Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3827

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
20.002242.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren terzake van sub 1A en sub 1B telkens het verkopen en afleveren van diverse soorten harddrugs, meermalen gepleegd.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 13
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.002242.01

uitspraakdatum : 29 maart 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 4 oktober 2001 in de strafzaak onder parketnummer 03/008147-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Namens verdachte is ter terechtzitting het verzoek gedaan tot schorsing c.q heropening van het onderzoek ter terechtzitting teneinde de verdachte door middel van een schorsing van de voorlopige hechtenis in staat te stellen zich intramuraal te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman af.

Het hof acht de door de raadsman voorgestane gang van zaken thans niet de aangewezen weg. Naar 's hofs oordeel prevaleren de belangen van de maatschappij bij voortzetting van de voorlopige hechtenis op dit moment boven de belangen van de verdachte bij schorsing.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over, voorzover betrekking hebbende op feit 1.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

A. in de periode van 1 januari 1996 tot en met 25 juni 1999 in het arrondissement Maastricht meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of cocaïne, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA, amfetamine en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

B. in de periode van 4 februari 2000 tot en met 11 juni 2001 in het arrondissement Maastricht meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of cocaïne, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA, amfetamine en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1A en 1B meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1A en onder 1B bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van die wet juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte wederom tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaar te veroordelen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vijf jaar meermalen schuldig gemaakt aan het op betrekkelijk grote schaal verkopen en afleveren van diverse soorten harddrugs. Daarnaast heeft verdachte in een tijdspanne van enkele maanden meermalen amfetamine vervoerd.

Harddrugs zijn voor de volksgezondheid zeer schadelijke stoffen. Verdachte heeft welbewust gehandeld om er zelf financieel beter van te worden en hij heeft zich niet bekommerd om de gevaren voor de gezondheid van de gebruikers van hard drugs.

Voorts is van algemene bekendheid dat gebruikers van harddrugs hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Derhalve komt alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking.

Verdachte is eerder door de rechter tot een lange vrijheidsstraf veroordeeld terzake van het aanwezig hebben van amfetamine.

Het hof rekent verdachte zwaar aan dat hij de onderhavige feiten deels heeft begaan tijdens zijn detentieverlof en nadat hij uit detentie was ontslagen.

Mede gelet op de bestraffing voor soortgelijke feiten in vergelijkbare gevallen brengt het vorenstaande het hof tot het opleggen van een gevangenisstraf van een duur als door de advocaat-generaal gevorderd en in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechzitting in hoger beroep nog gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich intramuraal zal laten behandelen in een verslavingskliniek.

Het hof acht evenwel de namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden in het licht van de ernst van de gepleegde strafbare feiten niet van een zodanig gewicht dat daarin aanleiding kan worden gevonden de op te leggen straf te matigen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen: 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1A en onder 1B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1A en onder 1B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

sub 1A en sub 1B telkens: "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Lo-Sin-Sjoe, als voorzitter

Mrs. Harmsen en Pijls, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Looijmans, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 maart 2002.