Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF9727

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
20.001474.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 december 2001 in de gemeente Weert opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden.

Het beroep op noodweer(exces) wordt door het hof verworpen.

12 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001474.02

uitspraakdatum : 12 december 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 11 juni 2002 in de strafzaak onder parketnummer 04/050851-01 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd nu het hof zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis kan verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 14 december 2001 in de gemeente Weert opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een pistool, in elk geval met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 december 2001 in de gemeente Weert opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt in aanvulling hierop als volgt.

Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Op de avond van 14 december 2001 heeft zich in het ontmoetingscentrum Yamanotha te Weert een vechtpartij voorgedaan waarbij het latere slachtoffer de verdachte heeft geslagen en geschopt. Omstanders zijn tussenbeide gekomen. Verdachte is daarop naar buiten gegaan en tot tweemaal toe terug gekomen, naar eigen zeggen, steeds om zijn achtergelaten bezittingen terug te halen.

Voorafgaande aan het voor de tweede keer verlaten van het ontmoetingscentrum heeft verdachte - blijkens de bij de politie afgelegde verklaringen van de hierna genoemde getuigen - bedreigingen geuit richting zijn latere slachtoffer:

- "Mi ta mate morto, morto" ("Ik maak je dood, dood, dood", [getuige 1] d.d. 16-12-2001);

- "Je kijkt naar mij, maar je hebt mij drie keer gedreigd, we zijn nog niet klaar met elkaar" ([getuige 2]; d.d. 15-12-2001).

Zo de verdachte al niet, toen hij ten derde male in het ontmoetingscentrum terug naar binnen ging, het voornemen had om zijn pistool tegen het slachtoffer te gebruiken, dan blijkt in elk geval uit de hierna deels opgenomen bij de politie afgelegde verklaringen van getuigen over de uitlatingen van verdachte toen hij weer in het ontmoetingscentrum binnen was en zonder aanleiding het pistool in zijn hand had genomen en dit pistool doorlaadde, dat hij toen het voornemen had opgevat om op het slachtoffer te schieten.

Bedoelde verklaringen houden steeds in dat tijdens of vlak voor het doorladen, richten en vuren van en met het pistool, de verdachte uitlatingen deed als:

- "Vandaag is het klaar met jou, vandaag is je dag daar" ([getuige 2]; d.d. 15-12-2001);

- "Jij hebt mij geschopt, ik laat je nu voelen hoe dat is" ([getuige 3]; d.d. 14-12-2001);

- "Ik heb het je toch gezegd" ([getuige 4], d.d. 15-12-2001);

- "Ik heb jou gezegd dat ik terugkom" ([getuige 1], d.d. 16-12-2001).

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het afvuren van de kogels door verdachte op het slachtoffer niet in een opwelling is geschied, maar ter uitvoering van een enige tijd tevoren daartoe bewust genomen besluit. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof gehandeld na kalm beraad en rustig overleg.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een uitdrukkelijk beroep gedaan op noodweer cq. noodweerexces als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft ter onderbouwing daarvan ter terechtzitting in hoger beroep een lezing gegeven van de gebeurtenissen zoals die zich zouden hebben voorgedaan voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit.

Deze lezing houdt - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende in:

"Ik was op 14 december 2001 in de Yamanotha te Weert en had een pistool in mijn broeksband. Ik werd toen aangevallen door [slachtoffer]. Toen heb ik met het pistool - dat niet was doorgeladen - in mijn hand [slachtoffer] verzocht om van mij af te blijven. Ik zei letterlijk "Ik heb jou gezegd, blijf van mij af". Vervolgens werd ik in de hoek bij de keukendeur gedreven doordat [slachtoffer] met een barkruk op mij afkwam. Hij sprong daartoe over een tafeltje. Hij sprong op mij af van een afstand van ongeveer 1.15 meter. Hij trok daarbij aan het wapen.

Het wapen werd daarbij doorgeladen en ging af. We waren hiervoor ongeveer twee meter van de keuken; door de sprong van [slachtoffer] in mijn richting waren we nog maar één of twee stappen van de keukendeur verwijderd. Door de sprong van [slachtoffer] en het neerkomen leek het alsof [slachtoffer] strompelde. Het wapen was dus afgegaan, maar daarbij werd [slachtoffer] niet geraakt. [slachtoffer] ging de keuken in. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer] naar een mes ging dat op het aanrecht lag. Ik zag dat door een kier van de deur. Ik stond buiten de keuken, [slachtoffer] stond in de keuken. Ik trok met mijn linkerhand aan de deur om deze dicht te houden. [slachtoffer] trok aan de andere zijde om de deur open te krijgen. Deze deur gaat naar binnen open. In de tussentijd wierp [betrokkene] [het Hof begrijpt: [naam]] zich aan mijn voeten en hield mij daar stevig vast. Ik kon daardoor geen kant op zonder te struikelen.

In de keukendeur zit een luik. Dit is een vallend luik; het sluit dus naar beneden. Daarom staat er altijd een vorkje onder om het luik open te houden. Ik zag dat [slachtoffer] met het mes in mijn richting stak. Hij probeerde door het open luik te steken en bij deze beweging raakte hij de deur of het luik zo hard of in ieder geval hard genoeg dat het luik dichtviel. Het viel dicht omdat door de klap bij de stekende beweging het vorkje onder het luik vandaan schoot. Ik zag dit door het luik. Intussen trokken wij beiden aan de deur zoals net beschreven. De deur ging daarbij op en neer maar was gemiddeld vijftien à twintig centimeter open. Door de kier probeerde [slachtoffer] mijn pols of mijn hand waarmee ik de deur vast had te raken met het mes. Hij raakte mij niet. Daarna zag ik dat [slachtoffer] door de kier weer een stekende beweging in mijn richting maakte. Dit keer richting mijn borst. Ook toen raakte hij mij niet. Intussen zat [betrokkene] steeds aan mijn voeten waardoor ik geen kant op kon. Ik was in paniek en mijn hand verkrampte om de trekker van het pistool dat daardoor afging. Ik zag zwart en die schoten vlogen door de deur."

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door het latere slachtoffer. De door verdachte naar voren gebrachte lezing van het gebeurde mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag. Noch uit bij de politie afgelegde verklaringen van ooggetuigen, noch uit technisch onderzoek op de plaats delict, noch anderszins is enige aanwijzing te putten die de lezing van de verdachte - als hierboven weergegeven - ondersteunt. Meer in het bijzonder zijn er geen aanwijzingen dat het latere slachtoffer met een barkruk op verdachte is afgekomen, dat het latere slachtoffer over een tafeltje op verdachte is afgesprongen of dat het latere slachtoffer met een mes - hetzij door het openstaande luik, hetzij door een kier van de deur - in de richting van verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdachte.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een beroep gedaan op noodweerexces als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu er - gelet op hetgeen hierboven werd overwogen omtrent de strafbaarheid van het bewezen verklaarde - geen sprake was van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake van poging tot doodslag is veroordeeld, zoals blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de Centrale Justititiële Documentatie van het Ministerie van Justitie te Almelo, d.d. 8 november 2002.

Voorts komt naar het oordeel van het hof grote betekenis toe aan de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht en aan het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan in het algemeen het gevolg is.

Niet alleen is de heer [slachtoffer] van het leven beroofd, diens kinderen hebben hun vader verloren en diens ex-vrouw en vriendin haar levenspartner.

Aan het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde dragen onder andere bij de gebezigde bewoordingen voorafgaand aan het afvuren van de kogels, de omstandigheid dat verdachte zonder enige aanleiding zijn pistool richt en voor de eerste maal op het slachtoffer schiet en de omstandigheid dat - wanneer het slachtoffer wegstrompelt richting keuken en zich daar verschanst - de verdachte meermalen gericht door de deur schiet, wetende dat het slachtoffer zich daarachter bevindt.

Ondanks waarschuwingen van aanwezigen om niet te vuren en ondanks de smeekbedes van de vriendin van het slachtoffer, schiet de dader het slachtoffer op deze wijze dood. Deze gebeurtenissen vinden plaats in een ontmoetingscentrum waar behalve volwassenen ook kinderen aanwezig zijn. Op de aanwezigen heeft het gebeurde diepe indruk gemaakt.

Anderzijds houdt het hof rekening met het de verdachte betreffend psychologisch rapport, opgemaakt door Drs. F. van Nunen, klinisch psycholoog, d.d. 5 maart 2002, en neemt hier diens conclusie over dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Onttrekking aan het verkeer

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven pistool is van zulke aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is bovendien gebleken dat het een voorwerp betreft met betrekking tot hetwelk het bewezen verklaarde is begaan.

Dit pistool zal aan het verkeer worden onttrokken.

De schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [benadeelde partij], wonende te [adres], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van Eur. 2.760,43.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 2.760,43 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep. De benadeelde partij heeft gepersisteerd bij vergoeding van het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade. De vordering is betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van Eur. 2.760,43. De eerste rechter heeft toegewezen een bedrag van Eur. 2.760,33, hetgeen kennelijk berust op een misslag, zodat het hof ten deze uitgaat van een bedrag van Eur. 2.760,43.

Het Hof overweegt daartoe het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 51a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. De kring van gerechtigden tot het instellen van de vordering als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is daarbij niet beperkt tot nabestaanden, doch strekt zich uit tot eenieder ten laste van wie de kosten van lijkbezorging zijn gekomen.

Ten aanzien van de hoogte van de kosten van lijkbezorging is uit het onderzoek ter terechtzitting van het volgende gebleken.

De totale kosten van lijkbezorging belopen blijkens een aan het voegingsformulier gehechte factuur van Van Deursen uitvaartverzorging, d.d. 31 december 2002: Eur. 11836, 03.

Dat een aanzienlijk deel van deze kosten wordt veroorzaakt door reiskosten, is naar het oordeel van het Hof een rechtstreeks gevolg van de omstandigheid dat de overledene in het land van herkomst is begraven. Deze kosten merkt het hof aan als te zijn in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene.

Aan het bovenstaande doet niet af dat - zoals de raadsman van verdachte ter gelegenheid van de terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld - volgens de benadeelde partij blijkens het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg de post begrafeniskosten kan vervallen. Het gaat bij deze mededeling kennelijk om de kosten die reeds zijn vergoed krachtens verzekeringsovereenkomst.

Van de genoemde totale kosten van lijkbezorging is een deel groot Eur. 9075,60 door de verzekering vergoed.

Het onvergoed gebleven gedeelte bedraagt derhalve Eur. 2.760,43. De vordering is in zoverre voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 36b, 36c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: "Moord".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een pistool, FN Browning, H.P.V..

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [adres], te betalen een berdag van Eur. 2.760,43 (zegge: tweeduizend zevenhonderzestig euro en drieënveertig eurocenten), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 55 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [adres], een bedrag van Eur. 2.760,43 (zegge: tweeduizend zevenhonderzestig euro en drieënveertig eurocenten).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Koster-Vaags, als voorzitter

Mrs. Otten en Van Zon, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kempen, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 december 2002.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 13.30

rolnummer: 20.001474.02

verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 11 juni 2002 ter zake van:

"Moord",

veroordeeld tot:

twaalf jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,

met onttrokkenverklaring aan het verkeer van het inbeslaggenomen pistool, FN Browning, H.P.V.,

met toewijzig van de vordering van de benadeelde partij en wel tot een bedrag van EUR 2.760,33 en veroordelingvan verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres], te betalen een bedrag van EUR 2.760,33 en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering,

en bepaalt dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is, voorzover het betreft de immateriele schade, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen,

met oplegging van de verplichting aan verdachte om aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 2.760,33, subsidiair 35 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft,

met bepaling dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 2.760,33 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmede de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen),

en veroordeling van verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot 11 juni 2002 begroot op nihil;