Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:BA4363

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2002
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
C0100916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beantwoord moet worden de vraag of Concepts jegens appellante onrechtmatig handelt door te weigeren aan Concepts de naam en het adres van de bewuste gebruiker en een aantal overige gegevens ter beschikking te stellen. De omstreden e-mailberichten dateren van 16 en 17 april 2001. Op grond van de door de president weergegeven en in hoger beroep niet aangevochten vaststaande feiten kan er voorshands van worden uitgegaan dat de afzender van die berichten onrechtmatig jegens appellante heeft gehandeld door de naam van appellante te gebruiken. In dit geding is voorshands moeilijk vast te stellen of de beledigende c.q. negatieve beweringen in die berichten omtrent appellante en haar bedrijf, gelet op de vrijheid van meningsuiting, ook onrechtmatig zijn. Doch zulks kan in het midden blijven nu reeds het feit dat de gebruiker voorwendde dat appellante de berichten verzond, onrechtmatig is. Daarvan uitgaande heeft appellante er (ook nu nog) een (spoedeisend) belang bij dat zij de beschikking krijgt over de persoonsgegevens van de bewuste gebruiker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JS

rolnr. KG C0100916/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 25 juli 2002,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 26 september 2001,

procureur: mr. L.F. Portier,

tegen:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CONCEPTS ICT BV,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. P.J. van den Hoogen,

op het hoger beroep tegen het door de president van de rechtbank te Breda gewezen vonnis in kort geding van 14 september 2001 tussen appellante - Rutloh - als eiseres en geïntimeerde - Concepts - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 99592/KG ZA 01-498)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante], onder overlegging van een productie, zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Concepts de grieven bestreden.

2.3. [appellante] heeft de gedingstukken aan het hof overgelegd waarna partijen uitspraak hebben gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De zes grieven richten zich tegen de rov. 3.3., 3.4., 3.6., 3.7. en 4. van het beroepen vonnis.

4. De beoordeling

4.1. Voor wat betreft de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het hof naar rov. 3.1. van het beroepen vonnis.

4.2. [appellante] vordert sub I Concepts te veroordelen het internet account van de voor [appellante] onbekende gebruiker van de twee omstreden e-mailadressen af te sluiten.

De president heeft in rov. 3.3. deze vordering afgewezen op de grond dat het access-account van deze gebruiker inmiddels op diens verzoek is afgesloten.

4.2.1. Hiertegen is grief 1 gericht. De grief faalt. [appellante] ontkent weliswaar dat het access-account is afgesloten, doch zulks ongemotiveerd. Nu er geen enkele aanwijzing bestaat dat de bewuste gebruiker na april 2001 via Concepts nog e-mail berichten heeft verspreid door gebruikmaking van bedoelde twee e-mailadressen, moet voorshands worden aangenomen dat het account is afgesloten.

4.3. Onder grief 2 betoogt [appellante] dat zij slechts verlangt dat Concepts actie onderneemt met betrekking tot specifieke e-mailberichten, en niet dat Concepts kennis neemt van de inhoud van de miljoenen e-mailberichten die dagelijks via haar accounts worden verzonden, zoals de president lijkt te veronderstellen.

4.3.1. Bij deze grief heeft [appellante] geen belang nu voorshands moet worden aangenomen dat Concepts feitelijk reeds actie heeft ondernomen door het access-account van de bewuste gebruiker af te sluiten.

Voorzover de door [appellante] gewenste actie van Concepts ook zou moeten inhouden dat Concepts de naam en het adres van deze gebruiker aan [appellante] bekend maakt, verwijst het hof naar bespreking van de grieven 4 en 5 (rov. 4.7. e.v.).

4.4. [appellante] vordert sub II en III dat Concepts wordt veroordeeld aan [appellante] de naam, het adres en een aantal overige gegevens van de aan Concepts bekende gebruiker bekend te maken.

4.4.1. De president heeft geconcludeerd dat de belangen van Concepts prevaleren boven die van [appellante], en op grond daarvan de vorderingen sub II en III afgewezen.

Hiertegen zijn de grieven 4 en 5 gericht.

4.5. [appellante] betoogt dat de omstreden e-mailberichten naar meerdere - geselecteerde - adressen zijn gezonden, waardoor de schade maximaal is. Voorts stelt [appellante] dat op 29 december 2001 opnieuw een - onder meer - jegens haar lasterlijk bericht is verspreid op de website van [naam website] (prod. 11 MvG), een voor eenieder toegankelijke homepage. Die verspreiding vond weliswaar niet plaats via Concepts, maar doordat Concepts de naam niet prijsgeeft van de bewuste gebruiker, kan deze doorgaan met zijn lastercampagne via andere wegen.

De handelwijze van deze gebruiker levert volgens [appellante] het misdrijf van smaad/smaadschrift op (art. 261 Sr) en is dus in ernstige mate onrechtmatig, terwijl ook de gevolgen ernstig zijn. [appellante] voelt zich diep gekwetst door de wijze waarop zij in een kwaad daglicht wordt gesteld en zij ondervindt schade doordat de verkoop van puppies wordt bemoeilijkt waarmee zij haar hobby bekostigt.

4.6. Concepts voert ten verwere aan dat de omstreden e-mailberichten dateren van april 2001, dat er geen enkele aanwijzing is dat de beheerder van website [naam website] dezelfde is als degene die eerder die e-mailberichten verspreidde, dat [appellante] (dan ook) geen spoedeisend belang meer heeft bij haar vorderingen sub II en III, dat zij betwist dat de verkoop van puppies door de e-mailberichten is of wordt bemoeilijkt en eveneens betwist dat het bekend maken van de persoonsgegevens van de bewuste gebruiker noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van [appellante], dat de bescherming van het bedrijfsbelang van Concepts en de door haar te respecteren belangen en rechten van haar klanten zwaarder wegen dan de belangen van [appellante], nu in casu geen sprake is van een zeer ernstig strafbaar feit, zo er al enig strafbaar feit is gepleegd, hetgeen volgens Concepts niet het geval is.

4.7. Het hof oordeelt als volgt.

Beantwoord moet worden de vraag of Concepts jegens [appellante] onrechtmatig handelt door te weigeren aan Concepts de naam en het adres van de bewuste gebruiker en een aantal overige gegevens ter beschikking te stellen.

4.7.1. De omstreden e-mailberichten dateren van 16 en 17 april 2001. Op grond van de door de president weergegeven en in hoger beroep niet aangevochten vaststaande feiten kan er voorshands van worden uitgegaan dat de afzender van die berichten onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld door de naam van [appellante] te gebruiken. In dit geding is voorshands moeilijk vast te stellen of de beledigende c.q. negatieve beweringen in die berichten omtrent [appellante] en haar bedrijf, gelet op de vrijheid van meningsuiting, ook onrechtmatig zijn. Doch zulks kan in het midden blijven nu reeds het feit dat de gebruiker voorwendde dat [appellante] de berichten verzond, onrechtmatig is. Daarvan uitgaande heeft [appellante] er (ook nu nog) een (spoedeisend) belang bij dat zij de beschikking krijgt over de persoonsgegevens van de bewuste gebruiker.

4.7.2. Het hof stelt voorop dat er geen algemene rechtsregel bestaat op grond waarvan Concepts zo spoedig mogelijk nadat zij kennis heeft gekregen van onrechtmatige handelingen als de onderhavige, verplicht is mede te werken aan het ter beschikking stellen van gegevens die nodig zijn om vast te stellen wie voor die handelingen verantwoordelijk is. Het andersluidende standpunt van [appellante] is onjuist.

Nagegaan moet daarom worden of Concepts daartoe desalniettemin onder de gegeven omstandigheden verplicht is.

4.8. Concepts heeft, daarop geattendeerd door [appellante], inmiddels de access-account van de bewuste gebruiker afgesloten.

Niet gebleken is dat nadien soortgelijke e-mailberichten via Concepts zijn verzonden. Van andere e-mailberichten waarin de naam van [appellante] onrechtmatig als afzender wordt gebruikt en die de goede naam van [appellante] aantasten is niet gebleken.

Er is geen enkele aanwijzing dat het bericht op de website van [naam website] van 29 december 2001, dat overigens niet alleen [appellante] betreft, maar ook diverse anderen, afkomstig is van dezelfde persoon als voormelde gebruiker dan wel verband houdt met de eerdere e-mailberichten. Er zijn voorts onvoldoende gegevens bekend omtrent de vraag in hoeverre [appellante] door die eerdere e-mailberichten is gedupeerd, met name is niet bekend of na die e-mailberichten de verkoop van puppies door [appellante] stagnatie heeft ondervonden, en in hoeverre [appellante] ook thans nog de gevolgen daarvan ondervindt.

4.8.1. Gelet op de onder 4.8. vermelde omstandigheden is het hof voorshands van oordeel dat de maatschappelijke zorgvuldigheid niet meebrengt dat Concepts meewerkt aan verdergaande acties dan zij gedaan heeft, in het bijzonder dat zij de persoonsgegevens van de gebruiker aan [appellante] bekend maakt. Concepts heeft er immers harerzijds in het algemeen belang bij dat zij zo min mogelijk wordt belast met het opvragen door derden van persoonsgegevens van haar klanten en het doorgeven daarvan aan die derden, mede gelet op het feit dat zij zich - zoals zij onbetwist heeft gesteld - in haar algemene voorwaarden jegens de klant verplicht om vertrouwelijke informatie zoveel mogelijk te beveiligen. De stelling van [appellante] dat de omstreden handelingen van de bewuste gebruiker jegens [appellante] in ernstige mate onrechtmatig zijn en voor haar ernstige gevolgen hebben gehad en nog hebben, en wel zodanig dat voormeld belang van Concepts daarvoor zou moeten wijken, is onvoldoende met feiten onderbouwd, zoals blijkt uit hetgeen in 4.8. is vermeld. Daarom komt het hof tot dezelfde conclusie als de president. Het feit dat Concepts in casu reeds de beschikking heeft over de naam en het adres van de bewuste gebruiker brengt het hof niet tot een ander oordeel.

De grieven 4 en 5 falen dus.

4.9. Naar aanleiding van grief 3 overweegt het hof nog het volgende.

Op grond van artikel 8, sub f van de per 1 september 2001 in werking getreden Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) mogen slechts persoonsgegevens worden verstrekt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van (...) een derde aan wie de gegevens worden verstrekt (in casu [appellante]), tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene (in casu de bewuste gebruiker) prevaleren.

Op grond van art. 43 Wbp kan Concepts voorts art. 9, lid 1 Wbp buiten toepassing laten, indien dit in het belang van de bescherming van rechten of vrijheden van [appellante] noodzakelijk zou zijn.

4.9.1. Bij de beoordeling van de vraag of Concepts jegens [appellante] onrechtmatig zou handelen indien zij weigert persoonsgegevens van de bewuste gebruiker aan [appellante] te verstrekken, heeft de president het tevens van belang geacht vast te stellen of die weigering gerechtvaardigd wordt door de beperkingen die de Wbp aan het verstrekken van persoonsgegevens stelt. Indien die weigering daardoor gerechtvaardigd wordt, is immers die weigering niet onrechtmatig. Nu het hof de weigering reeds op de gronden vermeld in rov. 4.8.1., voorshands niet onrechtmatig acht, kan verder buiten beschouwing blijven of de weigering van Concepts gerechtvaardigd kan worden geacht door de beperkingen die de Wbp stelt aan het verstrekken van persoonsgegevens aan een derde, in casu [appellante]. Bij beoordeling van grief 3 heeft [appellante] daarom geen belang.

4.10. Nu de grieven 1 tot en met 5 geen doel treffen, faalt ook grief 6. Het beroepen vonnis wordt bekrachtigd.

4.11. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij wordt [appellante] veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van Concepts gevallen, worden begroot op € 230,- wegens griffierecht en € 772,- wegens salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Huijbers-Koopman en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 juli 2002.