Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF4467

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2002
Datum publicatie
13-02-2003
Zaaknummer
99/00103
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/18.2.1
FutD 2003-0344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/00103

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y, Californië (Verenigde Staten van Amerika) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen Buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het besluit van de Inspecteur om belanghebbende voor het jaar 1992 geen aanslag op te leggen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

De Inspecteur heeft bij beschikking van 31 december 1998 het besluit genomen om voor het jaar 1992 aan belanghebbende geen aanslag in de inkomstenbelasting op te leggen.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof waarbij door de griffier van hem een recht is geheven van € 36,30 (ƒ 80,--).

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 19 juni 2002 te 's-Hertogenbosch.

Daar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer A, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Exemplaren van de pleitnota zijn aan het Hof en de ambtenaar overgelegd.

Het Hof heeft op 3 juli 2002 te 's-Hertogenbosch mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 15 juli 2002 aangetekend aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft tijdig verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Het hiervoor verschuldigde recht is door belanghebbende op 28 augustus 2002 betaald.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende heeft voor het jaar 1992 middels een zogenoemd Ct-biljet een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend. De aangifte is ondertekend op 15 augustus 1998 en is op 15 september 1998 door de Inspecteur ontvangen.

2.2 Het Europese Hof van Justitie heeft op 27 juni 1996, in antwoord op prejudiciële vragen van de Hoge Raad, het in artikel 20b van de Wet op de Loonbelasting en artikel 53b van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 genoemde tarief (hierna: het buitenlandertarief) in strijd geacht met het recht van de Europese Gemeenschappen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of naar aanleiding van het door belanghebbende ingediend Ct-biljet door de Inspecteur een aanslag moet worden opgelegd over het onderhavige jaar. Belanghebbende beantwoordt deze vraag in bevestigende zin, de Inspecteur in ontkennende zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door hem ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

1. De Inspecteur betoogt in de eerste plaats dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de termijn voor het opleggen van een aanslag ten tijde van de indiening van het onderhavige teruggaafbiljet (hierna: het Ct-biljet) reeds meer dan 2 jaar verstreken was en dit Ct-biljet daarom moet worden aangemerkt als een verzoek om toepassing van de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: de AWR). Tegen de beslissing op een dergelijke verzoek, zo betoogt de Inspecteur verder, staat geen bezwaar open.

2. Het hiervoor weergegeven betoog van de Inspecteur faalt. Blijkens hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 23 juni 1993, nr. 28 984, BNB 1993/345, staat het rechtsmiddel van bezwaar wel open tegen een besluit als het onderhavige dat op de voet van artikel 12 AWR is genomen naar aanleiding van een teruggaafbiljet dat is ingediend na het verstrijken van de aanslagtermijn.

3. Niet in geschil is dat het onderhavige Ct-biljet, dat ziet op het jaar 1992, op 15 augustus is ondertekend, aan de belastingdienst is toegezonden en daar op 15 september 1998 is binnengekomen. Aldus is ruimschoots overschreden de voor indiening van deze biljetten in artikel 20, lid 1, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 gestelde termijn van drie jaar na afloop van het kalenderjaar. Eveneens is aldus overschreden de verlengde termijn van vijf jaar na afloop van het kalenderjaar, gesteld in de resolutie van 25 maart 1991, nr. DB91/72, BNB 1991/143.

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hiervoor bedoelde termijnoverschrijding hem niet tegengeworpen kan worden omdat zulks een in de verdragen tot bescherming van de rechten van de mens verboden discriminatie zou opleveren en voorts een schending van het recht van de Europese Gemeenschappen zou inhouden.

5. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. In de eerste plaats niet omdat de in overweging 3 genoemde termijn van vijf jaar gelijkelijk geldt voor binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen, zodat van een ongelijke behandeling geen sprake is. In de tweede plaats niet omdat naar het oordeel van het Hof niet kan worden gezegd dat het belanghebbende door de onderhavige termijnbepalingen nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt zijn communautaire rechten geldend te maken, voor zover hij daar al als inwoner van de Verenigde Staten van Amerika aanspraak op zou kunnen maken. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de Nederlandse overheid belemmeringen heeft opgeworpen waardoor het belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om binnen de termijn van 3 jaar na afloop van het kalenderjaar een beroep te doen op het lage tarief voor binnenlands belastingplichtigen. De omstandigheid dat belanghebbende niet wist dat het zogenaamde buitenlandertarief in strijd zou worden geoordeeld met het recht van de Europese Gemeenschappen, kan de overheid niet worden tegengeworpen.

6. Het vorenoverwogene brengt mee dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Diens uitspraak moet in stand blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig tot veroordeling van de Inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. De beslissing:

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 5 december 2002 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 5 december 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.