Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3683

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
99/01782
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01782

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X thans te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde aanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag, opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil, is na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig, nu het poststempel van de enveloppe van het beroepschrift als datum 7 juni 1999 vermeldt, en op regelmatige wijze in beroep gekomen.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende wegens haar financiële draagkracht een verminderd recht geheven van fl. 50,=.

De Inspecteur heeft het beroepschrift bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 30 oktober 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, als gemachtigde van belanghebbende, haar echtgenoot, alsmede, de Inspecteur.

Het Hof rekent alle genoemde stukken tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, geboren in juni 1949, is gehuwd met de heer Z, geboren in oktober 1944.

2.2. Voor ieder van de jaren 1995 tot en met 1998 heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbar inkomen van nihil en heeft de Inspecteur conform die aangiften een nihilaanslag vastgesteld.

2.3 Belanghebbende heeft in ieder geval in de periode vanaf 1995 tot 1997 geen inkomsten uit dienstbetrekking genoten. Belanghebbendes echtgenoot heeft in 1996 inkomsten uit dienstbetrekking genoten en in 1997 een uitkering ingevolge de Ziektewet.

2.4. Belanghebbende stelt in haar beroepschrift dat zij met haar onderneming in de perioden van 1 april 1994 tot en met 1 maart 1995 en van 1 juli 1995 tot en met juni 1997 verliezen heeft geleden.

2.5. Bij bezwaarschrift van 21 januari 1999 komt belanghebbende in bezwaar tegen de nihilaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. Zij stelt daarin, naar het Hof verstaat, dat de Inspecteur met het in haar op het onderhavige jaar betrekking hebbende aangiftebiljet door haar opgegeven negatief inkomen/verrekenbaar verlies geen rekening heeft gehouden.

2.6. In haar beroepschrift tegen de uitspraak van de Inspecteur, waarbij deze belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag heeft afgewezen, omdat niet duidelijk is geworden in welke jaren het verlies is geleden, de Inspecteur ook geen beschikking heeft afgegeven met betrekking tot te verrekenen verlies alsmede de Inspecteur van mening was en is dat geen sprake was van verrekenbaar verlies maar van een vermogensverlies, stelt belanghebbende met haar in het verleden gedreven onderneming een verlies te hebben geleden van in totaal fl. 96.000,= dat zij als volgt heeft berekend:

- een schuld ontstaan door geleden ondernemingsverlies fl. 13.000,=

- een materieel verlies voortvloeiend uit een, naar

de mening van belanghebbende, ten onrechte uitgesproken

faillissement fl. 22.000,=

- de teloorgang door de slechte resultaten van haar onder-

neming van haar beoogd pensioen/ouderdomsvoorziening fl. 61.000,=

totaal fl. 96.000,=,

welke zij voor het onderhavige jaar als een verrekenbaar verlies vastgesteld wenst te zien.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag voor het onderhavige jaar door de Inspecteur juist is vastgesteld?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur daarentegen bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Zij hebben hieraan ter zitting geen nieuwe stellingen en/of argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vaststelling door de Inspecteur van een verrekenbaar verlies van fl. 96.000,=. De Inspecteur daarentegen concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Nu het beroep tegen de onderhavige nihilaanslag belang ontbeert, het bezwaarschrift, de uitspraak op het bezwaarschrift en, naar het Hof verstaat, ook het beroepschrift handelen over verrekenbare verliezen en geen eis van behoorlijke procesvoering zich hiertegen verzet, beschouwt het Hof de uitspraak op het bezwaar als een uitspraak inzake een genomen verliesbeschikking en het beroepschrift als tegen die uitspraak gericht.

4.2. Vanaf 1995 geldt op grond van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937, artikel 51a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ingevolge dit artikel stelt de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Tevens stelt hij op grond van dat artikel, ingeval het verlies geheel of gedeeltelijk bestaat uit ondernemingsverlies, bij die beschikking het bedrag van het ondernemingsverlies vast.

4.3. Artikel III van genoemde wet van 23 december 1994, de leden 1,2,3,4 en 5 daarvan luiden als volgt:

"1. Bij de heffing van de inkomstenbelasting over het kalenderjaar 1995 wordt, in afwijking in zoverre van artikel 51, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat luidt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, met het inkomen van dat jaar verrekend een verlies uit het negende voorafgaande jaar voor zover dit is voortgevloeid uit een verlies uit onderneming.

2. Op een bij de aangifte inkomstenbelasting over het kalenderjaar 1995 gedaan verzoek, stelt de Inspecteur het gezamenlijk bedrag van de in de negen aan dat jaar voorafgaande jaren geleden verliezen, voor zover deze zijn voortgevloeid uit verliezen uit onderneming, alsmede de aanloopverliezen van voor die jaren, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het kalenderjaar 1995, een en ander voor zover deze verliezen nog niet zijn verrekend met de voor 1 januari 1995 genoten inkomens.

3. Het vastgestelde gezamenlijke bedrag wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.

4. Het vastgestelde gezamenlijke bedrag wordt aangemerkt als ondernemingsverlies in de zin van artikel 51, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidt met betrekking tot de heffing over het kalenderjaar 1995.

5. Bij het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt een berekening gevoegd van het bedoelde gezamenlijke bedrag. Uit deze berekening blijken tevens de volgende gegevens: de bedragen van de nog te verrekenen verliezen, met de jaren waarin deze verliezen zijn geleden, en het gedeelte van deze verliezen dat is voortgevloeid uit een verlies uit onderneming.".

4.4. Met betrekking tot de onder 4.2 vermelde wetsbepaling staat in de Memorie van Toelichting op bladzijde 12 en 13 onder meer het volgende vermeld:

"De termijnverleging voor deze "oude" verliezen wordt allereerst

bereikt door verlenging van de achtjaarstermijn voor de voorwaartse verrekening van ondernemersverliezen met een jaar zodat deze verliezen die ultimo 1994 nog verrekenbaar zijn in het boekjaar 1995 niet kunnen verdampen. Daarnaast wordt de termijnverlenging bewerkstelligd door de belastingplichtigen in de gelegenheid te stellen de per ultimo 1994 nog voorwaarts te verrekenen verliezen, voor zover deze zijn voortgevloeid uit een verlies uit onderneming (waaronder derhalve ook de nog openstaande aanloopverliezen), door

de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking te laten vaststellen en deze vastgestelde verliezen vervolgens aan te merken als ondernemingsverliezen in de zin van het in artikel I, onderdeel A.1, opgenomen nieuwe artikel 51, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Als de belastingplichtige van deze regeling geen gebruik maakt, blijft voor de voorwaartse verrekening van de nog openstaande verliezen de achtjaarstermijn gelden, dan wel zal deze achtjaarstermijn ook gaan gelden voor de nog openstaande aanloopverliezen die niet bij voor bezwaar vatbare beschikking zijn vastgesteld. De nieuwe regeling voor onbeperkte voorwaartse verliesverrekening brengt met zich mee dat de ultimo 1994 openstaande aanloopverliezen die in het verleden reeds bij voor bezwaar vatbare beschikking zijn vastgesteld ook zonder de in dit onderdeel opgenomen overgangsregeling onbeperkt voorwaarts verrekenbaar blijven.".

4.5. Uit 4.2. tot en met 4.4 volgt dat er met betrekking tot de verrekenbare verliezen de volgende drie perioden te onderscheiden zijn:

de periode van vóór 1 januari 1995, de periode waarvoor de overgangsbepaling, het hiervóór genoemde artikel III, geldt en de periode na 1 januari 1995.

Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, voor geen van die perioden, in aanmerking nemende het voor ieder daarvan geldende wettelijke regime, het bestaan van verrekenbare verliezen van haar onderneming aannemelijk gemaakt.

4.6. Op grond van het vorenstaande moet worden beslist in de door de Inspecteur voorgestane zin.

5. Griffierecht en proceskosten

Het beroep ongegrond bevindende, acht het Hof geen termen aanwezig om de Inspecteur op de voet van artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te gelasten belanghebbende het door hem gestorte griffierecht geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

6. De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 3 december 2002 door J.Swinkels, lid van voormelde Kamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 3 december 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.