Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF6455

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
20.001654.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en tevens terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Dit terzake 1: moord, 2: verbergen van een lijk en 3: diefstal met geweld.

Verdachtes beroep op noodweer dan wel noodweerexces wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafrecht 151, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2002-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.001654.01

uitspraakdatum : 22 januari 2002

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/025167-00 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Oosterhoek" te Grave.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over, met dien verstande dat het hof in het sub 2 ten laste gelegde, in de eerste regel van boven in de plaats van "1 juli 2000" leest: 14 juli 2000.

Hier is sprake van een kennelijke schrijffout in de ten laste legging door verbetering waarvan de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 primair, sub 2 en sub 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 14 juli 2000 te Eindhoven, opzettelijk en met voorbedachte rade G.A. [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels in het hoofd van die [slachtoffer 1] geschoten tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

op een tijdstip in de periode van 14 juli 2000 tot en met 11 augustus 2000 in de gemeente Eindhoven een lijk (te weten het stoffelijk overschot van G.A. [slachtoffer 1]) heeft begraven, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 1] te verhelen;

3.

op 11 augustus 2000 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk Giant), toebehorende aan A.R. [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, toen aldaar die [slachtoffer 2] met kracht heeft geslagen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 primair en sub 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

PRO MEMORIE

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde sub 1, is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde sub 2 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde sub 3 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van het sub 1 ten laste gelegde feit een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman nu uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het voornemen om G.A. [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven al had opgevat voordat van de beweerdelijke noodweersituatie sprake was. Overigens acht het hof de door verdachte gestelde aanval van [slachtoffer 1] uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft tevens rekening gehouden met het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting als gevolg daarvan is ontstaan, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake geweldsdelicten is veroordeeld en sprake is van een toenemende gewelddadigheid bij de verdachte. Het hof neemt tevens in aanmerking dat uit de wijze waarop de verdachte is omgegaan met het lijk van zijn slachtoffer, niet blijkt van enig respect of gevoelens van spijt jegens zijn slachtoffer.

Uit een de verdachte betreffend psychologisch rapport van drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, vast gerechtelijk deskundige, d.d. 5 november 2001, blijkt als conclusie en advies -zakelijk weergegeven- het volgende.

De betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, die te omschrijven is als een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, vermijdende, maar vooral narcistische trekken. Voorts neigt betrokkene naar misbruik van middelen, met name van cocaïne en bij periodes ook van heroïne. De gebrekkige ontwikkeling bestond evenzo ten tijde van het ten laste gelegde. Bovendien was hij toen onder invloed van cocaïne en heroïne. De gebrekkige ontwikkeling, alsmede het misbruik van genoemde middelen, beïnvloedde betrokkene's gedrag ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard zou kunnen worden. Wat de ten laste gelegde diefstal met geweld betreft, is het aan te nemen dat betrokkene´s gedrag mede werd bepaald door zijn behoefte aan machtsvertoon, die samenhangt met zijn voortdurende behoefte aan bevestiging van zijn hoge zelfgevoel. Op grond van deze samenhang is het te adviseren om deze diefstal met geweld, indien bewezen, slechts in licht verminderde mate aan de betrokkene toe te rekenen. Wat het ten laste gelegde levensdelict betreft, is het aan te nemen dat betrokkene´s gedrag mede werd bepaald door boosheid, voortkomend uit het gegeven dat hij zich gekrenkt voelde omdat het slachtoffer zijn vertrouwen had misbruikt. Hoewel dit niet aan betrokkene´s ervaring getoetst kon worden , is het niet uit te sluiten dat narcistische wraak een belangrijk motief tot handelen vormde. Indien het ten laste gelegde levensdelict wordt bewezen, is te adviseren om dit slechts in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De invloed van middelen op betrokkene´s gedrag, werd in de advisering omtrent de toerekeningsvatbaarheid niet meegewogen, aangezien het aannemelijk is dat de betrokkene bekend is met die invloed en dat hij verantwoordelijk gehouden kan worden voor de inname van die middelen. Er is gevaar voor herhaling. Immers, zolang de persoonlijkheidsstoornis bestaat, is er een risico dat krenking enorme woede in betrokkene losmaakt. Wat de ten laste gelegde diefstal met geweld betreft is een detentiestraf te overwegen, rekening houdend met een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. Wat het ten laste gelegde levensdelict betreft is het te overwegen om de betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen. Dit met het oog op beveiliging maar zeker ook vanuit therapeutische motieven. Indien het ten laste gelegde wordt bewezen adviseert rapporteur om naast een eventuele detentiestraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen.

Op 31 januari 2001 heeft dr. P.J.A. Panhuis, psychiater, in samenwerking met drs. E.D. Panneman, psychiater, een verdachte betreffend psychiatrisch rapport uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt -zakelijk weergegeven-:

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijkheid van verschillende middelen. Ten tijde van het ten laste gelegde was betrokkene lijdende aan de persoonlijkheidsstoornis en was hij onder invloed van verschillende middelen. (heroïne en cocaïne). Bovengenoemde gedragsstoornissen beïnvloedden de gedragskeuzen c.q de gedragingen van betrokkenen ten tijde van het ten laste gelegde. De manier en de mate waarop dit geschiedde vloeit voort uit het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis en uit de afhankelijkheid van verschillende soorten middelen welke elkaar wederzijds beïnvloeden. Ten gevolge van de persoonlijkheidsstoornis heeft betrokkene onvoldoende gewetensfunctie ontwikkeld en onvoldoende vermogens om met onlustgevoelens om te gaan, waarbij hij zijn heil zoekt in het gebruik van diverse drugs, hetgeen zijn handelen in grote mate kan beïnvloeden.

Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis, de zwakke identiteit en het zwakke zelfgevoel en zelfwaardering is ook de "vuurwapengekte" verklaarbaar. Overigens weet betrokkene dat hij buiten zichzelf kan raken door drugs onverstandige dingen kan gaan doen. Dit heeft hem er niet van weerhouden drugs te blijven gebruiken. Bovendien heeft hij geen hulp gezocht om deze problemen aan te pakken. Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid kan worden gesteld dat sprake is van enige verminderde toerekeningsvatbaarheid gezien het bestaan van zijn persoonlijkheidsstoornis. De gevolgen van het gebruik van drugs zijn evenwel, gelet op bovenstaande, betrokkene wel aan te rekenen. Het culpa in causa principe geldt hier. Gezien het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis en het gebruik van verschillende middelen is de kans op het optreden van nieuwe geweldsdelicten zeer groot, vooral ook gezien het frequent optreden van geweldsdelicten in het verleden met daarbij een toename in de ernst van de delicten. Om kans op herhaling in de toekomst te voorkomen of te beperken, wordt, gezien het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van middelen, een behandelkader met een verplichtend karakter geadviseerd. Alhoewel betrokkene momenteel schuldgevoelens heeft, ervaart dat hij straf verdient en aan zichzelf wil werken en van zins is zijn toekomst anders vorm te geven, lijkt het niet aannemelijk dat hij met bovengenoemde persoonlijkheidsstoornissen uit zichzelf zijn leven een andere wending kan geven. Gezien de ernst van zijn stoornissen en de voorgeschiedenis van het (toenemende ) geweld en de grote recidive kans zonder behandeling, wordt een behandeling met een verplichtend karakter aangeraden, waarbij de kans op verandering beperkingen heeft gezien het chronische karakter van de problematiek, maar wel aanwezig is indien betrokkene bereidheid toont aan de behandeling mee te werken. Deze behandeling zou kunnen plaatsvinden in een TBS-kliniek waar sterk cognitief therapeutisch wordt gewerkt, waarbij betrokkene meer zicht kan krijgen op zijn emoties en gedrag en daarbij alternatieve gedragsmogelijkheden aan kan leren. Een TBS met dwangverpleging wordt derhalve geadviseerd.

In een rapport van 9 mei 2001, heeft A. Pen, psychiater, het volgende geconcludeerd:

Onderzochte is verslaafd aan harddrugs. Voor het overige is er geen sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Wel is er sprake van een gestoorde ontwikkeling der geestvermogens, in de vorm van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en daarnaast antisociale trekken. Dit was tevens het geval ten tijde van het ten laste gelegde. Door zijn narcistische en antisociale instelling, begeeft betrokkene zich in situaties waarvan hij het risico onderschat, vooral omdat hij niet leert van vorige negatieve ervaringen waarvoor hij zichzelf niet verantwoordelijk houdt. De keuze van een wapen voor het beheersbaar houden van de crisissituatie waarin hij terecht komt, heeft eveneens te maken met zijn narcistische instelling. Het middelengebruik ondermijnde zijn integratieve functies waardoor hij niet in staat was alternatieve oplossingen te zoeken voor de benarde situatie waarin hij was terecht gekomen. Bij het advies ten aanzien van de ontoerekeningsvatbaarheid is rekening gehouden met de ernst van de stoornis, de inzichtelijkheid en de relatie tussen de stoornis en het delict en het vermogen van betrokkene om gedragskeuzen te bepalen. De persoonlijkheidsstoornis van onderzochte moet worden opgevat als matig ernstige psychiatrische stoornis. De relatie tussen stoornis en delict is inzichtelijk. Onderzochte zoekt narcistische oplossingen voor conflictsituaties en is slecht in staat te leren van voorgaande mislukkingen.

Op grond van deze stoornissen had hij een verminderd vermogen om zijn gedrag te sturen. Dit onvermogen werd echter in hoofdzaak veroorzaakt door het gebruik van harddrugs, waarvan hij het desintegrerende effect echter zeer goed kende. Op grond van het culpa in causa principe moet daarom worden geadviseerd tot een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid. Onderzochte is een man die op de grond van zijn narcistische persoonlijkheid en antisociale houding waarschijnlijk opnieuw in conflict zal komen met zijn omgeving. Aangezien hij niet leert van mislukkingen en zich laat leiden door narcistische illusies die hij kan toetsen aan een beperkte realiteit, is de kans op recidive aanzienlijk. De verslavingsproblemen die onderzochte bagatelliseert en de die hem enerzijds in handen van het criminele circuit drijven, anderszins hem het stuur over zijn verder gedrag ontnemen, zijn een belangrijke bijkomende factor. Zoals uit de forensische overwegingen moge blijken is er een belangrijke onderlinge relatie tussen zijn neiging om zich door narcistische mechanismen in maatschappelijke problemen te begeven, zijn neiging om door geldgebrek in het criminele circuit terecht te komen en de kans om de invloed van midden tot gewelddadig en stuurloos gedrag te komen. De bevindingen van dit onderzoek stemmen in hoge mate overeen met het onderzoek van Panhuis/ Panneman en Zwegers. Ten aanzien van de prognose moeten de conclusies van bovengenoemde auteurs worden onderschreven. (....) Het feit dat betrokkene zich niet kan vinden in de conclusies van vorige onderzoekers, en dus waarschijnlijk ook niet in deze conclusie, is het gevolg van dezelfde factoren die ook verantwoordelijk zijn voor de kans op recidive.

Het hof neemt de oordelen en het adviezen van bovengenoemde deskundigen, zoals neergelegd in bovengenoemde rapporten, over en maakt deze tot de zijnen.

Op grond van het oordeel dat er ten tijde van het plegen van het sub 1 bewezenverklaarde feit bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, er voorts sprake is van gevaar voor herhaling van dergelijke feiten en de omstandigheid dat de verdachte een ernstig gevaar vormt voor zijn omgeving, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en/of goederen, naast een langdurige vrijheidsstraf, het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege vereist. Zulks is, nu het door de verdachte sub 1 bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld, ook toegelaten.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft het hof in aanmerking genomen dat de sub 1, 2 en sub 3 bewezen verklaarde feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 37a, 37b, 57, 151, 289, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1 primair, sub 2 en sub 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte sub 1 primair en sub 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van sub 1:"moord";

ten aanzien van sub 2:"Een lijk begraven met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen";

ten aanzien van sub 3:"Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte terzake het sub 1, sub 2 en sub 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van zes jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast terzake het sub 1 bewezenverklaarde de terbeschikkingstelling van de verdachte.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter

Mrs. Venhuizen en Klaufus, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Verhagen, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2001.

Mr. Klaufus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.