 67.904,28, althans over 80%, althans over 50% van het hier voor vermelde bedrag vanaf 1 januari 1990, althans vanaf 1 januari 1992, althans vanaf 30 juli 1993 tot aan de dag algehele voldoening;

- meer subsidiair: voor zover de wettelijke rente niet toewijsbaar zou zijn over de periode 9 augustus 1978 tot 1 januari 1990, althans tot 1 januari 1992, althans tot 30 juli 1993, zijnde de datum waarop deze blijkens de brief van 30 juli 1993 aan geïntimeerde in het incidenteel appel is aangezegd: de rente over de periode 9 augustus 1978 tot en met 1 januari 1990, althans 1 januari 1992, althans 30 juli 1993 als zogenaamde compensatoire interessen en de wettelijke rente vanaf 1 januari 1990, althans vanaf 1 januari 1992, althans vanaf 30 juli 1993 over € 30.813,62, zijnde de tegenwaarde van ƒ 67.904,28, althans over 80%, althans over 50% van het hiervoor genoemde bedrag tot aan de dag der algehele voldoening;

- primair: de volledige buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten van rechtsbijstand groot € 14.252,56, zijnde de tegenwaarde van ƒ 31.408,50 (alles excl. BTW);

- subsidiair: de buitengerechtelijke kosten groot € 3.152,51, zijnde de tegenwaarde van ƒ 6.947,34;

- en voor het overige alle vonnissen van eerste aanleg zal bekrachtigen, zonodig met verbetering van gronden;

- geïntimeerde zal veroordelen in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellanten gevallen.

Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof:

[Geïntimeerden] niet ontvankelijk zal verklaren, althans hun grieven ongegrond zal verklaren en de beroepen vonnissen voor zoveel daartegen grieven zijn gericht zal bekrachtigen, althans voor zoveel deze vonnissen niet door hen voor vernietiging zijn voorgedragen, met veroordeling van hen in de kosten van het incidenteel appel.

Mr. Erkens heeft bij akte d.d. 30 oktober 2001 en mr. Van Heijningen bij akte d.d. 24 januari 2002 producties gedeponeerd ter griffie.

in het principaal en incidenteel appel

Hierna hebben partijen stukken overgelegd voor arrest.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor deze gronden wordt naar de gedingstukken in het principaal en incidenteel beroep verwezen.

4. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appel

4.1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2.2. van het vonnis van 14 augustus 1998 zijn geen grieven gericht. Het hof zal daarom ook van die feiten uitgaan.

4.2. Deze zaak handelt, voor zoveel in hoger beroep nog van belang, over het volgende.

[Geïntimeerde 2], jurist en tussen 1978 en 1992 [functie binnen de gemeente], heeft op 9 augustus 1978 aan de gemeente middels verrekening met een lening van hem een bedrag van ƒ 67.904,28 betaald terzake een schuld die [geïntimeerde 1], toenmalig wethouder van de gemeente tussen 1965 en 1986, aan de gemeente had. Deze schuld van [geïntimeerde 1] betrof een tussen deze laatste en de gemeente gesloten exploitatie-overeenkomst d.d. 18 april 1978 inzake een perceel grond gelegen aan [naam gebied] in het bestemmingsplan [bestemmingsplan] te Uden ter grootte van 1035 m2 dat eigendom van hem was. [Geïntimeerde 1] heeft deze grond in augustus 1978 aan [geïntimeerde 2] verkocht. Om die reden heeft [geïntimeerde 2] genoemde schuld van [geïntimeerde 1] aan de gemeente betaald. Vanwege die betaling heeft [geïntimeerde 1] bij akte d.d. 11 oktober 1995 zijn rechten betreffende die bijdrage jegens de gemeente aan [geïntimeerde 2] overgedragen.

De exploitatieovereenkomst was gebaseerd op de gemeentelijke exploitatieverordening en was door de gemeente als voorwaarde gesteld voor de afgifte van een bouwvergunning aan [geïntimeerde 1]. Partijen debatteren over de vraag of de overeenkomst in overeenstemming met de bepalingen van de exploitatieverordening is gesloten en of de gemeente in ruil voor een bouwvergunning een bijdrage in de exploitatiekosten van het betreffende bestemmingsplan mocht bedingen. Hierbij nemen [geïntimeerden] het standpunt in dat dit niet het geval is. De gemeente heeft een aantal nutsvoorzieningen als in de overeenkomst bedoeld aangelegd.

[Geïntimeerde 2] heeft bij brief van 30 juli 1993 aan de gemeente aanspraak gemaakt op terugbetaling van de door hem als hiervoor aangegeven voldane schuld en exploitatiebijdrage op de grond dat deze onverschuldigd was betaald nu de daaraan ten gronde liggende overeenkomst nietig was. De gemeente heeft die terugbetaling gemotiveerd geweigerd bij brieven van 30 januari 1996 en 9 september 1996.

De gemeente heeft op 10 juni 1996 als vervolg op een met een groot aantal belanghebbenden gesloten vaststellingsovereenkomst aan andere belanghebbenden, onder wie [geïntimeerde 2], een brief verzonden. Die brief bevatte, verkort weergegeven, dat het college van B&W aan de raad zou voorstellen aan de aangeschreven belanghebbenden soortgelijke maar overigens gedifferentieerde aanbiedingen te doen als aan de betrokkenen bij de reeds gesloten vaststellingovereenkomst waren gedaan. [Geïntimeerde 2] heeft deze brief opgevat als een toezegging aan hem. De gemeente duidt deze brief als een algemene mededeling waaraan geen rechten te ontlenen waren en zijn en die overigens bij vergissing en ten onrechte aan [geïntimeerde 2] is gezonden. [Geïntimeerde 2] had immers al een afwijzingsbrief ontvangen.

[Geïntimeerden] hebben de gemeente in rechte betrokken tot terugbetaling van de exploitatiebijdrage met nevenvorderingen. De rechtbank heeft na tussenvonnissen en een comparitie van partijen het beroep op verjaring van de gemeente aanvaard maar geoordeeld dat de brief van 10 juni 1996 een toezegging bevatte en op grond van die toezegging en de richtsnoeren van de vaststellingsovereenkomst de vordering in hoofdsom toegewezen tot een bedrag van ƒ 33.952,14 met de wettelijke rente hierover met ingang van 8 augustus 1978 en met kosten. Tegen deze uitspraken en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen zijn beide partijen in hoger beroep gekomen. De gemeente wil ontheven worden van iedere veroordeling. [Geïntimeerde 2] wil zijn oorspronkelijke vordering toegewezen zien.

4.3.1. Grief I in het incidenteel appel richt zich tegen het oordeel in het tussenvonnis van 14 augustus 1998 dat een beroep op verjaring van de gemeente doel treft. Het hof acht het doelmatig deze grief als eerste te bespreken.

4.3.2. Indien ervan dient te worden uitgegaan dat de exploitatieovereenkomst tussen [geïntimeerde 1] en de gemeente van april 1978 nietig was, zoals [geïntimeerden] stellen en de gemeente onvoldoende heeft bestreden, omdat die overeenkomst ten onrechte als voorwaarde voor de afgifte van een bouwvergunning was bedongen en overigens in strijd met bepalingen van de exploitatieverordening was gesloten, dan is de gestelde vordering uit onverschuldigde betaling opeisbaar geworden per de dag van betaling van de exploitatiebijdrage en ving ook op die dag de verjaringstermijn ervan aan. Die betaling vond plaats in augustus 1978. Naar de gewone regels van de voor een vordering jegens een overheidslichaam geldende wet van 24 oktober 1924, Stbld 482 was deze verjaring op 31 december 1983 voltooid. Naar deze regel is dus de vordering tot restitutie reeds lang verjaard voordat [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 1] enige aanspraak op terugbetaling hebben gemaakt.

4.3.3. [Geïntimeerde 2] heeft zich onder verwijzing naar HR 22 september 1995, NJ 1997, 418 erop beroepen dat hij onbekend was met zijn terugvorderingrecht en dat ook niet kon zijn. Zulk een beroep baat [geïntimeerde 2] echter naar het oordeel van het hof niet. Onder het tot 1 januari 1992 geldende recht gold voor de aanvang van een verjaring niet de eis van bekendheid met schuld of schuldenaar. En overigens is het onderhavige geval niet soortgelijk aan of op een lijn te stellen met vorderingen die samenhangen met sanering van bodemverontreiniging. Het gaat hier om de vraag of partijen met bepaalde administratieve regelgeving bekend kunnen zijn of niet. Ten overvloede wijst het hof er op dat het verbinden van een exploitatiebijdrage aan een bouwvergunning reeds lang een omstreden kwestie was en dat in de jaren dat [geïntimeerde 2] gemeentesecretaris was alleen maar meer omstreden werd. Die omstredenheid kon aan [geïntimeerde 2] bekend zijn. Ook toetsing van zulk een overeenkomst aan de desbetreffende verordening was voor iemand als [geïntimeerde 2], jurist en uit hoofde van zijn beroep administratiefrechtelijk georiënteerd, niet onoverkomelijk.

4.3.4. Tenslotte heeft [geïntimeerde 2] gesteld dat de gemeente van haar bevoegdheid zich op verjaring te beroepen afstand heeft gedaan, althans die bevoegdheid verwerkt heeft. Noch de omstandigheid dat de gemeente in onderhandeling met andere belanghebbenden een beroep op verjaring heeft laten varen noch een daarop tenderende opinie die een wethouder in een dagblad heeft geventileerd, indien juist, geven een grondslag voor de stelling dat de gemeente ten opzichte van [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] afstand van haar bevoegdheid te dezen heeft gedaan noch dat de gemeente niet langer een beroep op verjaring zou mogen doen. De verjaring was eind 1983 voltooid. In de aanvang van 1996 heeft de gemeente (andermaal) een terugbetaling aan [geïntimeerde 2] geweigerd. De nadien met 57 andere belanghebbenden gesloten vaststellingovereenkomst bevatte weliswaar ten opzichte van velen uit deze kring een afstand van een beroep op verjaring door de gemeente, maar was overigens zo gedifferentieerd dat, afhankelijk van ieders positie, kennis en "equality of arms" de gerechtigden 80 of 50 procent of niets ontvingen. Onder al deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de gemeente die reeds ongeveer 13 jaar een beroep op verjaring kon doen door feiten die in 1996 plaats vonden dat recht verloren of verwerkt had.

4.3.5. De grief faalt op grond van het vorenoverwogene.

4.4.1. Grief 2 in het principaal appel betreft het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde 2] aan de brief van de gemeente d.d. 10 juni 1996 een toestemming tot een aanbod tot terugbetaling kon ontlenen.

De gemeente heeft ter zake gesteld dat het hier om een algemene brief ging, geen toezegging aan [geïntimeerde 2] bevatte en overigens slechts per vergissing aan hem was verzonden.

4.4.2. Naar het oordeel van het hof bevat de omstreden brief met de woorden "Zullen aan de Raad voorstellen... een aanbod...te doen" wel een als toestemming aan te merken aanbod. [Geïntimeerde 2] heeft echter niet bestreden dat deze verklaring niet de wil van de gemeente dekte. De gemeente had reeds op 10 januari 1996 ten antwoord aan [geïntimeerde 2] geschreven dat zij niet tot terugbetaling bereid was. Die brief van januari 1996 en overigens ook de algemeen gestelde bewoordingen van de brief van 10 juni 1996 waarin ook in het geheel niet verwezen wordt naar de eerder aan hem verstuurde brief hadden tenminste zoveel twijfel bij de administratief ervaren [geïntimeerde 2] moeten wekken dat hij over de bedoeling van de brief inlichtingen bij de gemeente had dienen te verwerven alvorens erop te vertrouwen dat het hier daadwerkelijk om een toezegging jegens hem ging. Nu hij deze onderzoeksplicht niet is nagekomen, mocht hij in redelijk niet op deze niet met de wil van de gemeente overeenstemmende verklaring bouwen en als toestemming aanvaarden. Ook op deze grondslag kan de vordering van [geïntimeerde 2] derhalve niet slagen. Grief 2 in het principaal appel slaagt derhalve.

4.5. Het niet slagen van de incidentele grief tegen de verjaring van de vordering van [geïntimeerde 2] en het wel slagen van de grief inzake de door de rechtbank aangenomen toestemming hebben tot gevolg dat de vordering [geïntimeerde 2] alsnog dient te worden afgewezen. Daarom hebben partijen geen belang meer bij bespreking van de overige grieven. Het hof zal dit daarom achterwege laten.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel

vernietigt de vonnissen waarvan beroep;

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde de gemeente begroot op ƒ 7.700 ofwel € 3.494 aan salaris en op ƒ 3.700 ofwel € 1.679 aan verschotten in de eerste aanleg en op € 1.534,36 aan verschotten en € 2.109 aan salaris in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, De Kok en Feddes en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 16 januari 2003.