Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF8038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
99/02211
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0617
V-N 2003/28.1.34

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02211

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen, aanslagnummer 0.000.000.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is opgelegd tot een bedrag aan enkelvoudige belasting van ƒ 18.854,--.

Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur het door belanghebbende op de voet van artikel 24 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ingediende bezwaar afgewezen.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 85,--.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 27 februari 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota twee bijlagen overgelegd.

Ter zitting heeft de Inspecteur, zonder bezwaar van belanghebbende, nog overgelegd een afdruk van een internet-pagina van belanghebbende alsmede fotokopieën van een aantal pagina's van een in de Duitse taal gestelde folder van een aan belanghebbende leverende fabrikant.

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft in tegenwoordigheid van partijen een schouw plaatsgehad van een voertuig dat belanghebbende op de parkeerplaats van het paleis van justitie had laten plaatsen. Na afloop van deze schouw zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich daaromtrent mondeling uit te laten.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende importeert en verhandelt kampeerauto's en verkoopt recreatie-artikelen.

2.2. In de periode van maart 1996 tot en met juni 1999 heeft belanghebbende in totaal 72 voertuigen ter keuring aangeboden bij de Dienst Wegverkeer (verder: de RDW), ter verkrijging van een kenteken. Bij die gelegenheid zijn deze voertuigen niet aangeboden ter keuring naar de voertuigcategorie bus.

2.3. De onderhavige naheffingsaanslag ziet op één voertuig dat belanghebbende in de maand september 1998 bij de RDW heeft laten registreren.

2.4. Het in 2.3 bedoelde voertuig heeft, blijkens de door belanghebbende bij het beroepschrift overgelegde tekening, als kenmerken dat zij is voorzien van twee stoelen, te weten de bestuurdersstoel en een daarnaast geplaatste bijrijdersstoel, twee banken, een kookgelegenheid, een ruimte met douche en toilet, bedden en kastruimte.

2.5. Op verzoek van de Inspecteur heeft het Hoofd Toelating wegvoertuigen van de RDW een drietal als kampeerauto geregistreerde voertuigen, welke voertuigen vergelijkbaar zijn met het onderhavige voertuig, gekeurd volgens de eisen die worden gesteld in de Regels voor de Keuring van Bussen, zoals vastgesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat op 18 december 1987. In zijn brief van 20 april 1999 aan de Inspecteur heeft voornoemd Hoofd zijn bevindingen neergelegd. Met betrekking tot elk van de drie ter keuring aangeboden voertuigen wordt in deze brief onder meer geconstateerd dat het aantal zitplaatsen voor passagiers ten hoogste acht stuks bedraagt, dat het aantal uitgangen onvoldoende is en dat de (voor passagiers bereikbare) uitgangen niet voldoen aan de aan bussen te stellen eisen. Voornoemd Hoofd concludeert "dat de betreffende voertuigen in de aangeboden uitvoering niet kunnen worden geregistreerd als voertuig, 'bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend' (Voertuigreglement, art 1.1 onder n, definitie bus)".

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het onderhavige voertuig kan worden aangemerkt als autobus in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (verder: Wet BPM). In het bijzonder is in geschil of het voertuig is ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Belanghebbende beantwoordt deze beide vragen in bevestigende zin en de Inspecteur in ontkennende zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende:

In dit soort bussen worden altijd twee zitgroepen (banken) geplaatst. De inrichting van de bussen verschilt, maar het aantal zitplaatsen wordt daardoor niet minder. In de tekeningen die bij de beroepschriften zijn gevoegd, is vermeld dat het aantal zitplaatsen tien is. Daar had moeten staan "minimaal tien".

Wij laten dit type bus keuren voor een maximum toelaatbaar gewicht van 3500 kg. Daardoor is het niet nodig dat de bestuurder beschikt over een groot rijbewijs. Technisch zouden de bussen ook gekeurd kunnen worden voor een hogere maximale massa, maar dat is commercieel niet aantrekkelijk, want dan zou de bestuurder een groot rijbewijs nodig hebben. Bij de gekozen keuring is de maximale beladingsgraad van het getoonde voertuig 700 kg. Er kunnen dus 10 mensen in van gemiddeld 70 kg. Ervan uitgaande dat er onder die personen een flink aantal jonge kinderen is, kan er ook nog wat bagage meegenomen worden.

In de verkoopfolders wordt een maximaal aantal personen genoemd van rond de zes. Maar dat maximum ziet vooral op de verblijfsmogelijkheden bij gebruik als camper. Die verblijfsmogelijkheden worden met name beperkt door het aantal slaapplaatsen.

3.2.2. De Inspecteur:

In de kampeerauto die wij hebben bezichtigd zitten maar drie bruikbare veiligheidsgordels, twee bij de stoelen voorin en een derde op een bank die in de rijrichting is geplaatst. De vierde set gordels is onbruikbaar omdat die is geplaatst in de hoek van een L-vormige bank; degene die daar zit kan zijn benen niet op de grond plaatsen.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet BPM heeft de Staatssecretaris aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op de regel dat kampeerauto's niet als autobussen worden aangemerkt. Hij heeft daarbij gedacht aan omgebouwde oude stadsbussen, waarin zoveel originele stoelen blijven staan, dat zij ook bij gebruik als kampeerauto, nog ruimte bieden voor vervoer en verblijf van ten minste tien personen.

Waar het om gaat is dat deze kampeerauto's niet voldoen aan de veiligheidseisen die worden gesteld aan autobussen, en dat het daarom onverantwoord is om daarmee met in totaal tien personen te gaan rijden. Zelfs al zou je er met tien personen in kunnen gaan rijden, dan kun je de auto nog niet met tien personen tegelijk als kampeerauto gebruiken, daarvoor zijn er te weinig bedden en zijn de overige voorzieningen voor koken, wassen en bagage onvoldoende.

Als in een kampeerauto van belanghebbende gereden wordt met in totaal tien personen aan boord, is een groot rijbewijs verplicht, ongeacht de beladingsgraad of het gewicht.

Uit de in de Duitse taal gestelde folder van belanghebbende blijkt dat naar de in Duitsland geldende regels de kampeerauto's niet gebruikt mogen worden voor vervoer van meer dan zes personen, welk aantal gelijk is aan het door de fabrikant voor het betreffende voertuig aanbevolen aantal personen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Op grond van hetgeen is komen vast te staan omtrent het onderhavige voertuig, de bij het beroepschrift gevoegde tekening, de tijdens de zitting door de Inspecteur overgelegde stukken en de eigen waarneming van het Hof tijdens de schouw van het voertuig, waaromtrent belanghebbende niet, althans onvoldoende, weersproken heeft gesteld dat het naar aard en inrichting vergelijkbaar is met het onderhavige voertuig, is het Hof van oordeel dat het onderhavige voertuig is ingericht als kampeerauto, dat wil zeggen als personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van onder meer een vaste kook- en slaapgelegenheid.

Het Hof acht aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat het voertuig, wanneer het overeenkomstig zijn inrichting wordt gebruikt als kampeerauto, redelijkerwijs niet geschikt is voor vervoer en verblijf van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, zulks gelet op de bagageruimte, het laadvermogen, de capaciteit van de aanwezige sanitaire voorzieningen en de kookgelegenheid.

Verder acht het Hof op grond van de in 2.5 bedoelde brief van het Hoofd Toelating wegvoertuigen van de RDW en de eigen waarneming van het door belanghebbende ter zitting meegebrachte voertuig aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat het onderhavige voertuig niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die aan bussen worden gesteld.

4.2. Gelet op het hiervoor in 4.1 overwogene is het Hof van oordeel dat het onderhavige voertuig niet kan worden aangemerkt als autobus in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de Wet BPM.

Hierbij verdient opmerking dat, ook indien gezegd zou kunnen worden dat het onderhavige voertuig op grond van zijn inrichting in theorie geschikt is voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, hetgeen de Inspecteur overigens gemotiveerd heeft betwist, deze omstandigheid van ondergeschikte betekenis is ten opzichte van de inrichting als kampeerauto voor het vervoer en verblijf van niet meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Aan deze omstandigheid moet alsdan doorslaggevende betekenis worden ontzegd.

4.3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BPM, in het bijzonder de memorie van toelichting TK, 1992/1993, 22 868, nr. 3, blz. 40, maar ook uit de Handelingen van de Tweede Kamer van 3 december 1992, 31-2279 en de memorie van antwoord TK, 1993/1994, 23 215, nr. 5, blz. 11, blijkt dat naar de bedoeling van de wetgever kampeerauto's moeten worden aangemerkt als personenauto's; dat de wettekst geen ruimte biedt voor deze door de wetgever gegeven uitleg vermag het Hof niet in te zien.

Belanghebbende heeft voorts nog aangevoerd dat uit de totstandkomingsgeschiedenis ook blijkt dat de wetgever niet heeft beoogd een inhoudelijke wijziging teweeg te brengen ten opzichte van de destijds in artikel 50 van de Wet op de omzetbelasting 1968 neergelegde regeling. Deze stelling kan haar evenwel niet baten, nu de wetgever hierbij kennelijk uitging van een nadien door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 september 1994, nr. 29.906, BNB 1994/311, onjuist bevonden interpretatie van die regeling.

4.4. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Zijn uitspraak moet in stand blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 21 juni 2002 door A. Bijlsma, voorzitter, R.J. Koopman en J.W. van der Voort, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 21 juni 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.