Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3301

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
R200200231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 11 december 2002,

gewezen in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [X],

appellante bij beroepschrift ingekomen ter griffie op 29 april 2002,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder te noemen: [verzoekster],

procureur: mr. E.H. Zwart,

tegen:

VERENIGING VAN EIGENAREN BELLEVUE,

zetelend te [X],

geïntimeerde bij gemeld beroepschrift,

appellante in het incidenteel appel,

verder te noemen: de VvE,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, onder repnummer 58/2002 en zaaknummer 104531 gegeven beschikking van 2 april 2002 tussen [verzoekster] als verzoekster en de VvE als verweerster.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde beschikking.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. In het beroepschrift heeft [verzoekster] 3 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de machtigingen voor de heren [A] en [B], de ingezonden brieven en de uitgebrachte stemmen en opnieuw recht doende, kort gezegd, de desbetreffende besluiten alsnog te vernietigen met veroordeling van de VvE in de kosten van het geding.

2.2. De VvE heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld waartoe zij 1 grief heeft aangevoerd. Zij concludeert, ten principale, tot ongegrondverklaring van de grieven en, incidenteel, tot vernietiging van de beschikking van de kantonrechter ten aanzien van de proceskostencompensatie en tot veroordeling van [verzoekster] in de kosten in beide instanties, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

2.3. [Verzoekster] heeft in het incidenteel appel verweer gevoerd.

2.4. Partijen zijn gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 29 oktober 2002.

Daarbij waren aanwezig ter ene zijde [verzoekster] en haar advocate mevrouw mr. Zwart en ter andere zijde de advocate van de VvE mevrouw mr. Majkowski en de heren [B], [A], [C], vormende het dagelijks bestuur van de vereniging, alsmede de heer [D] namens Woningbeheer N.V.

Bij deze gelegenheid is door de VvE nog overgelegd een voorbeeld van de brief van 11 maart 2002 waarin de bewoners om een machtiging wordt gevraagd, welke machtiging inzet is van het geschil uitmondende in grief 1.

2.5. De uitspraak is bepaald op heden.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar het beroepschrift en het verweerschrift.

4. De beoordeling

4.1. Het hof overweegt eerst het volgende.

De bestreden beschikking vermeldt enerzijds, in de aanhef, Woningbeheer N.V. als bestuurder van de VvE maar anderzijds, onderaan de eerste bladzijde, dat de VvE wordt vertegenwoordigd door haar voorzitter [A] en door [B]. Deze vaststellingen lijken niet met elkaar in overeenstemming te zijn.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat Woningbeheer N.V. geen bestuurder is van de VvE; zij is de administratief beheerder.

4.2. Bij inleidend verzoekschrift, bij het kantongerecht ingekomen op 14 januari 2002, en bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen aldaar op 7 maart 2002, heeft [verzoekster] verzocht vier besluiten, genomen op de algemene ledenvergaderingen van de VvE van 26 november 2001, en twee besluiten, genomen op de algemene ledenvergadering van 4 januari 2002, nietig te verklaren c.q. te vernietigen wegens strijd met wettelijke en/of statutaire bepalingen en/of met de redelijkheid en billijkheid.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken afgewezen.

4.3. In hoger beroep zijn nog vier kwesties aan de orde. Grief 1 heeft betrekking op de procesvolmacht van stemgerechtigde leden, de grieven 2 en 3 hebben betrekking op kwesties - door de kantonrechter genoemd a. ingezonden brieven resp. b. uitgebrachte stemmen - die op de algemene ledenvergadering van 26 november 2001 aan de orde kwamen en de incidentele grief heeft betrekking op de proceskostenveroordeling.

4.4. De grieven 2 en 3 in het principaal appel.

Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de geschillen die in de grieven 2 en 3 aan de orde zijn gesteld, ambtshalve het volgende. Partijen zijn op de mondelinge behandeling hierover gehoord.

4.4.1. In eerste aanleg is door de VvE onder meer de ontvankelijkheid van het verzoekschrift van [verzoekster] van 14 januari 2002 aan de orde gesteld.

De kantonrechter overwoog dienaangaande dat de besluiten van de vergadering van 26 november 2001 op 13 december 2001 aan [verzoekster] zijn verzonden en dat zij die besluiten op 14 december 2001 heeft ontvangen zodat zij tijdig, immers binnen de termijn van een maand van artikel 5:130 BW, haar verzoekschrift heeft ingediend.

Tegen deze beslissing is geen grief aangevoerd.

De termijn van artikel 5:130 BW is evenwel een vervaltermijn zodat het hof gehouden is ambtshalve te onderzoeken of het inleidend verzoekschrift binnen deze termijn is ingediend.

4.4.2. Artikel 5:130 BW luidt:

"Het verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennisnemen."

Uit het verslag van de algemene ledenvergadering van de VvE van 26 november 2001 blijkt dat [verzoekster] - voor wat betreft van de kwesties die in hoger beroep aan de orde zijn - aanwezig was. Dit verslag vermeldt:

"[Verzoekster] vraagt waarom haar uitgebreide correspondentie niet op deze vergadering besproken wordt. Zowel de heer [A] als de heer [D] hebben deze post als persoonlijk aan hun gericht beschouwd en dus niet aan de VvE. Desgevraagd geven beide heren aan geen behoefte te voelen om alle vragen en aantijgingen elke keer schriftelijk te beantwoorden."

en

"Volgens de getekende presentielijst zijn 41 van de 76 uit te brengen stemmen vertegenwoordigd. [Verzoekster] heeft getekend onder voorbehoud dat de presentielijst wordt aangepast. Zij is van mening dat de presentielijst niet juist is en dat er eigenaren ontbreken of onjuist vermeld staan. Geen van de overige aanwezigen deelt deze mening en wenst op basis van de voorliggende presentielijst de vergadering te vervolgen. Hierop verlaat [verzoekster] de vergadering."

Op de mondelinge behandeling van 29 oktober 2002 heeft [verzoekster] bevestigd aanwezig te zijn geweest bij de behandeling van deze kwesties.

4.4.3. Uit een en ander volgt dat de termijn, om op de voet van artikel 5:130 BW vernietiging te verzoeken, verviel op 27 december 2001 zodat het verzoekschrift dat ter griffie van het kantongerecht op 14 januari 2002 is binnengekomen, te laat is ingediend.

De bestreden beschikking kan mitsdien in zoverre niet in stand blijven. [Verzoekster] zal alsnog in haar inleidend verzoek (voor wat betreft de in de grieven 2 en 3 aan de orde gestelde kwesties) niet-ontvankelijk worden verklaard. De grieven 2 en 3 kunnen derhalve in hoger beroep niet meer inhoudelijk behandeld worden.

4.5. Grief 1 in het principaal appel.

Deze grief heeft betrekking op de procesvolmachten.

Voor de mondelinge behandeling ter zitting van de kantonrechter van 21 maart 2002 heeft het bestuur van de VvE de leden van de VvE gevraagd Woningbeheer N.V. en de heren [A] en [B] te machtigen om hen te vertegenwoordigen in de aanhangige procedure. In de daartoe strekkende brief staat dat de procedure mede betrekking heeft op vergoeding van diensten en geleden schade ad € 2.078,40. Deze mededeling is onjuist. [Verzoekster] heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruik van de (36) machtigingen in de procedure. De kantonrechter heeft de bezwaren verworpen.

Het hof is van oordeel dat [verzoekster] geen belang meer heeft bij deze grief nu de besluiten die zij aan het oordeel van de kantonrechter heeft onderworpen onherroepelijk zijn geworden, hetzij omdat het verzoek tot vernietiging van het besluit is afgewezen en tegen die afwijzing geen hoger beroep is ingesteld, hetzij omdat, zoals hiervoor overwogen, het verzoek tot vernietiging van het besluit niet tijdig is gedaan. Het hoger beroep dient daarom in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard.

4.6. De incidentele grief

Deze grief keert zich tegen de beslissing van de kantonrechter om, mede ter voorkoming van verdere verslechtering van de verstandhouding tussen partijen, de kosten te compenseren aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 41 lid 4 van de akte van splitsing (van 11 november 1996) bepaalt dat het bestuur van de VvE machtiging van de vergadering behoeft onder meer voor het instellen van rechtsvorderingen. Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gevraagd naar de machtiging om incidenteel beroep in te stellen, is het aan het hof gebleken dat zodanige machtiging niet is gevraagd noch verstrekt.

Nu (het bestuur van) de VvE niet bevoegd was om incidenteel beroep in te stellen moet zij ter zake niet ontvankelijk worden verklaard.

4.7. Het hof heeft geconstateerd dat in hoger beroep niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 5:130 lid 3 BW om de "andere" stemgerechtigden leden van de VvE op te roepen. Gelet op de uitkomst van deze procedure bestaat er geen aanleiding om de beslissing aan te houden en de andere stemgerechtigden alsnog op te roepen.

4.8. Ten aanzien van proceskosten in hoger beroep heeft [verzoekster] verzocht om compensatie op de grond die door de kantonrechter is verwoord.

Het hof is evenwel van oordeel dat [verzoekster] als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen dient te worden. Het hof heeft daarbij overwogen dat aannemelijk is dat de VvE niet in hoger beroep zou zijn gekomen van de beslissing aangaande de proceskosten indien [verzoekster] niet in hoger beroep zou zijn gekomen. Aan de beslissing met betrekking tot het incidenteel ingestelde beroep kan daarom slechts weinig gewicht worden toegekend.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal hoger beroep:

recht doende voor zover de beschikking van 2 april 2002 aan het oordeel van het hof is onderworpen:

verklaart het hoger beroep voor zover dat zich keert tegen de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de procesmachtigingen niet ontvankelijk;

vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 2 april 2002 ten aanzien van de onderdelen

* ontvankelijkheid van het verzoek ingekomen 14 januari 2002;

* ad a. ingezonden brieven;

* ad b. uitgebrachte stemmen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart [verzoekster] in het inleidende verzoekschrift in zoverre alsnog niet-ontvankelijk;

in het incidenteel hoger beroep:

verklaart de VvE niet ontvankelijk;

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de VvE gevallen tot op heden begroot op € 193,- aan griffierechten en op € 771,- aan salaris van de procureur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 december 2002.