Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF3456

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
00/00411
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/9.3.7
FutD 2003-0238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00411

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, elfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 54.238,--, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ambtenaar is gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van ƒ 60,-- ( = € 27,23).

De ambtenaar heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 15 oktober 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging door de wederpartij van de bij de pleitnota behorende bijlagen. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak A straat 1 (hierna: de onroerende zaak) te Y.

2.2. De waarde van de onroerende zaak is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken bij beschikking vastgesteld. Belanghebbende heeft geen bezwaarschrift ingediend tegen de vastgestelde waarde, zodat de beschikking thans onherroepelijk vaststaat.

2.3. De onroerende zaak noch de aanhorigheden daarvan worden door de belanghebbende gebruikt ten behoeve van een onderneming of staan hem op andere wijze ten behoeve van een onderneming ter beschikking.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de stallen, de schuren en de gronden rondom de onroerende zaak van belanghebbende in het jaar 1998 kunnen worden aangemerkt als aanhorigheden in de zin van artikel 42a, tweede lid, van de Wet op inkomstenbelasting (hierna: de Wet IB).

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De ambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat indien de vraag bevestigend moet worden beantwoord, het uit dien hoofde als inkomsten in de zin van artikel 42a Wet IB in aanmerking te nemen bedrag op ƒ 4.012,-- is te stellen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De onroerende zaak staat belanghebbende wel ter beschikking, maar de aanhorigheden worden door belanghebbende gebruikt voor werkzaamheden waaruit andere inkomsten uit arbeid worden verkregen. In die situatie kunnen de aanhorigheden niet tot de eigen woning worden gerekend.

De ambtenaar

Belanghebbende komt eerst ter zitting met de stelling dat de aanhorigheden aangewend worden voor het verkrijgen van andere inkomsten uit arbeid. Ik betwist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor de door belanghebbende genoemde werkzaamheden. De beschikking die is afgegeven in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikking) vermeldt dat sprake is van één object hetwelk in zijn geheel dient te worden aangemerkt als woning. Deze WOZ-beschikking wordt voor de toepassing van het huurwaardeforfait gevolgd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.076,--.

De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat voor de berekening van het huurwaardeforfait uitsluitend rekening dient te worden gehouden met de waarde van de woning, aangezien de schuren, stallen en gronden worden aangewend ter verwerving van andere inkomsten uit arbeid. Voorts stelt belanghebbende dat op grond van het gelijkheidsbeginsel de schuren, stallen en gronden voor de toepassing van het huurwaardeforfait buiten de waardebepaling moeten worden gelaten.

4.2. Op grond van artikel 42a, eerste lid, van de Wet IB, worden de zuivere inkomsten met betrekking tot de eigen woning tot een forfaitair bedrag in aanmerking genomen. Deze regeling wordt aangeduid als het huurwaardeforfait. Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat de aanhorigheden van de eigen woning tot de eigen woning worden gerekend. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een aanhorigheid is het Hof van oordeel dat het, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 16 juli 1993, BNB 1993/281, van belang is of de schuren en landerijen behoren bij de woning, daarbij in gebruik zijn, en daaraan dienstbaar zijn.

4.3. Naar het Hof begrijpt doet belanghebbende zijn standpunt steunen op de stelling dat de schuren, stallen en de gronden ten onrechte in de ten aanzien van de onroerende zaak afgegeven WOZ-beschikking zijn begrepen omdat zij, hoewel zij de belanghebbende ter beschikking staan, niet behoren bij de woning, daarbij in gebruik zijn of daaraan dienstbaar zijn. De inspecteur heeft die stelling betwist en daarbij aangevoerd dat de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat en dat hem geen feiten of omstandigheden bekend zijn op grond waarvan de conclusie zou kunnen worden getrokken dat die beschikking berust op een onjuist objectafbakening. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de schuren en landerijen niet behoren bij de woning, niet in gebruik zijn bij de woning of daaraan niet dienstbaar zijn. Gelet op het vorenstaande dienen de schuur en de landerijen aangemerkt te worden als aanhorigheid in de zin van artikel 42a, tweede lid Wet IB 1964.

4.4. Vaststaat dat vorenbedoelde aanhorigheden bij de onderhavige eigen woning niet werden gebruikt ten behoeve van een onderneming. Derhalve is van geen belang of die aanhorigheden door belanghebbende gebruikt werden ter verwerving van andere inkomsten uit arbeid of in het kader van zijn hobby. Immers, in laatstgenoemde wetsbepaling worden alleen delen van een onroerende zaak die ten behoeve van een onderneming de belastingplichtige ter beschikking staan buiten toepassing van het huurwaardeforfait gelaten.

4.5. Belanghebbende beroept zich slechts op het geval van één andere belastingplichtige waarbij de inspecteur de aanhorigheden voor toepassing van het huurwaardeforfait niet in de waardebepaling heeft betrokken. Daargelaten dat het geval van deze belastingplichtige niet onder de Inspecteur ressorteerde maar onder het hoofd van de eenheid particulieren B, is het enkele noemen van één ander geval zonder nadere toelichting, nu niet is gesteld noch gebleken dat daarbij het oogmerk van een begunstiging een rol heeft gespeeld, onvoldoende om belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel te doen slagen.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de ambtenaar. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door N. van Beelen, voorzitter, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 7 januari 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 7 januari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.